De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   IV

           DE OPENBARING VAN HET GEHEIMENIS

  ISRAELS VROEGERE GLORIE

 Het volk Israכl, met al haar tekortkomingen, was eens het enige lichtpuntje in een donkere wereld. God had beloofd dat door haar, als Abrahams vermenigvuldigde zaad, de andere volken zouden worden gezegend (Gen.22:17,18). Ruth, de Moabitische en anderen als zij, vonden bescherming onder de vleugelen van God door naar Israel te komen (Ruth2:12).

 Onze Heere zei tot de Samaritaanse vrouw: "Gijlieden aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten: want DE ZALIGHEID IS UIT DE JODEN" (Joh.4:22). Paulus stelt in Rom.3:1,2 de vraag: "Wat is dan het voordeel van de Jood?", en antwoordt:"Vele in alle manier; WANT DIT IS WEL HET EERSTE, DAT HUN DE WOORDEN GODS ZIJN TOEVERTROUWD." In Rom.9:4,5, zegt hij:"...WELKER (ISRAEL) IS DE AANNEMING TOT KINDEREN, EN DE HEERLIJKHEID, EN DE VERBONDEN, EN DE WETGEVING, EN DE DIENST GODS, EN DE BELOFTEN;" WELKER ZIJN DE VADERS EN UIT WELKE CHRISTUS IS ZOVEEL HET VLEES AANGAAT..."

  HET HART VAN ISRAֻLS GODSDIENST

Deze eer werd niet aan Israel verleend omdat zij beter was of omdat zij het meer verdiende dan anderen. Israels eigen Koning David heeft door inspiratie geschreven: "De Heere heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht. "Zij zijn ALLEN afgeweken, TEZAMEN zijn zij stinkende  geworden; ER IS NIEMAND DIE GOED DOET, OOK NIET EEN" (Ps.14:2,3)

Daarom is een bloedoffer het hart van Israels godsdienst.  Wij weten dat "want het is  onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme" (Hebr.10:4) maar deze offers verzoenden*/[1] zonden tot de tijd dat Christus zou komen "om de zonde te niet te doen, door Zijns Zelfs offerandef" (Hebr.9:26).

Israכl's bloedoffers waren een belijdenis van zonden, een getuigenis van het feit dat "het loon van de zonde de dood is" en een erkenning dat ware het niet door Gods genade zij eveneens buiten Zijn gunst zouden staan. Daarom staat er geschreven:"Want de ziel van het vlees is in het bloed; waarom Ik het u op het altaar gegeven heb, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening  doen zal" (Lev.17:11). "En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, EN ZONDER BLOEDSTORTING GESCHIEDT GEEN VERGEVING" (Hebr.9:22).

Deze manier om tot God te naderen toonde aan dat Israel niet beter was dan de heidenen maar gaf hun tegelijkertijd een zeker voordeel boven de heidenen - en een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van hen.

Israel moest deze zegeningen niet voor zichzelf houden, want God had tot Abraham gezegd: "En in uw Zaad zullen  gezegend worden alle volken der aarde " (Gen.22:18)**/[2] Zij moesten de vertegenwoordigers en niet alleen de voorwerpen van Gods zegen zijn.

                ISRAELS FALEN

 Het Woord en de dienst van God waren aan Israel gegeven opdat de heidenen door hen God zouden vinden. Toen onze Heere de geldwisselaars uit de tempel dreef, zei Hij: "Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken?" (Mark.11:17). De Heere verwees natuurlijk naar Jes.56:6,7, waar wij lezen: "En de vreemden, die zich tot den Heere voegen om Hem te dienen en om den Naam des Heeren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden; "Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; WANT MIJN HUIS ZAL EEN BEDEHUIS GENOEMD WORDEN VOOR ALLE VOLKEN."

De verbondsrelatie van Israel met God en haar door God gegeven godsdienst vormden uiteraard de "middelmuur des afscheidsels" tussen haar en de goddeloze heidenen, maar dit betekende niet dat Israel de heidenen in hun goddeloze staat moest laten en hen buiten de muur moesten houden. Het verbond met Abraham laat wat anders zien  en  vanuit het zojuist aangehaalde gedeelte uit Jesaja is het duidelijk dat de heidenen die proselieten van het Jodendom wilden worden welkom zouden zijn in de tempel waar het verbondsvolk toegang had tot God.

Maar maakte het volk Israel dit bekend onder de volken? Dat deden zij niet. Zij zouden de heidenwereld voor eeuwig in de duisternis hebben gelaten. De tempel, bedoeld om een bedehuis te zijn voor alle volken was een centrum van valsheid en bedrog geworden. Onze Heere werd dan ook gedwongen om bij Zijn aanhaling van Jesaja de woorden toe te voegen: "MAAR GIJ HEBT DAT TOT EEN MOORDENAARSKUIL GEMAAKT".

DE DRIE OPROEPEN TOT BEKERING

Het was na 1500 jaren falen onder de wet, met de komst van het Messiaanse koninkrijk in zicht, dat God aan Israel haar drie grootste oproepen tot bekering zond.

De eerste was door Johannes de Doper van wie onze Heere zei, "Er is niemand meerder profeet" (Luk.7:28). Het was de bediening van Johannes  om Israel terug te brengen tot God en zo de weg te bereiden voor de komende Koning. De roep was:"...Bereidt de weg des Heeren, maakt Zijn paden recht! "Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten weg  worden, en de oneffen tot effen wegen" (Luk.3:5).

Johannes werkte hard om zijn missie te vervullen. Hij bereikte met zijn bediening elk onderdeel van Israels nationale leven. Hij sprak met "het volk", met de tollenaars, met de soldaten (Luk.3:10-14). Hij durfde de trotse Farizeכn en Sadduceכn weg te zenden terwijl hij ze "adderengebroedsels" noemde en hen vroeg: "wie heeft u aangewezen te  vlieden van den komende toorn?" en zei: "Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig" (Matt.3:7,8). Hij ging zelfs naar het hof van Koning Herodes  en verweet hem dat hij leefde met de vrouw van zijn broer "en alle boze stukken die Herodes had gedaan" (Luk.3:19).

Maar ondanks dit alles bekeerde Israel zich als natie niet. De grote hervormer werd "opgesloten in de gevangenis" (Luk.3:20) en tenslotte onthoofd (Matt.14:10) door Israels boze en losbandige koning - een misdaad die zeker niet zou zijn toegelaten als er een echte hervorming onder het volk zou zijn geweest.

Zo werd de weg voor onze Heere allesbehalve effen gemaakt. Hij moest  verdergaan met de roeping waar Johannes geeindigd was. Evenmin was het antwoord op de boodschap van onze Heere meer bevredigend dan het antwoord op die van Johannes. Zij verachtten Hem, hekelden Hem, spanden samen tegen Hem. Toen Hij machtige tekenen onder hen deed hadden zij de onbeschaamdheid om te vragen: "Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven" (Matt.21:23).

Tenslotte brachten zij Hem voor het gerecht op valse beschuldigingen. En terwijl Hij ondervraagt en beproefd werd onderwierpen zij Hem aan de meest wrede en onmenselijke behandeling. Zij bespotten Hem; zij geselden Hem; zij spuwden in Zijn gezicht. Zij trokken aan Zijn baard en Zijn haar; zij blinddoekten Hem, sloegen Hem, en vroegen Hem te profeteren wie Hem geslagen had. Zij kroonden Hem met doornen; zij deden Hem een purperen mantel om en gaven een riet (inplaats van een scepter) in Zijn hand, knielden spottend voor Hem. Toen namen zij het riet uit Zijn hand en sloegen Hem ermee op het hoofd.

Hun haat was zo fel tegen de Zoon van God dat toen de Romeinse stadhouder Pilatus, die geen schuld in Hem vond, Hem wilde laten geselen en vrijlaten, "al de menigte riep gelijkelijk zeggende, Weg met Dezen..." (Luk.23:18). "Maar zij hielden aan met groot geroep en eisten dat Hij zou gekruist worden" (Luk.23:23).

En aldus dwong Israel, inplaats van in te gaan op de roep van Christus tot bekering, Pilatus om Hem uiteindelijk aan het kruis te nagelen waar Hij  pijn, smaad en schande leed voor hun zonden.

Dit alles heeft God uiteraard niet verrast. Hij had dit inderdaad voorspeld. De Geest had door de profeten, "beduidde en tevoren getuigde het lijden dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid  DAARNA VOLGENDE" (1Petr.1:11). En aldus riep Israels Messias, hangende aan het kruis: "Vader, vergeef hun; want zij weten niet wat zij doen" (Luk.23:34).

En nu, leek het,  was de tijd gekomen voor de heerlijkheid daarna volgende. Vijftig dagen na de opstanding werd de Heilige Geest "uitgestort" op de discipelen en de tekenen van de "laatste dagen" begonnen te verschijnen (Hand.2). Te midden van deze wonderlijke tekenen werd aan Israel haar derde en laatste kans gegeven om zich te bekeren, met de beloften van de wederkomst van Christus en "de tijden der verkoeling", als zij dit zouden doen.

Het was voornamelijk de apostel Petrus die God gebruikte om Israel op te roepen tot bekering. Aan hen die overtuigd waren door Zijn boodschap en dan vroegen wat zij moesten doen, antwoordde hij: "BEKEERT U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT  IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING DER ZONDEN; EN GIJ ZULT DE GAVE DES HEILIGEN GEESTES ONTVANGEN" (Hand.2:38).  Korte tijd later roept Petrus tot de menigte die verzameld was in de zuilengang van Salomo: "BETERT U DAN, EN BEKEERT U, OPDAT UW ZONDEN MOGEN UITGEWIST WORDEN, WANNEER DE TIJDEN DER VERKOELING ZULLEN  GEKOMEN ZIJN VAN HET AANGEZICHT DES HERE; "EN HIJ GEZONDEN ZAL HEBBEN JEZUS CHRISTUS, DIE U TEVOREN GEPREDIKT IS" (Hand.3:19,20).

Maar nog steeds weigerde Israel (als natie) om zich te bekeren. In plaats daarvan verboden haar oversten de apostelen om in Christus' naam te prediken; dreigden hen, geselden hen, wierpen hen in de gevangenis. Tenslotte konden zij er niet van weerhouden worden om opnieuw bloed te vergieten en grepen Stephanus, een man "vol van geloof en kracht"  wierpen hem de stad uit en stenigden hem.

Aldus reageerde Israel op Gods drie genadige oproepen door drie brutale moorden; op Johannes de Doper, Christus en Stephanus. En let op dat hun schuld toenam bij elke volgende moord. In het geval van Johannes de Doper lieten zij het toe; in het geval van Christus vroegen zij het; in het geval van Stephanus deden zij het. Zij hielden zich doof  voor de Vader (door Johannes), voor de Zoon Zelf, terwijl hij op aarde was, en voor de Heilige Geest (door de Pinkstergelovigen). Zij hadden de Vader wederstaan vףףr Christus komst; zij verachtten Christus Zelf toen Hij onder hen was; zij lasterden de Heilige Geest nadat  Christus was heengegaan. Nu was er geen excuus. Zij hadden de onvergeeflijke zonde begaan, waarvoor de Here hen had gewaarschuwd (Matt.12:31,32).

  ISRAEL VOEGT ZICH BIJ DE REBELLIE VAN DE WERELD

We moeten niet denken dat Israels vijandschap tegen Christus was bekoeld met de moord op Stephanus. Dit was nog maar het begin van een lange en intense vervolging van Christus en Zijn volgelingen."En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judיa en Samaria, behalve de apostelen" (Hand.8:1).

 Saulus van Tarsen was de leider van deze vervolging:

"En Saulus verwoestte de gemeente; gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen,  leverde hen over in de gevangenis" (Hand.8:3).

De heidenen hadden reeds lang tevoren gerebbeleerd tegen God bij de toren van Babel.(Gen.11:3,4), " en gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden" (Rom.1:28). Daarom "gaf God hen tenslotte op" (Rom.1:24,26,28) en verstrooide hen over de ganse aarde (Gen.11:9). Nu had Israel zich gevoegd bij de rebellie en God zou hen opgeven en hen ook verstrooien.

Er wordt wel gedacht dat de verstrooiing van de Jeruzalemdiscipelen naar Judיa en Samaria een vervulling zou zijn van de "grote opdracht" zoals beschreven in Hand.1:8. Het tegenovergestelde is echter het geval. Deze discipelen hadden Jeruzalem niet verlaten in antwoord op enig bevel van onze Heere. Zij waren gevlucht voor hun leven. En de twaalf apostelen daarentegen, die onze Heere bevolen had om uit te gaan in de gehele wereld, bleven te Jeruzalem!

Het was vanzelfsprekend, dat de gelovigen te Jeruzalem vluchtten toen de vreselijke vervolging uitbrak, maar wat te denken van het gedrag van de  twaalf apostelen om daar te blijven?

Waren zij niet verplicht om de wereld het Evangelie te gaan brengen? De Schriften zeggen duidelijk dat zij dat niet waren. De reden dat de twaalven te Jeruzalem bleven was dat het koninkrijk, waarin zij twaalf tronen zouden hebben (Matt.19:28), zou worden gevestigd te Jeruzalem, en de zegening en redding van daaruit zou stromen tot de einden der aarde; hun werk was daar  dus nog niet gedaan.

Dus het blijven van de apostelen in Jeruzalem en de vlucht van de gelovige schare wezen op hetzelfde feit - dat Israel zich niet tot Christus keerde. Als we nu terugkijken kunnen we zien dat deze grote vervolging "de geheime crisis in Israels geschiedenis" was, zoals Sir Robert Anderson het noemde, en dat het koninkrijk niet, althans voor die tijd, werd opgericht, tenzij met geweld.

Maar hoe ging het verder met Gods plan om heil en zegen naar de wereld te zenden? Moesten de volken nu in duisternis blijven vanwege Israels afwijzing om het zegen kanaal te worden?

Overeenkomstig de profetie zou Gods antwoord op de verwerping van Christus door de wereld de uitstorting van Zijn toorn zijn. Hij moest Israel (en de heidenen) gewillig maken voor die dag. Israel en de heidenen hadden Hem en Zijn Gezalfde de oorlog verklaard; Hij zou een tegenverklaring geven, zoals geschreven is:  "Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken (VAN ISRAEL, zie Hand.4:25-27) ijdelheid? "De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen tesamen tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: "Laat ons Hun banden verscheuren, en Hun touwen van ons werpen. "DIE IN DE HEMEL WOONT, ZAL LACHEN; DE HEERE ZAL HEN BESPOTTEN.  "DAN ZAL HIJ TOT HEN SPREKEN IN ZIJN TOORN, EN IN ZIJN GRIMMIGHEID ZAL HIJ HEN VERSCHRIKKEN" (Ps.2:1-5). "DE HEERE HEEFT TOT MIJN HEERE GESPROKEN; ZIT AAN MIJN RECHTERHAND, TOTDAT IK UW VIJANDEN GEZET ZAL HEBBEN TOT EEN VOETBANK UWER VOETEN. "DE HEERE ZAL DEN SCEPTER UWER STERKTE ZENDEN UIT SION, ZEGGENDE: HEERS IN HET MIDDEN UWER VIJANDEN. "UW VOLK ZAL ZEER GEWILLIG ZIJN OP DEN DAG UWER HEIRKRACHT..." (Ps.110:1-3).

Deze woorden van David zijn het vaste getuigenis van de Oud testamentische profetie. Zou het oordeel nu komen? Nee, het was tegen deze donkere achtergrond van menselijk falen en zonde, dat God nu de rijkdommen van Zijn genade ging openbaren.             

HET VERBORGEN PLAN GEOPENBAARD

 De eerste teken van Gods plan met betrekking tot de bedeling van genade was de redding van Saulus, de voornaamste der zondaren, en de leider van Israel's - ja, van 's werelds - rebellie tegen Christus (1Tim.1:13-16).

Aan hem openbaarde de Heere wat Hij nog niet aan de andere apostelen kon openbaren toen Hij hen hun grote opdracht gaf: dat Israel terzijde gesteld zou worden en dat er redding voor allen zou zijn rechtstreeks door de gekruisigde, opgestane, en verheerlijkte Christus. ֹיn van de eerste lessen die Paulus leerde was dat God Israel, samen met de heidenen, had besloten in ongeloof. Hij zou, net als de twaalven, zijn bediening zijn begonnen vanuit Jeruzalem, maar toen hij na zijn bekering, daarheen terugkeerde, verscheen de Heere  aan hem en zei: "Spoed u en ga inderhaast uit Jeruzalem, WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN" (Hand.22:18).

Vergelijk deze verklaring met Lukas 24:47 en zie wat God nu aan het doen was. Hij besloot Israel in ongeloof samen met de heidenen. En waarom? Opdat Hij redding kon aanbieden aan alle mensen door genade, enkel en rechtstreeks door de verdiensten van Christus.

"WANT GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID BESLOTEN*/[3], OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN" (Rom.11:32).

Dus nu werd door de val van Israel redding gepredikt aan de heidenen (Rom.11:11,12,15). Met de roeping van Paulus die de twaalven moest vervangen als "de apostel der heidenen" (Rom.11:13), begon God de Joodse godsdienst tot een einde te brengen en het "regering" van genade in te voegen.**/[4]

Hier dient de lezer de tekening in het begin van dit hoofdstuk te bekijken om te zien hoe God, nadat Hij volledig had laten zien dat "er geen verschil is" tussen Jood en heiden (Rom.3:22,23), nu de reddende kracht van het "kruis" verheerlijkt (Eph.1:7). "WANT HIJ IS ONZE VREDE, DIE DEZE BEIDEN ֹֹN GEMAAKT HEEFT, EN DEN MIDDELMUUR DES AFSCHEIDSELS GEBROKEN HEBBENDE, "HEEFT HIJ DE VIJANDSCHAP IN ZIJN VLEES TENIETGEMAAKT ... "...OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN ֹֹN LICHAAM ZOU VERZOENEN DOOR HET KRUIS,  DE VIJANDSCHAP AAN HETZELVE GEDOOD HEBBENDE" (Eph.2:14-16).

Aldus werd de middelmuur des afscheidsels afgebroken (zie tekening) en zijn de Joodse en heidense gelovigen met God verzoend in ייn lichaam door het kruis. Het kruis, het volbrachte werk van Christus, is hetgene dat God wil dat wij vandaag aan de wereld verkondigen (1Cor.1:18, 2Cor.5:14-21, Gal.6:14, Eph.1:7, etc.), want daarin ligt het geheim van "Zijn plan en genade".

Let echter wel op, dat bij verzoening uitgegaan wordt van vervreemding;  immers verzoening kon niet worden verkondigd dan nadat Israel samen met de heidenen was verworpen, en de vervreemding van allen van God ten volle duidelijk zou zijn geworden. "De verwerping van hen" opende de weg naar "de verzoening der wereld" (Rom.11:15).

De "bedeling van de genade van God", de verzoening van Joden en heidenen met God in ייn lichaam door het kruis, is het grote geheimenis dat verborgen was in God totdat het aan en door apostel Paulus werd geopenbaard.

Paulus was het tastbare bewijs van Gods doel met betrekking tot het lichaam want hij was zelf een Hebreeכr en een Romein in ייn persoon (zie Hand.26:16-18), een met God en Zijn Christus verzoende vijand, het "voorbeeld" dat God koos om "in hem al Zijn lankmoedigheid te betonen" (1Tim.1:16) en "een on(of voor)tijdig geborene" (1Cor.15:8) zoals beiden Joden en heidenen vandaag zijn. Dit alles zal in een andere les verder worden besproken.

Gods geprofeteerde plan om de volkeren door Israel te zegenen, zal zeker nog uitgevoerd worden, maar terwijl Israel in haar onbekeerde staat blijft  zegent God Joden en heidenen door Christus, Abrahams zaad, ondanks het falen van Abrahams vermenigvuldigde zaad (Gal.3:16,19,22, Eph.3:5,6). Dit is in overeenstemming met Zijn "eeuwige plan", en is een levende  demonstratie van het feit, dat alle zegeningen door Golgotha komen; dat zelfs de duizendjarige zegen van Christus, door Israel, tot de heidenen  zal komen.

"O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Rom.11:33).

VRAGEN

 1.   Toon vanuit de Schrift aan wat het voornaamste voordeel was Israel had boven de heidenen in Oud Testamentische tijden.

2.   Noem vijf andere voordelen die Israel had boven de heidenen.

3.   Welke verantwoordelijkheid legden deze voordelen op Israel in haar relatie tot de volkeren?

4.   Waardoor werd Israel er steeds aan herinnerd dat zij niet beter was dan de heidenen?

5.   Voor wie was de tempel bedoelt om een huis van gebed te zijn?

6.   Wat was er van de tempel geworden ten tijde dat Christus op aarde verscheen?

7.   Met welke brutale moorden beantwoordde Israel de drie grootste oproepen tot bekering?

8.   Leg uit hoe Israels schuld geleidelijk toenam met deze drie moorden.

9.   Hoe voerde Israel toen daadwerkelijk oorlog tegen God en Zijn Gezalfde?

10. Wie leidde Israel in deze oorlog?

11. Hoe moest God volgens de Schrift antwoorden?

12. Kwam het oordeel onmiddellijk?

13. Geef Schriftgedeelten die aantonen, welke grote slag God het eerst aan Zijn plan gaf, bij het invoegen van de bedeling van genade.

14. Wat openbaarde de opgestane Heere aan Paulus over Israel toen hij voor het eerst na zijn bekering naar Jeruzalem terugkeerde?

15. Wat deed God nu om voor Israel de weg te openen tot "de verzoening der wereld"?

16. Wat gebeurde met de middelmuur des afscheidsels?

17. Welke relatie hebben degenen die verzoend zijn met God nu met elkaar?

18. Leg uit hoe Paulus het tastbare bewijs is van de Gemeente  van vandaag.

19. In welke zin zegent God de heidenen ook nu nog door Abrahams zaad.

20. Hoe zit het met Gods geprofeteerde plan om de wereld te zegenen door Abrahams   

      vermenigvuldigde zaad? (Gen.22:17,18).


    [1]*/Voetnoot: Het woord verzoening (Hebr. kapher) betekent bedekken.

    [2]**/Voetnoot: Wij merken op, dat in de verbondsbeloften aan Israel er, behalve het toekomst-aspect, in het algemeen de voorziening bestaat voor vervulling in de tegenwoordige tijd (Deut.1:8; Hebr.3:19 etc.).

    [3]*/Voetnoot: Gr. sunkleio: samen opgesloten, samen gevat.

    [4]**/Voetnoot: Zie Rom.5:20,21 en 1Tim.1:13-16 en merk op de uitdrukkingen: "genade", "overvloediger", "zeer overvloedig", "dat de genade zou heersen" en "mij, die de voornaamste ben".

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011