De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

 

H O O F D S T U K  VI

DE BEDIENINGEN VAN DE TWAALF EN PAULUS 

MET ELKAAR VERGELEKEN

De fundamentele reden van de leerstellige verwarring die heerst in de kerken komt doordat men de aparte boodschap en bediening van Paulus niet onderscheidt van die van de twaalf. De meerderheid van de oprechte gelovigen schijnt zichzelf niet af te vragen: Waarom Paulus? Het opvallende feit is niet tot hen doorgedrongen dat nadat onze Heere, in Zijn zogenaamde grote opdracht de andere apostelen "de gehele wereld" ingezonden had om "het Evangelie" aan "alle creaturen" te prediken (Mark.16:15) en "al de volken" (Matt.28:19) te onderwijzen, - daarna een andere apostel riep, en dat de leiders van de twaalf een plechtige overeenkomst onder leiding van de Heilige Geest hebben gemaakt met deze andere apostel dat hij naar de heidenen zou gaan, terwijl zij hun bediening tot Israel zouden beperken (Gal.2:7-9). Aldus kon Paulus enige jaren na "de grote opdracht" aan de elven ( weer twaalf in Hand.1:15-26), verklaren: "WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN: VOOR ZOVER IK DER  HEIDENEN APOSTEL BEN, IK MAAK MIJN BEDIENING HEERLIJK" (Rom.11:13).

Paulus zelf benadrukt steeds zijn aparte apostelschap en boodschap. Driemaal spreekt hij van "mijn evangelie" (Rom.2:16; 16:25, 2Tim.2:8) en herhaaldelijk gebruikt hij soortgelijke uitdrukkingen zoals: "het Evangelie dat ik u verkondigd heb", "het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is" en "het Evangelie, dat ik predik onder de heidenen" (1Cor.15:1, Gal.1:11, 2:2). Steeds opnieuw maakt hij duidelijk dat hij zijn boodschap van de Here ontvangen heeft (1Cor.11:23,15:1, 1Thess.4:15) door rechtstreekse openbaring (Gal.1:12,  Eph.3:1-3). Hij vervloekt zelfs een ieder die aan de heidenen een evangelie verkondigt buiten hetgeen hij verkondigd heeft. Daarom horen wij hem telkens (in verschillende bewoordingen) zeggen: "Volg mij" (1Cor.4:16, 11:1, Phil.3:17, 1Thess.1:6, 2Thess.1:6, 2Thess.3:9).

Dit betekent, zoals in het voorgaande hoofdstuk is aangegeven, dat het profetische programma, waarvan de "grote opdracht" een onderdeel was, werd onderbroken door de bedeling van de genade van God door Paulus. Vandaar dat het belangrijk is om Paulus' boodschap en bediening te onderscheiden van die van de twaalf.

  DE TWAALF APOSTELEN

Als wij de bediening van de twaalf en die van Paulus in dit hoofdstuk met elkaar vergelijken zullen we onze verklaringen met betrekking tot de apostelen zo nummeren dat zij kunnen worden vergeleken met die aangaande Paulus.

 1.    De twaalf werden door Christus op aarde gekozen (Luk.6:13).

 2.   Ten tijde dat Paulus werd geroepen kenden de twaalf Christus  alleen op aarde. Zij hadden Hem zelfs de hemel niet zien binnengaan bij Zijn hemelvaart, want "een wolk nam Hem weg van hun ogen" (Hand.1:9).

 3.   Zij vertegenwoordigden het volk Israel - ייn voor elke stam. Dit is duidelijk vanuit de belofte van onze Heere aan hen:"Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, DAT GIJ OOK ZULT ZITTEN OP TWAALF TRONEN, OORDELENDE DE TWAALF GESLACHTEN  ISRAELS" (Matt.19:28; Luk.22:29,30).

De oprechte en nadenkende Bijbelstudent zou zorgvuldig acht  moeten slaan op het feit dat er geen enkel verband bestaat tussen het getal twaalf en lichaam van Christus, maar dat het aantal steeds in verband staat met Israel. "Jakob gewon de twaalf patriarchen" (Hand.7:8). Daaruit kwamen de twaalf stammen van Israel voort. Deze stammen hadden twaalf oversten boven zich (Num.1:16). Zelfs toen Israel door koningen werd geregeerd waren er nog steeds de oversten om over elk van de twaalf stammen te regeren (1Kron.27:22).

Dit alles werd natuurlijk door de ballingschappen ontbonden. Maar nu was de lang beloofde Koning in hun midden - Hij die "aan Israel het koninkrijk zou herstellen". En toen Hij "het evangelie van het koninkrijk" begon te verkondigen (Matt.9:35), koos Hij Zijn twaalf oversten voor de twaalf tronen over Israels twaalf stammen (Matt.19:28).  

4.  Deze twaalf werden eerst uitgezonden om te prediken dat het koninkrijk der hemelen nabij gekomen was (Matt.10:7, Dan.2:44) en later boden zij het Israel aan met de bedoeling dat zij de boodschap aan de hele wereld zouden brengen. (Hand.1:6-8, 3:19-26).

5. Hen werd kracht gegeven om wonderen te doen (Matt.10:8, Mark.16:17,18).

6. Hun bediening was gebaseerd op de verbonden en de profetie (Jes.60:1-3, Luk.1:70-75, Hand.3:22-26).

7.  Daarom werden zij eerst tot de Joden gezonden en zou de redding van de volkeren komen door een wedergeboren Israel          (Matt.10:5,6, Luk.24:47, Hand.3:25,26).

8. Zij predikten alleen in Israel (Hand.10:39, 21:17-20).*/[1]

9. In hun boodschap en bediening verwachtten zij Israels acceptatie van Christus als hun Koning en Zijn wederkomst om te regeren. Daar werkten, hoopten en baden zij voor (Hand.1:11, 3:19-21).

10. In "de grote opdracht" aan de twaalf werd waterdoop vereist tot redding en waren wondertekenen daar de bewijzen van (Mark.16:15-18, Hand.2:38).

DE APOSTEL PAULUS

De lezer zou nu de tijd moeten nemen om de genummerde gedeelten van de voorgaande bladzijden te vergelijken met de bediening van Paulus.

1.   In tegenstelling tot de twaalf werd Paulus  door Christus vanuit de hemel  gekozen (Hand.9:3-5, 26:16).

2  Hij kende  Christus  alleen in de hemel; op aarde heeft hij Hem  nooit gezien (Hand.9:3-5, 26:16). 

3. Paulus, als ייn apostel, vertegenwoordigt het lichaam van Christus.*/[2]

Hier dient de oplettende Bijbelstudent weer op te merken dat terwijl het getal twaalf nooit wordt geassocieerd met het lichaam van Christus, het getal ייn er onlosmakelijk mee verbonden is: "Alzo zijn wij velen ייn lichaam in Christus" (Rom.12:5), "Want ook wij allen zijn door ייn Geest tot ייn lichaam gedoopt" (1Cor.12:13), "ייn lichaam is het" (Ef..4:4) enz.

Bovendien bestaat het lichaam uit vijanden, verzoend met God door de dood van Zijn Zoon (Kol.1:21,22). Wat een volmaakt voorbeeld was Paulus hiervan! Verder was Paulus zowel een Hebreeכr als een Romein. Hij was een geboren Hebreeכr (Phil.3:5) en wel door en door (Fil.3:5,6). Maar hij was ook een Romein, een geboren Romein, door en door Romeins. Toen de hoofdmannen te Filippi bericht zonden dat Paulus en Silas konden worden vrijgelaten, weigerde Paulus om te gaan, en zei:"ZIJ HEBBEN ONS, DIE ROMEINEN ZIJN, ONVEROORDEELD IN HET OPENBAAR GEGESELD EN IN DE GEVANGENIS GEWORPEN, EN WERPEN ZIJ ONS NU HEIMELIJK DAARUIT? NIET ALZO, MAAR DAT ZIJ ZELVEN KOMEN EN ONS UITLEIDEN" (Hand.16:37).    

Zij verlangden hier een verontschuldiging van de Romeinse hoofdmannen en, let wel, de hoofdmannen "kwamen en baden hen, en leidden hen uit" (vers 39).

Later in Jeruzalem, terwijl de soldaten Paulus bonden om hem met geselen te onderzoeken, zei Paulus tot de hoofdman die erbij stond: "Is het ulieden geoorloofd een Romeins mens, en dien onveroordeeld, te geselen?" (Hand.22:25).

Toen deze vraag werd doorgegeven aan Lysius, de overste die de geseling had bevolen, werd hij plotseling vriendelijk tegen Paulus, en verklaarde dat het hem veel gekost had om het Romeins burgerschap te verkrijgen."En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. EN PAULUS ZEIDE: MAAR IK BEN OOK EEN BURGER GEBOREN" (Hand.22:28).

Terstond vertrokken toen zijn zogenaamde "onderzoekers". Zij wensten niet in moeilijkheden te geraken met de Romeinse overheid door hun fout. De overste werd ook bevreesd...omdat hij hem gebonden had" (vers 29). Paulus was geboren in Tarsus, "geen kleine stad" in de ogen van de Romeinse overheid (Hand.21:39). In feite was zijn status als Romein zo hoog dat hij het recht had om een persoonlijk beroep op Ceasar te doen voor een gerechtelijk onderzoek. Dit werd bevestigd door Festus en de Romeinse raad te Caesarea nadat deze zaak ter sprake was gekomen (Hand.25:10-12).

Waarom benadrukt de Heilige Geest zowel zijn Hebreeuwse als zijn Romeinse burgerschap?  Eenvoudig omdat hij, een verzoende Hebreeכr en Romein in ייn persoon, het lichaam van Christus vertegenwoordigt, de Gemeente van deze bedeling, die is samengesteld uit Joden en heidenen verzoend met God in ייn lichaam, door het kruis (Ef.2:16).

4. Paulus werd gezonden om "het evangelie van Gods genade" te verkondigen (Hand.20:24, Ef.3:1-3). Terwijl hij het feit bevestigde dat Jezus Israels Messias was, verkondigde hij nooit dat het koninkrijk nabij was of boodt het Israel ter acceptatie aan. Evenmin hadden de twaalf tot die tijd ooit het evangelie van Gods genade verkondigd.

5. Terwijl Paulus in het begin "de tekenen van een apostel" bezat, werd zijn macht om wonderen te doen teruggenomen in verband met zijn door God gegeven boodschap (Rom.8:22,23, 1Cor.13:8-13, 2Cor.4:16, 5:1-4, 12:7-10, Phil.2:26,27, 1Tim.5:23, 2Tim.4:20).

6. Paulus' boodschap was niet gebaseerd op verbondsbeloften of profetiכn maar uitsluitend op de genade van God (Rom.3:21-28, Ef.1:7,2:7). Het was een geheim, tot die tijd verborgen gehouden (Rom.16:25,Eph.3:1-3) en geleidelijk geopenbaard aan en door hem (Hand.26:16, 22:17,18, 2Cor. 12:1-7).

7. In zijn boodschap stonden Joden en heidenen op gelijke voet voor God (Rom.3:22,23, 10:12,13).      

8. Paulus' voornaamste bediening was onder de heidenen (Rom 11:13, Ef.3:1,2). Toen hij in Jeruzalem wilde gaan prediken, verbood de Heere hem om te blijven, zeggende: "Ga heen, want Ik zal u ver tot de heidenen  afzenden (Hand.22:21).

9. Met de roeping van Paulus werd Israel besloten in ongeloof. De Heere Zelf zei tot Paulus: "ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN" (Hand.22:18).

Vandaar dat Paulus' boodschap, in tegenstelling tot die van de twaalf, gebaseerd was op Israels afwijzing van Christus, en verklaarde Zijn voortdurende afwezigheid (Ef.1:18-2:6, Fil.2:9, Kol.3:1-3, Hebr.2:8,9).

10.   Noch waterdoop noch wondertekenen hoorden bij Paulus' speciale opdracht, noch hadden deze onder zijn bediening  iets te doen met redding. Het is waar dat Paulus in 't eerst sommigen heeft gedoopt; dat hij tenminste ייn iemand besneden heeft; dat hij "de tekenen van een apostel" had, maar dit hoorde bij de bedeling waaronder hij was gered en die geleidelijk aan het verdwijnen was. Bovendien verklaart hij duidelijk dat hij niet de besnijdenis predikte (Gal.5:11), niet was gezonden om te dopen (1Cor.1:17) en dat de wonderlijke krachten die hij zelf bezat tenietgedaan zouden worden (1Cor.13:8-10).

PAULUS NIET ֹֹN VAN DE TWAALF

Soms worden de discipelen ervan beschuldigd dat zij in het vlees handelden toen zij Matthias kozen om Judas' plaats als twaalfde apostel in te nemen. Ten eerste wordt er gezegd dat dit geen zaak was van de discipelen om een twaalfde apostel te kiezen. Daarna wordt er gezegd dat zij eerst willekeurig twee kandidaten kozen en daarna de Heere vroegen wie van deze twee de lege plaats moest innemen. Zij die deze bezwaren maken beweren dat Paulus, niet Matthias, Gods keuze was voor Judas' plaats.

Deze bezwaren zijn niet gebaseerd op het feit dat men het verslag in Handelingen zorgvuldig heeft gelezen, noch van een grondige kennis van wat de Schrift over dit onderwerp zegt. Laat ons het verslag onderzoeken:

1. Aan de apostelen, met Petrus als hun leider, was volmacht gegeven om officieel te handelen tijdens Christus' afwezigheid (Matt.16:19, 18:18.19).      

2. In de Psalmen was vermeld dat een ander zou worden aangesteld in de plaats van Judas (Ps.109:8, Hand.1:20).       

3. De twaalfde apostel moest worden gekozen voordat het koninkrijk kon worden aangeboden op Pinksteren (Matt.19:28). Let op hoe Petrus opstaat met de elven in Hand.2:14.      

4. Hun activiteit was letterlijk doordrenkt van gebed. Zij gingen eerst verder na vele dagen van verenigd gebed (Luk.24:49, Hand.1:12-15), en toen er twee kandidaten werden gevonden, baden zij opnieuw, en lieten de uiteindelijke keus aan God over (Hand.1:24-26).      

5. Waarschijnlijk waren er niet meer dan twee (Matthias en Jozef  genaamd Barsabas) verkiesbaar voor het ambt, want alleen diegenen kwamen in aanmerking die Christus waren gevolgd  gedurende  heel Zijn aardse bediening, "te beginnen bij de doop van Johannes, tot op de dag dat Hij werd opgenomen..." (Hand.1:21,22, Matt.19:28, Zie: "gij die Mij gevolgd zijt"). Er kunnen er zeker niet veel geweest zijn.

6. Om deze reden zou Paulus niet verkiesbaar kunnen zijn. Hij heeft Christus niet gezien, dan na Zijn opstanding.       

7. Paulus was destijds nog niet gered. Inderdaad nadat hij "de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte" (Gal.1:13).      

8. Het uiteindelijke en doorslaggevende bewijs dat de elven handelden naar de wil van God in deze zaak vinden wij in het feit dat de Schrift duidelijk verklaart dat Matthias "met gemene toestemming tot de elf apostelen werd gekozen" (Hand.1:26) en dat "ZIJ ALLEN WERDEN VERVULD MET DEN HEILIGEN GEEST" (Hand.2:4).

Zeer zeker zouden de discipelen als zij bij zo'n belangrijke zaak niet in de wil van God  waren geweest niet vervuld zijn geworden met de Heilige Geest. Noch zou Matthias met de Heilige Geest vervuld zijn als hij niet op God's manier was gekozen voor deze bijzondere positie. Een man buiten de wil van God wordt nooit vervuld met de Heilige Geest.

Dit laat zien dat Paulus' apostelschap apart en afgescheiden was van de twaalf. Paulus kan niet worden beschouwd als ייn van de twaalf, want zoals elf apostelen te weinig zouden zijn geweest voor Gods koninkrijksplannen, zo zouden dertien apostelen teveel zijn geweest. Er zullen twaalf tronen (naast die van Christus) zijn in het Koninkrijk, niet dertien. Paulus behoorde dus tot een ander programma en was uitgezonden om een andere boodschap te verkondigen.

Het is in dit verband van veel betekenis dat Paulus over de twaalf spreekt als een apart lichaam van apostelen wanneer hij zegt dat de opgestane Christus werd "gezien...van de twaalve" (1Cor.15:5). Deze geןnspireerde verwijzing naar twaalf apostelen tussen de opstanding en hemelvaart, is een verder bewijs dat Matthias door God werd beschouwd als ייn van de twaalf vanaf het begin.  Blijkbaar was hij bij de apostelen toen de opgestane Christus aan hen verscheen (Hand.1:21,23).      

Inderdaad Paulus spreekt er duidelijk over dat zijn apostelschap onderscheiden is van dat van de twaalf.  In zijn brief aan de Galaten zegt hij: "Maar ik maak u bekend, broeders, dat HET EVANGELIE HETWELK VAN MIJ VERKONDIGD IS, NIET IS NAAR DEN MENS. "WANT IK HEB OOK HETZELVE NIET VAN EEN MENS ONTVANGEN NOCH GELEERD, MAAR DOOR DE OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS" (Gal.1:11,12).

"EN BEN NIET WEDEROMGEGAAN NAAR JERUZALEM TOT DEGENEN DIE VףףR MIJ APOSTELEN WAREN; MAAR IK GING HEEN NAAR ARABIכ..." (Gal.1:17).

  "EN IK GING OP DOOR EEN OPENBARING, EN STELDE HUN HET EVANGELIE VOOR DAT IK PREDIK ONDER DE HEIDENEN" (Gal.2:2).

"EN ALS JAKOBUS EN CיFAS EN JOHANNES, DIE GEACHT WAREN PILAREN TE ZIJN, DE GENADE DIE MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ MIJ EN BARNABAS DE RECHTERHAND DER GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN EN ZIJ TOT DE BESNIJDENIS ZOUDEN GAAN" (Gal.2:9).

                                      VRAGEN

1.Wat is de fundamentele reden van de leerstellige verwarring die heerst in de kerken?

2.Hoe zien de meeste gelovigen Paulus met betrekking tot de twaalf?

3.Welk belangrijk punt hebben zij in dit verband over het hoofd gezien?

4.Welke plechtige overeenkomst sloten de leiders van de twaalf met Paulus voor wat betreft zijn dienst onder de heidenen?

5.Waarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen Paulus' bediening en die van de twaalf?

6.Verklaar waarom er twaalf apostelen van het koninkrijk waren en maar ייn apostel van de  genade van God.

7.Geef een voorbeeld om te bewijzen dat andere "apostelen", die met Paulus samenwerkten slechts secundaire apostelen  waren en niet van hetzelfde niveau als hem . 

8.Verklaar hoe Paulus een bijzonder goed voorbeeld was van het lichaam van Christus.

9.In welk land alleen dienden de twaalf voor zover het Handelingen betreft?

10.  Welke relatie hadden waterdoop en wondertekenen met betrekking tot redding onder de "grote opdracht"?

11.  Welke relatie, zo er  ייn is, hebben waterdoop en wondertekenen met het evangelie van Gods genade?

12. Gedurende welke periode van zijn bediening doopte Paulus en deed hij wonderen?

13.  Tot welk programma behoorden deze dingen?

14.  Werd Paulus gezonden om te dopen?

15.  Wat gebeurde er met de wonderlijke krachten van Paulus?

16.  Wat deed Paulus met betrekking tot de koninkrijksboodschap die de twaalf verkondigden?

17.  Welk bezwaar wordt er soms gemaakt tegen de elven over de aanwijzing van Matthias als de twaalfde apostel?

18.  Geef vijf redenen waarom Matthias, en niet Paulus, Gods keuze was voor het apostelschap, in Judas'plaats ?

19.  Welk effect had de roeping van Paulus op het programma van het koninkrijk?

20.  Geef drie Schriftplaatsen die de aparte bediening van Paulus benadrukken.


    [1]*/Voetnoot: Waar zij, na Hand.28 heengegaan zijn, houdt ons hier niet bezig. Want in die tijd was het koninkrijk-programma geheel terzijde gesteld. Het is een feit, dat zij gedurende de Handelingen-periode instemden met Paulus, om hun bediening te beperken tot Israel. Vףףr deze afspraak woonde de enige heidense familie waarheen Petrus gezonden werd te Cesarea in Palestina (Hand.10:24). Petrus ging ook naar Antiochiכ in Syriכ, maar in plaats van daar enige bediening te hebben, werd hij door Paulus berispt (Gal.2:11-14).

     [2]*/Voetnoot: Er worden ook andere "apostelen" genoemd in verband met Paulus, maar steeds secundair. In Hand.14:14, b.v., wordt Barnabas, de reisgezel van Paulus, genoemd als apostel samen met Paulus. Maar volgens Gal.2 is het Paulus, die "door openbaring" opging naar Jeruzalem, en daar met de leiders dat evangelie besprak, dat hij onder de heidenen predikte. Toen "zij zagen", dat het evangelie van de onbesnedenen aan Paulus was overgegeven, en de genade "erkenden" die hem gegeven was, gaven zij Paulus en Barnabas de rechterhand der gemeenschap (Gal.2:2-9). Er bestaat geen grond voor de stelling, dat "er acht apostelen voor het Lichaam van Christus waren, zoals er twaalf waren voor Israel". Paulus snoeft niet als hij "in de Geest" zegt: "Ik ben de apostel voor de heidenen, ik maak mijn bediening heerlijk" (Rom.11:13).

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011