|
H O O F
D S T U K V
DE LAATSTE DAGEN
HET DOEL VAN PROFETIE
In het Oude Testament wordt veel gesproken over de
"laatste" dagen. Deze term wordt gebruikt in verband met de komst
van de Messias en de vestiging van Zijn koninkrijk (Gen.49:1, Num.24:14,
Deut.4:30, Jes.2:2, Dan.2:28, 10:14, Hos.3:5, Mic.4:1). Soortgelijke gezegden
gebruikt met betrekking tot dezelfde gebeurtenissen zijn:
"De navolgende dagen", "het laatste der dagen".
De komst van de Messias en de vestiging van Zijn
koninkrijk in de laatste dagen is het doel der profetie. In de Nieuw
Testamentische Geschriften wordt de komst van de Messias en het koninkrijk
gezien als het hoogtepunt van het profetische programma (Mark.1:15, Luk.1:68-75,
Hand.3:21-24, 1Petr.1:11).
PETRUS EN DE LAATSTE DAGEN
Toen Petrus negentienhonderd jaar geleden opstond en
verklaarde dat de laatste dagen waren gekomen
(Hand.2:16,17) liet hij zien dat hij totaal onwetend was van Gods plan om
een bedeling van genade in te voegen vףףr de wederkomst van Christus. Wij
moeten echter niet veronderstellen dat deze onwetendheid te wijten was aan enig
menselijk falen van Petrus zelf, want op de Pinksterdag werden alle volgelingen
van Christus "vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4).
Bovendien was wat hij zei Schriftuurlijk correct. In het licht van alles wat tot dusver was
geopenbaard, waren dit de laatste
dagen. De profeten hadden niets gezegd over de bedeling van genade of van het
lichaam van Christus. Er was geen enkele aanwijzing geweest dat het profetisch
programma onderbroken zou worden.
In Joכls profetie over de laatste dagen, wordt Pinksteren
gevolgd door de grote verdrukking en de wederkomst van Christus. Inderdaad
hadden de profeten "tevoren getuigd" van "het lijden van
Christus, en de heerlijkheid daarna volgende" (1Petr.1:11). Nu de
lijdenstijd voorbij was, leek het alsof de heerlijkheid spoedig zou volgen, want
niemand kon ontkennen dat de tekenen van "de dag des Heeren" begonnen
te verschijnen.*/[1]
Dus Petrus was niet
onbekend met het geopenbaarde programma van God met betrekking tot de dagen
waarin hij leefde. Onderwezen door de Heere (Hand.1:3) en vervuld met de Heilige
Geest (Hand.2:4), had hij een duidelijk begrip waar hij zich bevond in God's
plan. Vandaar de dynamische kracht van zijn boodschap.
De apostelen hadden verwacht dat de Heilige Geest zou
worden "uitgestort" vףףr de grote verdrukking en de wederkomst van
Christus, en onze Heere had hen beloofd toen Hij hen uitzond dat zij boven
natuurlijke kracht zouden ontvangen en in andere tongen zouden spreken
(Mark.16:17). Toen de Geest kwam en zij in andere talen begonnen te spreken wist
Petrus precies wat er gebeurde en verwijzende naar Joכl's profetie zei hij
zonder nadere uitleg:
"DIT IS
HET".
"Want dezen zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt..., maar DIT IS HET, wat
gesproken is door den profeet Joכl: En het zal zijn in DE LAATSTE DAGEN, (zegt
God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest...en...zal wonderen geven...en tekenen...
eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt" (Hand.2:15-20).
Dit alles is duidelijk als we er alleen wel aan denken om
niet op de openbaringen vooruit te lopen; als we ons herinneren dat Gods plan
met betrekking tot deze tegenwoordige
bedeling toen nog een "geheimenis"
was. Voorzover het Gods geopenbaarde plan
betrof, waren de laatste dagen - de
dagen zo lang reeds waren voorspeld - begonnen. Israels lang beloofde Messias
was verschenen, was gestorven en weer opgestaan, was opgevaren naar de
rechterhand van de Vader, en had de Heilige Geest gezonden tot leiding en
bekrachtiging van de Zijnen. Het volgende punt van het profetisch programma was
de tijd van grote verdrukking met het gericht over de volkeren en de terugkeer
van de Messias, en de tekenen van deze dingen begonnen reeds te verschijnen.
HET PROFETISCH PROGRAMMA
ONDERBROKEN
Het
is echter belangrijk om op te merken dat niet alle
tekenen van "de dag des Heren" verschenen op Pinksteren. Er waren
"tekenen op de aarde beneden", maar geen "wonderen in de hemel
boven". Er was de uitstorting van de Heilige Geest, de tongen en gezichten
en profetiכn, maar geen "bloed, en vuur, en rookdamp", noch was reeds
"de zon veranderd in duisternis en de maan in bloed" (Zie
Hand.2:17-20). Overigens waren de tekenen die verschenen spoedig weer verdwenen
(1Cor.13:8) toen het profetisch programma plaats ging maken voor de openbaring
van "het geheimenis", Gods verborgen
eeuwige plan.
Vlak
voor de hemel vaart van onze Heere hadden de apostelen gevraagd: "Heere, zult gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk
wederoprichten?" (Hand.1:6). Onze Heere wist natuurlijk dat Israel het
aanbod van het koninkrijk zou verwerpen, maar dat kon Hij
de elven niet vertellen, want dan zouden zij niet veel overtuiging in hun
oproep aan Israel hebben kunnen leggen, en Israel op haar beurt, zou een excuus
gehad hebben voor het verder afwijzen van Christus. Daarom weigerde onze Heere
hun vraag te beantwoorden en zei:
"het komt u niet toe, te weten de tijden of
gelegenheden die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, "Maar gij zult
ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u
komen zal; en GIJ ZULT MIJN GETUIGEN ZIJN, ZO TE JERUZALEM ALS IN GEHEEL
JUDEA EN SAMARIA EN TOT AAN HET UITERSTE DER AARDE" (Hand.1:7,8).
Het huis van Israel ontving een bona fide aanbod voor de terugkeer van Christus en de oprichting van
Zijn koninkrijk toen Petrus uitriep:
"Betert
u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden
der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, "En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus,
Die u tevoren gepredikt is" (Hand.3:19,20).
Dit was uiteraard een oproep aan de natie.
Het betekende niet, dat als die
toehoorders zich hadden bekeerd, Christus onmiddellijk zou zijn teruggekeerd om Zijn koninkrijk te vestigen,
want wij weten dat er eerst nog verschillende profetische gebeurtenissen vervuld
moesten worden.
Maar de vraag zou kunnen worden gesteld: Wanneer het
profetische programma doorgang gevonden had en een bekeerd Israel zou tenslotte
aan de voeten van Christus zijn gebracht, hoe had God dan de bedeling van genade
in kunnen voegen? Het antwoord is vrij simpel. Hij wist dat zij zich niet zouden
bekeren en dat dit een faktor was in Zijn plannen om de bedeling van genade in
te kunnen voeren.
Het feit dat op dat moment voor het volk Israel van belang
was, was dat hen een bona fide aanbod
was gedaan dat als zij zich zouden bekeren het koninkrijk zou worden gevestigd
en Christus zou teruggekomen zijn om op de troon van David te zitten. God hield
Israel verantwoordelijk voor haar aanname of afwijzing van Christus en Zijn
koninkrijk. Zoals we weten bekeerde het opstandige volk zich niet, maar
verenigde zich met de heidenen in hun rebellie tegen God en het was terecht
geweest als de vervulling van Joכl's
profetie doorgegaan was en Gods toorn over hen was uitgegoten. Inderdaad werden
degenen die zich wel bekeerden vervuld met de Heilige Geest, ter voorbereiding
voor het oordeel waar zij doorheen zouden moeten gaan als gevolg van Israels
rebellie.
Zo was de wereld dus meer dan negentienhonderd jaar
geleden rijp voor het oordeel en als het profetisch programma niet genadig zou
zijn onderbroken, zou het oordeel toen gekomen zijn.
"EN WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS , DAAR IS DE
GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG GEWEEST" (Rom.5:20).
Het was aan Paulus, die andere apostel, dat God voor het eerst bekend maakte "de
verborgenheid van Zijn wil" (Eph.1:9), " naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in
Christus Jezus vףףr de tijden der eeuwen"
(2 Tim.1:9).
In Efeze 3:1-3 zegt de apostel: "Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van
Christus Jezus voor u, die heidenen zijt."Indien gij maar gehoord hebt van
de BEDELING DER GENADE GODS, die mij gegeven is aan u: "Dat Hij mij DOOR
OPENBARING HEEFT BEKEND GEMAAKT DEZE VERBORGENHEID..."
Paulus zou, net als de twaalven, zijn bediening vanuit
Jeruzalem zijn begonnen, maar onze Heere openbaarde aan hem wat Hij niet aan de
elven kon vertellen voor Zijn hemel vaart. In Hand.22:17,18, hebben wij Paulus'
eigen verslag van deze gebeurtenis:
"En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem
wedergekeerd was en in den tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was,
"En dat ik Hem (Christus) zag, en Hij tot mij zeide: SPOED U, EN GA
INDERHAAST UIT JERUZALEM, WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET
AANNEMEN"
In die tijd begon Paulus over dit punt met de Heere te
argumenteren, in de veronderstelling dat zijn reputatie als vroegere vervolger
van Christus de Joden ertoe zou bewegen om naar hem te luisteren en ongetwijfeld
voelde hij ook dat hij hen een verklaring schuldig was van zijn gedrag. Maar de Heere antwoordde eenvoudig:
"GA HEEN, WANT IK ZAL U VER TOT DE HEIDENEN
AFZENDEN" (Vers 21).
Deze hele passage in Handelingen is van groot belang.
Waarom stond onze Heere erop dat de twaalven hun bediening vanuit Jeruzalem
zouden beginnen, en liet Hij Paulus niet toe om daar te beginnen? Omdat de
bediening van Paulus was: het tot stand brengen van een onderbreking van de opdracht en het programma van de twaalven. De
Heere zei eigenlijk tot Paulus: "Zij luisterden niet naar de twaalven,
evenmin zullen zij naar jou luisteren, dus verlaat Jeruzalem en ga naar de
heidenen." Aldus besloot God Israel in ongeloof, samen met de heidenen. Het
is tekenend dat we, na de roeping van Paulus geen verder aanbod van het
koninkrijk aan Israel meer vinden.*/[2] God had dit echter gedaan, "opdat Hij hun allen
barmhartig zou zijn" (Rom.11:32)."O
DIEPTE DES RIJKDOMS, BEIDE DER WIJSHEID EN DER KENNIS GODS! HOE ONDOORZOEKLIJK
ZIJN ZIJN OORDELEN, EN ONNASPEURLIJK ZIJN WEGEN"! (Rom.11:33)
En zo was een onderbreking van het profetisch programma
begonnen zodat God, door Paulus, aan alle mensen overal redding door genade kon
aanbieden, uitsluitend door de verdiensten van de gekruisigde en opgestane
Christus.
"En opdat Hij
die BEIDEN (Jood en heiden) met God in ייn lichaam zou verzoenen door het
kruis..." (Eph.2:16). Gedurende deze onderbreking of parenthesis,
terwijl de vestiging van Christus' koninkrijk "achter de hand" wordt
gehouden, vormt God het lichaam van
Christus uit Joden en heidenen verzoend met Hemzelf door het kruis (
1Cor.12:13, 2 Cor.5:14-21).
De Bijbelstudent dient zich altijd te herinneren dat de
vorming van dit "יne lichaam" niet het onderwerp is van profetie,
maar van het geheimenis voor het
eerst aan Paulus geopenbaard. Evenmin is het de vervulling van enige
verbondsbelofte. Het is het resultaat van pure
genade door het verlossende werk van Christus. Daarom is de onvervalste
prediking van "het evangelie van Gods genade" altijd het speciale
voorwerp van satans toorn geweest. In dit verband schrijft Paulus aan Timotheus:
"Schaam u dan niet voor de getuigenis onzes Heeren,
noch voor mij, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het evangelie
naar de kracht Gods,"DIE ONS HEEFT ZALIG GEMAAKT, EN GEROEPEN MET EEN
HEILIGE ROEPING; NIET NAAR ONZE WERKEN, MAAR NAAR ZIJN EIGEN VOORNEMEN EN
GENADE, DIE ONS GEGEVEN IS IN CHRISTUS JEZUS VOOR DE TIJDEN DER EEUWEN "
(2Tim.1:8,9).
PAULUS EN DE LAATSTE DAGEN
Net als Petrus, heeft ook Paulus veel te zeggen over
"de laatste dagen", maar omdat zijn boodschap hoofdzakelijk betrekking
heeft op deze tegenwoordige bedeling van het geheimenis en niet op het
profetische programma, heeft hij het in het algemeen over de laatste dagen van de
bedeling der genade, waarna het profetische programma weer hervat zal
worden.
Met alles wat aan Paulus werd geopenbaard over de bedeling
van genade, was er ייn ding waar hij nooit iets over geleerd heeft, namelijk, hoe
lang die zou duren. Dit blijft nog
steeds een geheim. Niemand weet hoe lang het zal duren. God heeft geen
bepaalde tijdslengte gesteld. Er bestaan geen "tijden en gelegenheden"
voor het lichaam van Christus, noch enige "tekenen der tijden". De
apostel noemt alleen een bepaalde loop der gebeurtenissen tot het einde, die in
feite hun begin hadden in zijn eigen dagen.
Paulus zelf had geen idee dat de dag van genade zo lang
zou duren, want schrijvend aan Timotheus zo'n negentienhonderd jaar geleden
instrueert hij hem (Timotheus) over
"de laatste dagen" hoe hij zich onder die omstandigheden moet gedragen
(1Tim.4:1-7, 2Tim.3:1-17). Paulus moet hebben verwacht dat de bedeling zeer
binnenkort zou eindigen, want hij schreef tot de ongelovigen van zijn
dagen (evengoed als van de onze):
"En wij als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de
genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben. "...Zie, nu is het de
welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid!" (2Cor.6:1,2).
En tot de gelovigen van zijn dagen (zowel als van de onze), schreef hij: Ziet dan hoe gij
voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, " DEN TIJD
UITKOPENDE, DEWIJL DE DAGEN BOOS ZIJN" (Eph.5:15,16).
Laten we, nu God Zijn oordeel over de wereld al ongeveer
negentienhonderd jaar heeft uitgesteld, oppassen voor aanmatiging, want ieder
moment van uitstel is een moment van pure genade, en elk moment kan deze bedeling van genade plotseling worden beכindigd.
We kunnen de verlorenen geen extra uur beloven waarin zij kunnen worden gered,
maar dienen met nog meer klem dan Paulus te roepen: "NU
is het tijd!" en we moeten elke gelegenheid uitkopen om degenen die
dreigen verloren te gaan, te redden, want de dagen zijn boos en de tijd
waarschijnlijk zeer kort.
PAULUS EN DE WEDERKOMST VAN DE HEERE
De bediening van Petrus in het begin van Handelingen had
de wederkomst van de Heere op aarde in
het vooruitzicht; Zijn wederkomst om te regeren over Israel en de volkeren.
Paulus had ook veel te zeggen over de wederkomst van de
Heere, maar er is weer een verschil. Aan Paulus was geopenbaard dat de bedeling
van genade zou eindigen met de komst van Christus om de leden van Zijn lichaam
op te nemen, vףףr de uitstorting
van Zijn toorn en Zijn wederkomst naar de
aarde om te regeren.
Dat
dit een deel is van het "geheimenis" met betrekking tot het Lichaam,
geopenbaard aan hem door de verheerlijkte Heere wordt duidelijk uit zijn eigen
woorden:
"WANT DAT ZEGGEN WIJ U DOOR HET WOORD DES
HEEREN, dat
wij die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vףףrkomen
degenen die ontslapen zijn. "Want
de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin
Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.
"Daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen
worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd
met de Heere wezen. "Zo dan, vertroost elkander met deze woorden"
(1Thess.4:15-18).
"ZIE, IK ZEG U EEN VERBORGENHEID:
Wij zullen wel niet
allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, "In een punt des
tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin, want de bazuin zal slaan, en de
doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd
worden" (1Cor.15:51,52).
Uit deze passages kunt u opmerken dat Paulus niet
verwachtte dat de bedeling van genade vele jaren zou duren, want hij zegt:
"WIJ zullen wel niet allen ontslapen" en "Daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen
opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht…"
Bovendien geeft
hij duidelijke instructies aan de gelovigen van zijn dagen om te blijven wachten
en uit te zien naar de komst van de Heere, om hen mee te nemen naar de
hemel (Phil.3:20, 1Thess.1:10, Tit.2:13).
De ruimte in dit boek laat ons niet toe om diepe studie
van dit wonderbare onderwerp te maken, maar wij moeten wel zeggen dat Gods
genade en lankmoedigheid om de huidige bedeling te verlengen en negentienhonderd
jaar uitstel van oordeel te geven aan de wereld, onze harten met verwondering en
dankbaarheid zouden moeten vervullen. En tegelijkertijd zou de "gezegende
hoop" op Zijn komst voor ons, ons voortdurend wakend en wachtend moeten
houden, want Hij zou kunnen komen
voordat de lezer dit boek heeft uitgelezen.
PETRUS EN HET GEHEIMENIS
Wij hebben gezien dat Petrus het niet bij het verkeerde
eind had toen hij op Pinksteren verklaarde dat de laatste dagen begonnen waren.
Zij waren inderdaad begonnen, maar God had een verborgen bedoeling om de wereld een periode van genade te schenken,
voordat de rebellie in de wereld gestopt zou zijn en Christus gezonden zou
worden om te regeren.
Maar de onderbreking van het koninkrijks-programma door de
bedeling van genade, werpt ook licht op enkele van Petrus' laatst geschreven
woorden. Als hij in zijn tweede brief schrijft over het uitstel van Christus'
komst naar de aarde en de aankondiging van de dag des Heeren, zegt hij:
"Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden,
DAT ֹֹN DAG BIJ DE HEERE IS ALS DUIZEND JAREN, EN DUIZEND JAREN ALS ֹֹN
DAG" (2 Petr.3:8).
Let wel, dit is nu niet onze verklaring van het uitstel van Christus' wederkomst. Deze
verklaring werd gegeven aan het begin
van deze tijd van wachten, bij het begin
van de eeuw der genade en laat duidelijk zien dat Petrus toen erkende dat er een
onderbreking in het programma had plaats gevonden. Maar laten we verdergaan met
zijn verklaring:
"De
Heere VERTRAAGT de belofte niet (gelijk enigen dat
traagheid achten), MAAR IS LANKMOEDIG over ons, niet willende dat enigen
verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen" (2Petr.3:9).
Wij moeten het uitstel dus niet zien als traagheid
of laksheid van de kant van de Heere, maar als lankmoedigheid.
Zie nu vers 15:
"En
acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor ZALIGHEID..." Waar had
Petrus dit vandaan? Hoe wist hij over de bedeling der genade? We gaan verder met
vers 15:
"GELIJKERWIJS OOK ONZE
GELIEFDE BROEDER PAULUS, NAAR DE WIJSHEID DIE HEM GEGEVEN IS, ULIEDEN GESCHREVEN
HEEFT".
Dit werd meer dan 30 jaren na Pinksteren geschreven en in
die tijd had Petrus van Paulus geleerd over de bedeling van genade.
Aldus werkten Petrus en Paulus niet met tegengestelde
bedoelingen of predikten geen tegenstrijdige boodschappen. God gaf alleen aan
Paulus een verdere openbaring van de waarheid.
Het was enige tijd nadat Paulus werd uitgezonden met
"het evangelie van Gods genade", dat hij naar Jeruzalem ging
"door openbaring" en sprak met Petrus en de anderen over "dat
evangelie dat hij predikte onder de heidenen" (Gal.2:2). Petrus en de rest
"zagen" en "erkenden" dat een nieuwe openbaring aan hem was
gegeven en, verre van oneens te zijn, gaven zij Paulus en Barnabas de
rechterhand der gemeenschap" (Gal.2:7-9).
Omdat dus de laatste dagen der profetie inderdaad begonnen
waren met Pinksteren, wijst Petrus in zijn laatste brief op een uitstel
van Christus' wederkomst om te richten en te regeren en erkent dit als
waarheid door Paulus geopenbaard (2 Petr.3:3-16).
Tenslotte leren zowel Petrus als Paulus dat het uitstel louter
genade is, zonder zekerheid te geven over hoelang de bedeling van Gods
lankmoedigheid zal duren (2Cor.5:20-6:2; 2Petr.3:8).
Welk een uitwerking zou dit alles moeten hebben op ons
gedrag en onze dienst voor Christus! Wij leven, zogezegd in de spannende dagen
tussen de oorlogsverklaring van de mens aan God en Gods tegenverklaring (Ps.2:1-5);
enkele dagen van genade, als het ware, waarin de ambassadeurs van Christus
worden gemachtigd om verzoening aan te bieden aan elk individu die Hem als
Redder, Heiland en Heere wil aanvaarden. Het volgende punt van het goddelijke programma is de roep waarmee
Hij Zijn ambassadeurs terug zal roepen en de oorlog zal verklaren aan hen die
Zijn genade hebben veracht.
VRAGEN
1.
Wat wordt in het algemeen in het Oude Testament bedoeld met de term
" de laatste dagen"?
2.
Had Petrushet bij het gpede of verkeerde eind toen hij op Pinksteren zei
dat "de laatste dagen" waren gekomen?
3.
Leg uit waarom?.
4.
Welke bekende profetie haalde Petrus aan in zijn Pinkstertoespraak?
5.
Zijn alle tekenen uit die profetie op Pinksteren verschenen?
6.
Wat was Petrus niet bekend, toen hij zei dat de laatste dagen gekomen
waren?
7.
Wat gebeurde er ter vervulling van de profetie van Joכl?
8.
Waarom vertelde de Here niet aan Zijn apostelen wanneer het koninkrijk
aan Isael zou worden hersteld?
9.
Wanneer zou de wereld, volgens Oud-Testamentische profetie, rijp zijn
voor het oordeel?
10.
Waar begonnen de twaalven hun bediening onder de "grote
opdracht"?
11.
Waarom?
12.
Waar hoopte Paulus zijn bediening voor Christus te beginnen?
13.
Waar zond de Here hem daarentegen heen, en waarom?
14.
Tussen welke twee grote profetische perioden kwam de bedeling der genade?
15.
Hoe wordt de gemeenschap van Gods volk in deze bedeling genoemd?
16.
Naar welke 'laatste dagen" verwijst Paulus in zijn brieven?
17.
Waarom zijn er geen specifieke tekenen van Christus' wederkomst voor de
gelovigen van deze bedeling?
18.
Geef twee Schriftplaatsen om te bewijzen dat Paulus niet verwachtte dat
de bedeling der genade 1900 jaren zou duren?
19.
Geef een Schriftplaats om aan te tonen hoe Paulus in dit verband: (a) de
verlorenen, en (b) de geredden aanspoort.
20.
Waar bevestigid Petrus in zijn brieven wat Paulus zegt over de bedeling
van genade?
|
DE APOSTEL PAULUS
|
|
VERTEGENWOORDIGER
VAN HET LICHAAM VAN CHRISTUS
EEN
Man-beide Herbreeכr en Romein verzoend Eph.2:16
BEROEPEN
DOOR CHRISTUS VANUIT DE HEMEL=Hand.9:3-5
KENDE
CHRISTUS ALLEEN
IN
DE HEMEL 1Cor.15:8
GEZONDEN
TOT ALLE MENSEN
OVERAL Rom.10:12;
11:32
GEZONDEN
OM GODS VERBORGEN BEDOELING TE VERKONDIGEN
Redding
van de heidenen door Israels VAL= Rom.11:7-33
|
|
DE
TWAALF APOSTELEN
|
|
VERTEGENWOORDIGERS
VAN HET VOLK ISRAEL
12
Stammen-12 mensen-
12
tronen=Matt.19:28
GEROEPEN
DOOR CHRISTUS OP AARDE=Luk.6:13 KENDEN
CHRISTUS ALLEEN OP AARDE=Hand.1:9 GEZONDEN
TOT ISRAEL
EN
DE VOLKEN= Matt.10:5,6;
Luk.24:47,48
GEZONDEN
OM GODS GEPROFETEERD PROGRAMMA TE VERKONDIGEN
Redding
van de heidenen door
Israels
AANNEMING= Hand.3:24-26
|
|