H
O O F D S T U K VI
DE
BEDIENINGEN VAN DE TWAALF EN PAULUS
MET ELKAAR VERGELEKEN
De
fundamentele reden van de leerstellige verwarring die heerst in de kerken komt
doordat men de aparte boodschap en bediening van Paulus niet onderscheidt van
die van de twaalf. De meerderheid van de oprechte gelovigen schijnt zichzelf
niet af te vragen: Waarom Paulus? Het opvallende feit is niet tot hen doorgedrongen dat
nadat onze Heere, in Zijn
zogenaamde grote opdracht de andere
apostelen "de gehele wereld" ingezonden
had om "het Evangelie" aan "alle
creaturen" te prediken (Mark.16:15) en "al de volken" (Matt.28:19)
te onderwijzen, - daarna een andere
apostel riep, en dat de leiders van de twaalf een plechtige overeenkomst
onder leiding van de Heilige Geest hebben gemaakt met deze andere apostel dat hij naar de heidenen zou gaan, terwijl
zij hun bediening tot Israel zouden beperken (Gal.2:7-9). Aldus kon Paulus
enige jaren na "de grote opdracht" aan de elven ( weer twaalf in
Hand.1:15-26), verklaren: "WANT
IK SPREEK TOT U, HEIDENEN: VOOR ZOVER IK DER
HEIDENEN APOSTEL BEN, IK MAAK MIJN BEDIENING HEERLIJK" (Rom.11:13).
Paulus
zelf benadrukt steeds zijn aparte apostelschap en boodschap. Driemaal spreekt
hij van "mijn evangelie" (Rom.2:16; 16:25, 2Tim.2:8) en
herhaaldelijk gebruikt hij soortgelijke uitdrukkingen zoals: "het
Evangelie dat ik u verkondigd
heb", "het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is" en "het Evangelie, dat ik
predik onder de heidenen" (1Cor.15:1, Gal.1:11, 2:2). Steeds opnieuw
maakt hij duidelijk dat hij zijn boodschap van
de Here ontvangen heeft (1Cor.11:23,15:1, 1Thess.4:15) door
rechtstreekse openbaring (Gal.1:12, Eph.3:1-3).
Hij vervloekt zelfs een ieder die aan de heidenen een evangelie verkondigt
buiten hetgeen hij verkondigd
heeft. Daarom horen wij hem telkens (in verschillende bewoordingen) zeggen: "Volg
mij" (1Cor.4:16, 11:1, Phil.3:17, 1Thess.1:6, 2Thess.1:6,
2Thess.3:9).
Dit
betekent, zoals in het voorgaande hoofdstuk is aangegeven, dat het profetische
programma, waarvan de "grote opdracht" een onderdeel was, werd
onderbroken door de bedeling van de genade van God door Paulus. Vandaar dat
het belangrijk is om Paulus' boodschap en bediening te onderscheiden van die
van de twaalf.
DE
TWAALF APOSTELEN
Als
wij de bediening van de twaalf en die van Paulus in dit hoofdstuk met elkaar
vergelijken zullen we onze verklaringen met betrekking tot de apostelen zo
nummeren dat zij kunnen worden vergeleken met die aangaande Paulus.
1.
De twaalf werden door Christus op
aarde gekozen (Luk.6:13).
2.
Ten
tijde dat Paulus werd geroepen kenden de twaalf Christus
alleen op aarde. Zij hadden
Hem zelfs de hemel niet zien binnengaan bij Zijn hemelvaart, want "een
wolk nam Hem weg van hun ogen" (Hand.1:9).
3.
Zij vertegenwoordigden het volk Israel - ייn voor elke stam. Dit is duidelijk vanuit de
belofte van onze Heere aan hen:"Voorwaar
Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte wanneer de Zoon
des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, DAT GIJ OOK ZULT
ZITTEN OP TWAALF TRONEN, OORDELENDE DE TWAALF GESLACHTEN
ISRAELS" (Matt.19:28; Luk.22:29,30).
De
oprechte en nadenkende Bijbelstudent zou zorgvuldig acht moeten slaan op het feit dat er geen enkel verband bestaat
tussen het getal twaalf en lichaam van Christus, maar dat het aantal steeds in
verband staat met Israel. "Jakob gewon de twaalf
patriarchen" (Hand.7:8). Daaruit kwamen de twaalf stammen van Israel voort. Deze stammen hadden twaalf
oversten boven zich (Num.1:16). Zelfs toen Israel door koningen werd
geregeerd waren er nog steeds de oversten om over elk van de twaalf stammen te
regeren (1Kron.27:22).
Dit
alles werd natuurlijk door de ballingschappen ontbonden. Maar nu was de lang
beloofde Koning in hun midden - Hij die "aan Israel het koninkrijk zou
herstellen". En toen Hij "het evangelie van het koninkrijk"
begon te verkondigen (Matt.9:35), koos Hij Zijn twaalf oversten voor de twaalf
tronen over Israels twaalf stammen (Matt.19:28).
4.
Deze twaalf werden eerst uitgezonden om te prediken dat het koninkrijk
der hemelen nabij gekomen was (Matt.10:7, Dan.2:44) en later boden
zij het Israel aan met de
bedoeling dat zij de boodschap aan de hele wereld zouden brengen.
(Hand.1:6-8, 3:19-26).
5.
Hen werd kracht gegeven om wonderen te doen (Matt.10:8, Mark.16:17,18).
6.
Hun bediening was gebaseerd op de verbonden en de profetie (Jes.60:1-3,
Luk.1:70-75, Hand.3:22-26).
7.
Daarom werden zij eerst tot de Joden gezonden en zou de redding van de
volkeren komen door een wedergeboren Israel
(Matt.10:5,6, Luk.24:47, Hand.3:25,26).
8.
Zij predikten alleen in Israel (Hand.10:39, 21:17-20).*/[1]
9.
In hun boodschap en bediening verwachtten zij Israels acceptatie van Christus als hun Koning en Zijn wederkomst om te regeren. Daar werkten, hoopten en baden zij voor
(Hand.1:11, 3:19-21).
10.
In "de grote opdracht" aan de twaalf werd waterdoop vereist
tot redding en waren wondertekenen daar de bewijzen van (Mark.16:15-18,
Hand.2:38).
DE
APOSTEL PAULUS
De
lezer zou nu de tijd moeten nemen om de genummerde gedeelten van de voorgaande
bladzijden te vergelijken met de bediening van Paulus.
1.
In tegenstelling tot de twaalf werd Paulus
door Christus vanuit de hemel
gekozen (Hand.9:3-5, 26:16).
2
Hij kende Christus alleen in de
hemel; op aarde heeft hij Hem nooit
gezien (Hand.9:3-5, 26:16).
3.
Paulus, als ייn apostel,
vertegenwoordigt het lichaam van Christus.*/[2]
Hier
dient de oplettende Bijbelstudent weer op te merken dat terwijl het getal twaalf
nooit wordt geassocieerd met het lichaam van Christus, het getal ייn
er onlosmakelijk mee verbonden is: "Alzo
zijn wij velen ייn lichaam in Christus" (Rom.12:5), "Want
ook wij allen zijn door ייn Geest tot ייn lichaam gedoopt" (1Cor.12:13),
"ייn lichaam is het" (Ef..4:4) enz.
Bovendien
bestaat het lichaam uit vijanden,
verzoend met God door de dood van Zijn Zoon (Kol.1:21,22). Wat een
volmaakt voorbeeld was Paulus hiervan! Verder was Paulus zowel een Hebreeכr
als een Romein. Hij was een geboren
Hebreeכr (Phil.3:5) en wel door en
door (Fil.3:5,6). Maar hij was ook een Romein, een geboren Romein, door en
door Romeins. Toen de hoofdmannen te Filippi bericht zonden dat Paulus en
Silas konden worden vrijgelaten, weigerde Paulus om te gaan, en zei:"ZIJ HEBBEN ONS, DIE ROMEINEN
ZIJN, ONVEROORDEELD IN HET OPENBAAR GEGESELD EN IN DE GEVANGENIS GEWORPEN, EN
WERPEN ZIJ ONS NU HEIMELIJK DAARUIT? NIET ALZO, MAAR DAT ZIJ ZELVEN KOMEN EN
ONS UITLEIDEN" (Hand.16:37).
Zij
verlangden hier een verontschuldiging van de Romeinse hoofdmannen en, let wel,
de hoofdmannen "kwamen en baden hen, en leidden hen uit" (vers 39).
Later
in Jeruzalem, terwijl de soldaten Paulus bonden om hem met geselen te onderzoeken,
zei Paulus tot de hoofdman die erbij stond: "Is het ulieden geoorloofd een Romeins mens, en dien onveroordeeld,
te geselen?" (Hand.22:25).
Toen
deze vraag werd doorgegeven aan Lysius, de overste die de geseling had
bevolen, werd hij plotseling vriendelijk tegen Paulus, en verklaarde dat het
hem veel gekost had om het Romeins burgerschap te verkrijgen."En de overste antwoordde: Ik
heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. EN PAULUS ZEIDE: MAAR
IK BEN OOK EEN BURGER GEBOREN" (Hand.22:28).
Terstond
vertrokken toen zijn zogenaamde "onderzoekers". Zij wensten niet in
moeilijkheden te geraken met de Romeinse overheid door hun fout. De overste
werd ook bevreesd...omdat hij hem gebonden had" (vers 29). Paulus was
geboren in Tarsus, "geen kleine stad" in de ogen van de Romeinse
overheid (Hand.21:39). In feite was zijn status als Romein zo hoog dat hij het
recht had om een persoonlijk beroep op Ceasar te doen voor een gerechtelijk
onderzoek. Dit werd bevestigd door Festus en de Romeinse raad te Caesarea
nadat deze zaak ter sprake was gekomen (Hand.25:10-12).
Waarom
benadrukt de Heilige Geest zowel zijn Hebreeuwse als zijn Romeinse
burgerschap? Eenvoudig omdat hij,
een verzoende Hebreeכr en Romein in ייn persoon, het lichaam van Christus
vertegenwoordigt, de Gemeente van deze bedeling, die is samengesteld uit Joden
en heidenen verzoend met God in ייn
lichaam, door het kruis (Ef.2:16).
4.
Paulus werd gezonden om "het evangelie van Gods genade" te
verkondigen (Hand.20:24, Ef.3:1-3). Terwijl hij het feit bevestigde dat Jezus Israels Messias was, verkondigde hij nooit dat
het koninkrijk nabij was of boodt het Israel ter acceptatie aan. Evenmin
hadden de twaalf tot die tijd ooit het evangelie van Gods genade verkondigd.
5.
Terwijl Paulus in het begin "de tekenen van een apostel"
bezat, werd zijn macht om wonderen te doen teruggenomen in verband met zijn
door God gegeven boodschap (Rom.8:22,23, 1Cor.13:8-13, 2Cor.4:16, 5:1-4,
12:7-10, Phil.2:26,27, 1Tim.5:23, 2Tim.4:20).
6.
Paulus' boodschap was niet gebaseerd op verbondsbeloften of profetiכn maar
uitsluitend op de genade van God (Rom.3:21-28, Ef.1:7,2:7). Het was een
geheim, tot die tijd verborgen gehouden (Rom.16:25,Eph.3:1-3) en geleidelijk geopenbaard aan en door hem (Hand.26:16, 22:17,18, 2Cor.
12:1-7).
7.
In zijn boodschap stonden Joden en heidenen op gelijke voet voor God (Rom.3:22,23,
10:12,13).
8.
Paulus' voornaamste bediening was onder de heidenen (Rom 11:13, Ef.3:1,2).
Toen hij in Jeruzalem wilde gaan prediken, verbood de Heere hem om te blijven,
zeggende: "Ga heen, want Ik zal u
ver tot de heidenen afzenden (Hand.22:21).
9.
Met de roeping van Paulus werd Israel besloten
in ongeloof. De Heere Zelf zei tot Paulus: "ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN" (Hand.22:18).
Vandaar
dat Paulus' boodschap, in tegenstelling tot die van de twaalf, gebaseerd was
op Israels afwijzing van Christus,
en verklaarde Zijn voortdurende
afwezigheid (Ef.1:18-2:6, Fil.2:9, Kol.3:1-3, Hebr.2:8,9).
10.
Noch waterdoop noch wondertekenen hoorden bij Paulus' speciale
opdracht, noch hadden deze onder zijn bediening
iets te doen met redding. Het is waar dat Paulus in
't eerst sommigen heeft gedoopt; dat hij tenminste ייn iemand besneden
heeft; dat hij "de tekenen van een apostel" had, maar dit hoorde bij
de bedeling waaronder hij was gered en die geleidelijk aan het verdwijnen was.
Bovendien verklaart hij duidelijk dat hij niet
de besnijdenis predikte (Gal.5:11), niet
was gezonden om te dopen (1Cor.1:17) en
dat de wonderlijke krachten die hij zelf bezat tenietgedaan zouden worden (1Cor.13:8-10).
PAULUS
NIET ֹֹN VAN DE TWAALF
Soms
worden de discipelen ervan beschuldigd dat zij in het vlees handelden toen zij
Matthias kozen om Judas' plaats als twaalfde apostel in te nemen. Ten eerste
wordt er gezegd dat dit geen zaak was van de discipelen om een twaalfde
apostel te kiezen. Daarna wordt er gezegd dat zij eerst
willekeurig twee kandidaten kozen en daarna
de Heere vroegen wie van deze twee de lege plaats moest innemen. Zij die
deze bezwaren maken beweren dat Paulus, niet Matthias, Gods keuze was voor
Judas' plaats.
Deze
bezwaren zijn niet gebaseerd op het feit dat men het verslag in Handelingen
zorgvuldig heeft gelezen, noch van een grondige kennis van wat de Schrift over
dit onderwerp zegt. Laat ons het verslag onderzoeken:
1.
Aan de apostelen, met Petrus als hun leider, was volmacht gegeven om
officieel te handelen tijdens Christus' afwezigheid (Matt.16:19, 18:18.19).
2.
In de Psalmen was vermeld dat een ander zou worden aangesteld in de
plaats van Judas (Ps.109:8, Hand.1:20).
3.
De twaalfde apostel moest worden gekozen voordat het koninkrijk kon
worden aangeboden op Pinksteren (Matt.19:28). Let op hoe Petrus opstaat met de
elven in Hand.2:14.
4.
Hun activiteit was letterlijk doordrenkt van gebed. Zij gingen eerst
verder na vele dagen van verenigd gebed
(Luk.24:49, Hand.1:12-15), en toen er twee kandidaten werden gevonden,
baden zij opnieuw, en lieten de
uiteindelijke keus aan God over (Hand.1:24-26).
5.
Waarschijnlijk waren er niet meer dan twee (Matthias en Jozef
genaamd Barsabas) verkiesbaar voor het ambt, want alleen diegenen
kwamen in aanmerking die Christus waren gevolgd
gedurende
heel Zijn aardse bediening, "te beginnen bij de doop van Johannes,
tot op de dag dat Hij werd opgenomen..." (Hand.1:21,22, Matt.19:28,
Zie: "gij die Mij gevolgd zijt"). Er kunnen er zeker niet veel
geweest zijn.
6.
Om deze reden zou Paulus niet verkiesbaar kunnen zijn. Hij heeft
Christus niet gezien, dan na Zijn opstanding.
7.
Paulus was destijds nog niet gered. Inderdaad nadat
hij "de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte" (Gal.1:13).
8.
Het uiteindelijke en doorslaggevende bewijs dat de elven handelden naar
de wil van God in deze zaak vinden wij in het feit dat de Schrift duidelijk
verklaart dat Matthias "met gemene
toestemming tot de elf apostelen werd gekozen" (Hand.1:26) en dat "ZIJ
ALLEN WERDEN VERVULD MET DEN HEILIGEN GEEST" (Hand.2:4).
Zeer
zeker zouden de discipelen als zij bij zo'n belangrijke zaak niet in de wil
van God waren geweest niet
vervuld zijn geworden met de Heilige Geest. Noch zou Matthias met de Heilige
Geest vervuld zijn als hij niet op God's manier was gekozen voor deze
bijzondere positie. Een man buiten de wil van God wordt nooit vervuld met de
Heilige Geest.
Dit
laat zien dat Paulus' apostelschap apart en afgescheiden was van de twaalf.
Paulus kan niet worden beschouwd als ייn van de twaalf, want zoals elf
apostelen te weinig zouden zijn geweest voor Gods koninkrijksplannen, zo
zouden dertien apostelen teveel zijn geweest. Er zullen twaalf tronen (naast
die van Christus) zijn in het Koninkrijk, niet dertien. Paulus behoorde dus
tot een ander programma en was
uitgezonden om een andere boodschap te
verkondigen.
Het
is in dit verband van veel betekenis dat Paulus over de twaalf spreekt als een
apart lichaam van apostelen wanneer hij zegt dat de opgestane Christus werd "gezien...van
de twaalve" (1Cor.15:5). Deze geןnspireerde verwijzing naar twaalf
apostelen tussen de opstanding en hemelvaart, is een verder bewijs dat
Matthias door God werd beschouwd als ייn van de twaalf vanaf het begin.
Blijkbaar was hij bij de apostelen toen de opgestane Christus aan hen
verscheen (Hand.1:21,23).
Inderdaad
Paulus spreekt er duidelijk over dat zijn apostelschap onderscheiden is van
dat van de twaalf. In zijn brief aan de Galaten zegt hij: "Maar
ik maak u bekend, broeders, dat HET EVANGELIE HETWELK VAN MIJ VERKONDIGD IS,
NIET IS NAAR DEN MENS. "WANT IK HEB OOK HETZELVE NIET VAN EEN MENS
ONTVANGEN NOCH GELEERD, MAAR DOOR DE OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS"
(Gal.1:11,12).
"EN
BEN NIET WEDEROMGEGAAN NAAR JERUZALEM TOT DEGENEN DIE VףףR MIJ APOSTELEN
WAREN; MAAR IK GING HEEN NAAR ARABIכ..." (Gal.1:17).
"EN IK GING OP DOOR EEN OPENBARING, EN STELDE HUN HET EVANGELIE VOOR DAT
IK PREDIK ONDER DE HEIDENEN" (Gal.2:2).
"EN
ALS JAKOBUS EN CיFAS EN JOHANNES, DIE GEACHT WAREN PILAREN TE ZIJN, DE GENADE
DIE MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ MIJ EN BARNABAS DE RECHTERHAND DER
GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN EN ZIJ TOT DE BESNIJDENIS ZOUDEN
GAAN" (Gal.2:9).
VRAGEN
1.Wat
is de fundamentele reden van de leerstellige verwarring die heerst in de
kerken?
2.Hoe
zien de meeste gelovigen Paulus met betrekking tot de twaalf?
3.Welk
belangrijk punt hebben zij in dit verband over het hoofd gezien?
4.Welke
plechtige overeenkomst sloten de leiders van de twaalf met Paulus voor wat
betreft zijn dienst onder de heidenen?
5.Waarom
is het belangrijk onderscheid te maken tussen Paulus' bediening en die van de
twaalf?
6.Verklaar
waarom er twaalf apostelen van het koninkrijk waren en maar ייn apostel van
de genade van God.
7.Geef
een voorbeeld om te bewijzen dat andere "apostelen", die met Paulus
samenwerkten slechts secundaire apostelen waren
en niet van hetzelfde niveau als hem .
8.Verklaar
hoe Paulus een bijzonder goed voorbeeld was van het lichaam van Christus.
9.In
welk land alleen dienden de twaalf voor zover het Handelingen betreft?
10.
Welke relatie hadden waterdoop en wondertekenen met betrekking tot
redding onder de "grote opdracht"?
11.
Welke relatie, zo er ייn is, hebben waterdoop en wondertekenen met het evangelie
van Gods genade?
12.
Gedurende welke periode van zijn bediening doopte Paulus en deed hij
wonderen?
13.
Tot welk programma
behoorden deze dingen?
14.
Werd Paulus gezonden om te dopen?
15.
Wat gebeurde er met de wonderlijke krachten van Paulus?
16.
Wat deed Paulus met betrekking tot de koninkrijksboodschap die de
twaalf verkondigden?
17.
Welk bezwaar wordt er soms gemaakt tegen de elven over de aanwijzing
van Matthias als de twaalfde apostel?
18.
Geef vijf redenen waarom Matthias, en niet Paulus, Gods keuze was voor
het apostelschap, in Judas'plaats ?
19.
Welk effect had de roeping van Paulus op het programma van het
koninkrijk?
20.
Geef drie Schriftplaatsen die de aparte bediening van Paulus
benadrukken.