|
H O O F D S T U K
VII
PETRUS EN PAULUS
ALS GETUIGEN
Behalve het onderscheid tussen de bedieningen van de
twaalf apostelen en Paulus, maakt de Schrift ook duidelijk onderscheid tussen de
bedieningen van Petrus (als leider van de twaalf) en Paulus.
VISIOENEN EN STEMME
|
EEN
VERKLARING DOOR
PETRUS |
EEN
VERKLARING
DOOR PAULUS |
|
2 Petr. 1:16-18 |
Hand. 22:7,14,15 |
|
"Want wij zijn geen kunstiglijk verdichte fabelen
nagevolgd, als wij u bekendgemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen
Heere Jezus Christus, maar wij zijn AANSCHOUWERS geweest van Zijn
majesteit.
"Want
Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig EEN
STEM van de hoogwaardige Heerlijkheid tot
Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn
welbehagen heb.
"EN
DEZE STEM HEBBEN WIJ GEHOORD... toen wij met Hem op den heiligen berg
waren." |
"En ik viel ter aarde, en ik HOORDE EEN STEM
tot mij zeggende: Saul, Saul,
wat vervolgt gij MIJ?"
"En hij (Ananias) zeide: De God onzer vaderen
heeft u tevoren verordineerd om
Zijn wil te kennen, en den
Rechtvaardige te ZIEN en
de stem uit Zijn mond te HOREN.
"Want
gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen
van hetgeen gij GEZIEN en
GEHOORD hebt."
|
| |
|
Bij vergelijking van de bovenstaande passages zien wij de
volgende overeenkomsten.
1.. Beiden, Petrus en Paulus, zagen
de verheerlijkte Heere.
2. Beiden hoorden stemmen
uit de hemel.
3. Beiden waren getuigen van wat zij hadden gezien
en
gehoord.*/[1]
Toch zijn er duidelijke verschillen tussen de omstandigheden en betekenis van hun ervaringen
1. Petrus zag
de Heere in Zijn glorie op aarde.
Paulus zag Hem in Zijn glorie in de
hemel.
2. Petrus zag
Hem in Zijn koninkrijks-glorie.
Paulus zag Hem in de glorie van Zijn genade
aan de rechterhand van de Vader.
3. De stem die
Petrus hoorde beoogde de aanname van
Christus (Matt.17:5, "Hoort Hem"). De stem die Paulus hoorde beoogde
de verwerping van Christus
("Waarom vervolgt gij Mij?")
4.. Wat Petrus
zag was een betoning van "de kracht
en toekomst" van Christus. Wat
Paulus zag, was een betoning van de
genade die Hem noodzaakte Zijn komst uit te stellen (2 Petr.3:9,15).
5..
De ervaring van Petrus was in overeenstemming met zijn positie als een
apostel van het Messiaanse koninkrijk.
Paulus' ervaring was in overeenstemming met zijn positie als de apostel van de
genade van God.
PETRUS OP DE BERG DER VERHEERLIJKING
in Matt.4:17 lezen we:
"VAN
TOEN AAN HEEFT JEZUS BEGONNEN TE PREDIKEN EN TE ZEGGEN: BEKEERT U, WANT HET
KONINKRIJK DER HEMELEN IS NABIJ GEKOMEN."
Matt.10:5-7
vertelt hoe de Heere Zijn twaalf apostelen uitzendt met dezelfde boodschap:
"Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen."
Hoe
werd de boodschap ontvangen? Matt.16:21 geeft antwoord op deze vraag:
"VAN TOEN AAN BEGON JEZUS ZIJN DISCIPELEN TE
VERTONEN, DAT HIJ MOEST HEENGAAN NAAR JERUZALEM, EN VEEL LIJDEN VAN DE
OUDERLINGEN EN OVERPRIESTERS EN SCHRIFTGELEERDEN, EN GEDOOD WORDEN, EN TEN
DERDEN DAGE OPGEWEKT WORDEN."
Stel u zich de gevoelens van de apostelen eens voor. Zij
waren reeds ontmoedigd door de geringe reactie op hun aankondiging van het
koninkrijk. En nu de tegensstand van de oversten nog heviger werd begint hun
Heere te spreken over gedood worden!
Als Zijn "verslagen" houding hen al
verbijsterde, dan moeten zij toch wel totaal in de war geraakt zijn bij Zijn
heenwijzing naar Zijn opstanding. Inderdaad,
in het verslag in Lukas18:34 wordt op drie verschillende manieren
geconstateerd dat zij niet het minste idee hadden waarover Hij sprak. Zij konden
blijkbaar alleen concluderen dat Hij de nederlaag toegaf, want in het volgende
vers van Mattheus' verslag lezen we:
"En Petrus Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem
te bestraffen zeggende: Heere, zijt U genadig; dit zal U geenszins
geschieden" (Matt.16:22).
Ongetwijfeld was deze houding van de kant van de apostelen
een belangrijke reden voor de gedaanteverandering van onze Heere.
Terwijl Hij de apostelen vertelde over Zijn afwijzing door
Israel en zijn naderende dood, wenste Hij hen niettegenstaande gerust te stellen
wat betreft de uiteindelijke uitkomst. Voorts nam Hij
de drie die Hem het naaste waren en gaf hen een blik op de glorie en
majesteit die Hij op een dag zou bezitten. Deze gebeurtenis is beschreven voor
ons in Matt.17:1,2:
"EN NA ZES DAGEN NAM JEZUS MET ZICH PETRUS EN JAKOBUS
EN JOHANNES, ZIJN BROEDER, EN BRACHT HEN OP EEN HOGEN BERG ALLEEN. EN HIJ WERD
VOOR HEN VERANDERD VAN GEDAANTE; EN ZIJN AANGEZICHT BLONK GELIJK DE ZON, EN ZIJN
KLEDEREN WERDEN WIT GELIJK HET LICHT."
Op die dag werden Petrus, Jakobus en Johannes "aanschouwers
van Zijn majesteit" en hoorden de stem van God Zelf, die bevestigde wat
zij zagen. Wat er nu ook mocht komen, zij
hadden geen reden meer om ooit nog te twijfelen dat Christus God's Gezalfde was
en dat Hij eenmaal in glorie zou
regeren.
Zo'n dertig jaren na de hemelvaart, terwijl Christus nog
wegbleef, verwees Petrus naar deze ervaring, zoals we hierboven gezien hebben,
en verzekerde daarmee zijn lezers dat hij, Jakobus, en Johannes, geen
"kunstig verdichte fabels navolgden", toen zij Christus' "kracht
en toekomst" verkondigden, maar dat zij "aanschouwers waren van Zijn
majesteit", en s'Vader "stem uit de hemel" hadden gehoord die
bevestigde hetgeen zij zagen. Aldus zag Petrus inderdaad de Heere in Zijn
glorie, maar let wel, in Zijn koninkrijks-glorie
op aarde, en hij zelf associכert het
gezicht met de "kracht en de
toekomst" van onze Heere.
PAULUS OP WEG NAAR DAMASCUS
De Heere verscheen ook aan Paulus in Zijn heerlijkheid,
maar onder geheel andere omstandigheden en met een heel ander doel.
Zoals we weten, slaagden Petrus en de elven er niet in
Israel aan de voeten van de Messias te brengen. De tegenstand van Israels
regering tegen Christus werd in feite nog feller dan deze vףףr het kruis
geweest was, totdat tenslotte het bloed van Stephanus vergoten werd, en daarna
steeds meer bloed.
En hier lezen we van Saulus van Tarsen, want hij was
degene die de "grote vervolging" tegen de Pinkstergelovigen leidde.
Wat betreft de moord op Stephanus lezen we:
"En Saulus had mede een welbehagen aan zijn
dood", en
in hetzelfde vers:
"En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de gemeente, die te
Jeruzalem was" (Hand.8:1).
Dat Saul de leider van deze vervolging was is duidelijk,
want het verslag van de Schriften over de vervolging plaatst hem op de
voorgrond. Hand.8:3 zegt: "En Saulus
verwoestte de gemeente" en in het volgende hoofdstuk vinden we hem "nog
blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren" (Hand.9:1).
De gelovigen in Damascus spraken over hem als "degene
die te Jeruzalem verstoorde die dezen Naam aanriepen" (Hand.9:21).
Paulus zelf erkende jaren later:
"Die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en
in de gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen " (Hand.22:4),
"en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten...en als zij
omgebracht werden, stemde ik het toe. En door al de synagogen heb ik hen
dikmaals gestraft en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende, heb
ik hen vervolgd ook tot in de buitenlandse steden." (Hand.26:10,11).
In zijn brief aan de Galaten somt hij dit alles op met de
woorden: " dat ik uitnemend zeer de
gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte"
(Gal.1:13).
In dit alles was Saulus de personificatie van Israels
geest van opstand tegen de Messias. Maar toen de vervolging op z'n hevigst was,
als Saulus, "blazende dreiging en moord" tegen de volgelingen van de
Messias, op weg is naar Damascus om nog meer van hen te "verstoren",
komt de verworpen Heere Zelf tussenbeide en ziet Saulus, net als Petrus, de
Heere in Zijn heerlijkheid en hoort een stem uit de hemel.
Maar wat een verschillende omstandigheden!
Petrus, als apostel van de Heere, had gezien, gehoord en
verkondigd dat Jezus de Christus was. Saulus was Petrus' felste vijand wegens de
verkondiging van dat feit. Petrus was de leider van de Pinksterkerk; Saulus was
de leider van de vervolging tegen die kerk.
Daarenboven zag Paulus de Heere, niet in Zijn
koninkrijks-glorie, zoals Petrus, maar in de heerlijkheid van Zijn genade,
verhoogd "ver boven alle hemelen".
Er zijn twee feiten in verband met Saulus' ervaring op de
weg naar Damascus die bijzondere aandacht verdienen:
Ten eerste, dat
de afwijzing van de Heere door Israel nu een feit was. Vףףr de
steniging van Stephanus en de roeping van Saulus, had God
het koninkrijk aangeboden aan Israel aangenomen*/[2] dat zij zich zou bekeren en haar Messias aannemen. Maar
nu, met een Israel dat oorlog voert tegen de kerk (van die dagen), en Saulus van
Tarsen, die de kerk verwoest, roept de verworpen Heere vanuit de hemel: "Waarom
vervolgt gij Mij?" Hierna werd het koninkrijk nooit meer aan Israel
aangeboden zover het verslag luidt.
Ten tweede: Saulus
was Christus' felste vijand op aarde, niettemin handelde de Heere in genade met
hem. In plaats van hem te veroordelen, redde Hij hem!
Dit alles heeft een diepe betekenis, want aangezien Israel
Gods vijand was geworden, besloot God haar nu, samen met de heidenen, in
ongeloof, "opdat Hij hun allen zou
barmhartig zijn" (Rom.11:32).
Jaren later, als hij terugkijkt, verwijst Paulus naar
zichzelf als "een godslasteraar
en een vervolger, en verdrukker"
, maar hij gaat verder en zegt:
"DOCH
DE GENADE ONZES HEEREN IS ZEER OVERVLOEDIG GEWEEST, MET GELOOF EN LIEFDE, DIE ER
IS IN CHRISTUS JEZUS. DIT IS EEN GETROUW WOORD EN ALLE AANNEMING WAARDIG, DAT
CHRISTUS JEZUS IN DE WERELD GEKOMEN IS OM DE ZONDAREN ZALIG TE MAKEN, VAN WELKE IK DE VOORNAAMSTE BEN. MAAR DAAROM IS MIJ
BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE
VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN VOORBEELD DERGENEN,
DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN LEVEN" (1Tim.1:14-16).
Het is moeilijk te begrijpen hoe iemand dit
Schriftgedeelte kan lezen zonder te zien dat God een nieuwe bedeling begon met
de bekering van Saulus. In plaats van Israel en de wereld direct te oordelen,
toonde de verworpen Heere Zijn oneindige liefde door Paulus te redden en Hem uit
te zenden met "het evangelie van
Gods genade" (Hand.20:24) Deze "bedeling van Gods genade" door Paulus, is de bedeling
waaronder we nu leven. Zij zal niet worden beכindigd dan nadat de Heere Zelf
komt om de leden van Zijn lichaam naar de hemel te roepen. Dan wordt het
profetisch programma opnieuw hervat en zullen de schalen van Gods toorn
uitgegegoten worden over deze Christus-verwerpende wereld.
HET LIJDEN EN DE HEERLIJKHEID
De belofte van de Heere in Matt.19:28 had er geen twijfel
over gelaten dat de twaalf met Christus in het koninkrijk op tronen zouden
zitten, en wat Petrus zag en hoorde "op de heilige berg" betrof de
heerlijkheid waaraan hijzelf deel zou hebben bij de regering van Christus.
Wat Paulus zag en hoorde, betrof echter het
lijden van de Heere en de Zijnen. De verworpen Heere zei tot Saulus: "Waarom
vervolgt gij Mij?", maar Hij zei ook tot Ananias over Saulus: "Want
Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam" (Hand.9:16).
Christus moest, door genade, in ballingschap blijven, verworpen door de wereld,
maar Paulus, de zondaar gered door genade, moest het lijden en de verwerping
dragen.
Dit verklaart Kolossenzen 1:24, waar de apostel zegt:
"Die mij nu verblijd in mijn LIJDEN voor u, en VERVUL
IN MIJN VLEES DE OVERBLIJFSELEN VAN DE VERDRUKKINGEN VAN CHRISTUS voor Zijn
lichaam, hetwelk is de gemeente."
In welke zin vervulde Paulus de overblijfselen van de
verdrukkingen van Christus? Het is zeker dat hij niets kon toevoegen aan het
volbrachte reddingswerk. Het punt is dat, daar waar Christus' plaatsvervangend
lijden voor de zonden voorbij was, Hij nog steeds
werd verworpen, en in genade verkoos om voor bepaalde tijd zo te blijven in
plaats van Zijn vijanden direct te oordelen. Terwijl Hij aldus "de dag van
Zijn toorn" uitstelde, redde Hij Saulus, Zijn grootste vijand, en zond hem
uit om overal genade en vrede te verkondigen aan Zijn vijanden. Zo werd de grote
vervolger nu de vervolgde, dragende de verdrukkingen van Christus' voortdurende
verwerping. En zo lang onze Heere in genade nog weg blijft volgen wij, als leden
van Christus' lichaam, Paulus hierin, zoals geschreven staat:
"WANT U IS UIT GENADE GEGEVEN IN DE ZAAK VAN
CHRISTUS, NIET ALLEEN IN HEM TE GELOVEN, MAAR OOK VOOR HEM TE LIJDEN, DENZELFDEN
STRIJD HEBBENDE, HOEDANIGEN GIJ IN MIJ GEZIEN HEBT EN NU IN MIJ HOORT" (Fil.1:29,30).
Zulk lijden echter is zoet. De apostel noemt het: lijden "met
Christus" (Rom.8:17), "het lijden van
Christus" (2Kor.1:5), "de
gemeenschap Zijns lijdens", en
verlangt naar deze gemeenschap (Fil.3:10).
Men zou zich kunnen afvragen: Hadden de twaalf ook niet
voor Christus geleden? Ja, maar altijd in de hoop dat Israel Christus zou
accepteren. Als Paulus, in plaats van Petrus, de voornaamste plaats inneemt in
het boek Handelingen, komt dat omdat Israels afwijzing van Christus wordt erkend
en aangenomen. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat God onmiddellijk Zijn
handelen met Israel als natie afsloot, want het vonnis over Israel werd niet
eerder uitgesproken dan in Hand.28:28.
Zo werd Paulus geroepen om Christus te prediken in een
Christus-verwerpende wereld en daarvoor te lijden. Hij was uitverkoren om dat te
vervullen wat nog overbleef van het lijden van Christus - en zo is het ook met
ons, want Hij spoort ons aan, door de Heilige Geest: "Weest mede mijn navolgers, broeders " (Fil.3:17).
Christus is nog
steeds verworpen en nog steeds
blijft Hij weg, en wij dragen, of
zouden moeten dragen, in ons vlees het lijden van Zijn verwerping. In een wereld
in vijandschap met God en Zijn Christus roepen wij:
"ZO
ZIJN WIJ DAN GEZANTEN VAN CHRISTUS' WEGE, ALSOF GOD DOOR ONS BADE; WIJ BIDDEN
VAN CHRISTUS' WEGE: LAAT U MET GOD VERZOENEN. WANT DIEN, DIE GEEN ZONDE GEKEND
HEEFT, HEEFT HIJ TOT ZONDE VOOR ONS GEMAAKT, OPDAT WIJ ZOUDEN WORDEN
RECHTVAARDIGHEID GODS IN HEM" (2 Kor.5:20,21).
Christus stierf in onze plaats, en wij beschouwen het als
een voorrecht om in Zijn plaats voor
de mensen te staan, hoewel het telkens lijden met zich meebrengt. Evenals Paulus
bidden wij de mensen en zeggen: "Christus is niet hier; u wilde Hem niet,
maar wij zijn hier in Zijn plaats, om u te vertellen dat Hij u liefheeft en voor
u stierf, opdat u verzoend kunt worden met God door Zijn verdiensten".
NOG TWEE STEMMEN
|
Paulus
te Jeruzalem
Hand.22:17-21
"En het gebeurde
mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den tempel BAD, dat ik in
een VERTREKKING VAN ZINNEN was,
"En dat ik HEM
ZAG, EN HIJ TOT MIJ ZEIDE: Spoed u en ga inderhaast uit Jeruzalem; want
zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.
"EN IK ZEIDE:
Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen
geselde, die in U geloofden.
"En toen het
bloed van Stephanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond,
en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen
die hem doodden.
"En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u
ver tot de heidenen afzenden.
|
Petrus
te Joppe
Hand.10:9-16
"En des anderen daags...klom Petrus op het dak om
te BIDDEN omtrent de zesde ure. "En hij werd hongerig en begeerde te
eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hemEEN VER-
TREKKING VAN ZINNEN "En hij zag den hemel geopend,
en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de
vier hoeken gebonden en nedergelaten op de
aarde. "In hetwelk waren al de viervoetige dieren
der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogels des
hemels.
"En ER GESCHIEDDE EEN STEM TOT HEM: Sta op, Petrus!
Slacht en eet. MAAR PETRUS ZEIDE: Geenszins Heere, want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein
was.
"En een stem
geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft,
zult gij niet gemeen maken. "En dit geschiedde tot drie maal; en het
vat werd wederom opgenomen in den hemel."
|
Hier zien we opnieuw dat Petrus en Paulus elk een stem
hoorden; terwijl zij in vertrekking van zinnen waren en beiden waren die tijd in
gebed. Petrus' ervaring had betrekking op Gods doel om naar de heidenen te gaan;
Paulus' betrof Zijn doel om weg te gaan van Israel. Beiden spraken terug tot
God.
Petrus, in zijn afkeer van het onreine, maakte bezwaar dat
hij nooit iets gemeen of onreins had gegeten. Paulus, in zijn verlangen om in te
Jeruzalem te dienen en zijn bloedverwanten voor Christus te winnen,
argumenteerde dat zij hem allen kenden als de vroegere vervolger van de
gemeente.
In beide gevallen echter stond de Heere erop dat Zijn
bedoeling zou worden uitgevoerd. Tot Petrus zei Hij: "Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken", en
gebood hem "niet twijfelende" naar de heidenen te gaan. Paulus
antwoordde Hij: "Ga heen; want Ik
zal u ver tot de heidenen afzenden."
We zijn ons welbewust van het feit dat Petrus niet het
geheimenis van Gods bedoeling en genade tot deze heidenen heeft gepredikt. Hij
wist het niet eens. Hij wist zelfs niet waarom God hem zond, en toen hem
rekenschap werd gevraagd, verklaarde hij eenvoudig: "Wie was ik toch, die God konde weren?" (Hand.11:17).
Bovendien werd zijn bediening aan het huishouden van Cornelius vergezeld door
waterdoop en wondertekenen.
Niettemin was Petrus' opdracht ייn van de eerste stappen in de openbaring van het geheimenis, Gods
plan om de volkeren te zegenen, ondanks Israels verwerping van Christus.
Terwijl we volledig het koninkrijks-aspect herkennen in
Petrus' boodschap en de bekering van Cornelius, moeten we de volgende feiten
niet vergeten:
1. De
gebeurtenis vond plaats na de bekering
van Saulus, wat de eerste stap
was in de introductie van de nieuwe bedeling (1Tim.1:13-16).
2. Petrus werd
niet tot Cornelius gezonden onder de zogenaamde "grote opdracht", maar
vanwege een speciale opdracht; niet omdat Israel de Messias had aangenomen,
maar ziende op het feit dat zij Hem afwees.
Het was niet de volgende stap in de
uitvoering van de "grote opdracht", want volgens deze opdracht, moest
Israel eerst aan de voeten van de Messias gebracht worden (zie Luk.24:47,
Hand.1:8, 3:25,26) en het was steeds duidelijker geworden dat Israel de Messias
niet wilde accepteren.
3. Hier leren
we voor de eerste keer, dat God "geen
verschil" maakt tussen Jood en Heiden (Hand.15:9). Dit was, zoals we
gezien hebben, niet zo onder de "grote opdracht", noch zal dat zo zijn
op de dag des Heeren, wanneer die opdracht uitgevoerd wordt (Matt.24:14,
Jes.60:1-3). Maar voordat de Handelingenperiode afgesloten wordt is ten
volle aangetoond dat "er geen
verschil is", noch wat betreft de zonde van de mens (Rom.3:22,23) noch
wat betreft Gods genade (Rom.10:12).
4.
Het was op grond van de ervaring van Petrus, dat Paulus'
bediening aan de heidenen werd erkend door de gemeente te Jeruzalem.
(Lees zorgvuldig Hand.15:7-35).
Wat betreft Paulus' ervaring in de tempel bij zijn eerste
terugkeer naar Jeruzalem na zijn bekering, deze wijst er duidelijk op dat
Israels verwerping van Christus nu een feit was. Omdat de boodschap van de
twaalf was veracht veronderstelde Paulus dat zij wel naar hem wilden luisteren, aangezien hij eerst de leider was geweest van
de vervolging van Christus. Maar de Heere wist beter en zei: "Zij
zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen."
Laten wij ons opnieuw herinneren waarom God dus Zijn
handelen met Israel als volk onderbrak:
"WANT GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID
BESLOTEN, OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN. "O DIEPTE DES RIJKDOMS,
BEIDE DER WIJSHEID EN DER KENNIS GODS! HOE ONDOORZOEKELIJK ZIJN ZIJN OORDELEN,
EN ONNASPEURLIJK ZIJN WEGEN!" (Rom.11:32,33).
VRAGEN
1. Waar vond de
verheerlijking van onze Heere plaats?
2. In welke
grotere heerlijkheid zag later Paulus Christus?
3. Wat zei de
stem uit de hemel bij de "verheerlijking"?
4. Wat was de
betekenis van de "verheerlijking"?
5. Wat zei de
stem uit de hemel tot Paulus toen hij voor 't eerst de verheerlijkte Heere zag?
6. In welke zin
was dit belangrijk?
7. Waarin
kwamen de details van de "verheerlijking" overeen met Petrus'
bediening?
8. Waarin
kwamen de details van de openbaring van Christus aan Paulus overeen met zijn
bediening?
9.
Wat
was de reactie van de apostelen op Christus' voorspelling van Zijn dood en
opstanding?
10. Hoe had
Petrus geantwoord?
11. Hoe had
de "verheerlijking" deze situatie moeten beinvloeden?
12. Geef drie
Schriftplaatsen die Saulus' rol als vervolger van Christus beschrijven.
13. Hoe
antwoordde God op Saulus' (en Israels) rebellie tegen Christus?
14.
Geef een Schriftplaats
die aangeeft dat God een nieuwe bedeling begon met de bekering
van Saulus.
15.
Geef een Schriftplaats die
het verband aangeeft tussen Christus' afwijzing en Paulus' lijden
voor Christus.
16. Geef een Schriftplaats die aangeeft dat wij ook moeten
lijden voor Christus' afwijzing.
16.
Geef drie aanwijzingen dat
Petrus' boodschap aan Cornelius ייn van de eerste stappen was
in de openbaring van het geheimenis.
18. Wat moest
Petrus' visioen op het dak van het huis in Joppe hem leren?
19. Wat moest
Paulus' visioen in de tempel hem leren?
20. Welk
verband was er tussen Petrus' bezoek aan Cornelius en Paulus' daarop volgende
bediening onder de heidenen?
|