|
H
O O F D S T U K IV
DE
OPENBARING VAN HET GEHEIMENIS
ISRAELS VROEGERE GLORIE
Het
volk Israכl, met al haar tekortkomingen, was eens het enige lichtpuntje in een
donkere wereld. God had beloofd dat door haar, als Abrahams vermenigvuldigde
zaad, de andere volken zouden worden gezegend (Gen.22:17,18). Ruth, de
Moabitische en anderen als zij, vonden bescherming onder de vleugelen van God
door naar Israel te komen (Ruth2:12).
Onze
Heere zei tot de Samaritaanse vrouw: "Gijlieden
aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten: want DE ZALIGHEID IS UIT
DE JODEN" (Joh.4:22).
Paulus stelt in Rom.3:1,2 de vraag: "Wat
is dan het voordeel van de Jood?",
en antwoordt:"Vele
in alle manier; WANT DIT IS WEL HET EERSTE, DAT HUN DE WOORDEN GODS ZIJN
TOEVERTROUWD." In
Rom.9:4,5, zegt hij:"...WELKER
(ISRAEL) IS DE AANNEMING TOT KINDEREN, EN DE HEERLIJKHEID, EN DE VERBONDEN, EN
DE WETGEVING, EN DE DIENST GODS, EN DE BELOFTEN;" WELKER ZIJN DE VADERS EN
UIT WELKE CHRISTUS IS ZOVEEL HET VLEES AANGAAT..."
HET
HART VAN ISRAֻLS GODSDIENST
Deze
eer werd niet aan Israel verleend omdat zij beter was of omdat zij het meer
verdiende dan anderen. Israels eigen Koning David heeft door inspiratie
geschreven: "De
Heere heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand
verstandig ware, die God zocht. "Zij zijn ALLEN afgeweken, TEZAMEN zijn zij
stinkende geworden; ER IS NIEMAND
DIE GOED DOET, OOK NIET EEN" (Ps.14:2,3)
Daarom
is een bloedoffer het hart van Israels godsdienst.
Wij weten dat "want
het is onmogelijk dat het bloed van
stieren en bokken de zonden wegneme"
(Hebr.10:4)
maar deze offers verzoenden*/[1]
zonden
tot de tijd dat Christus zou komen "om
de zonde te niet te doen, door Zijns Zelfs offerandef" (Hebr.9:26).
Israכl's
bloedoffers waren een belijdenis van zonden, een getuigenis van het feit dat
"het loon van de zonde de dood is" en een erkenning dat ware het niet
door Gods genade zij eveneens buiten Zijn gunst zouden staan. Daarom staat er
geschreven:"Want de ziel van het vlees is
in het bloed; waarom Ik het u op het altaar gegeven heb, om over uw zielen
verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening
doen zal" (Lev.17:11). "En alle dingen worden bijna door bloed
gereinigd naar de wet, EN ZONDER BLOEDSTORTING GESCHIEDT GEEN VERGEVING" (Hebr.9:22).
Deze
manier om tot God te naderen toonde aan dat Israel niet beter was dan de
heidenen maar gaf hun tegelijkertijd een zeker voordeel boven de heidenen - en
een grote verantwoordelijkheid ten opzichte van hen.
Israel
moest deze zegeningen niet voor zichzelf houden, want God had tot Abraham
gezegd: "En
in uw Zaad zullen gezegend worden
alle volken der aarde " (Gen.22:18)**/[2]
Zij
moesten de vertegenwoordigers en niet
alleen de voorwerpen van Gods zegen
zijn.
ISRAELS FALEN
Het
Woord en de dienst van God waren aan Israel gegeven opdat de heidenen door
hen God zouden vinden. Toen onze Heere de geldwisselaars uit de tempel
dreef, zei Hij: "Is er niet
geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken?"
(Mark.11:17). De Heere verwees natuurlijk naar Jes.56:6,7, waar wij lezen: "En
de vreemden, die zich tot den Heere voegen om Hem te dienen en om den Naam des
Heeren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat
hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden; "Die zal Ik
ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis;
hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; WANT
MIJN HUIS ZAL EEN BEDEHUIS GENOEMD WORDEN VOOR ALLE VOLKEN."
De
verbondsrelatie van Israel met God en haar door God gegeven godsdienst vormden
uiteraard de "middelmuur des afscheidsels" tussen haar en de goddeloze
heidenen, maar dit betekende niet dat Israel de heidenen in hun goddeloze staat
moest laten en hen buiten de muur moesten houden. Het verbond met Abraham laat
wat anders zien en vanuit het
zojuist aangehaalde gedeelte uit Jesaja is het duidelijk dat de heidenen die
proselieten van het Jodendom wilden worden welkom zouden zijn in de tempel waar
het verbondsvolk toegang had tot God.
Maar
maakte het volk Israel dit bekend onder de volken? Dat deden zij niet. Zij
zouden de heidenwereld voor eeuwig in de duisternis hebben gelaten. De tempel,
bedoeld om een bedehuis te zijn voor alle volken was een centrum van valsheid en
bedrog geworden. Onze Heere werd dan ook gedwongen om bij Zijn aanhaling van
Jesaja de woorden toe te voegen: "MAAR GIJ HEBT DAT TOT EEN MOORDENAARSKUIL
GEMAAKT".
DE
DRIE OPROEPEN TOT BEKERING
Het
was na 1500 jaren falen onder de wet, met de komst van het Messiaanse koninkrijk
in zicht, dat God aan Israel haar drie grootste oproepen tot bekering zond.
De
eerste was door Johannes de Doper van wie onze Heere zei, "Er
is niemand meerder profeet" (Luk.7:28). Het was de bediening van
Johannes om Israel terug te brengen
tot God en zo de weg te bereiden voor de komende Koning. De roep was:"...Bereidt de weg des Heeren,
maakt Zijn paden recht! "Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel
zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten weg
worden, en de oneffen tot effen wegen" (Luk.3:5).
Johannes
werkte hard om zijn missie te vervullen. Hij bereikte met zijn bediening elk
onderdeel van Israels nationale leven. Hij sprak met "het volk", met
de tollenaars, met de soldaten (Luk.3:10-14). Hij durfde de trotse Farizeכn en
Sadduceכn weg te zenden terwijl hij ze "adderengebroedsels" noemde en
hen vroeg: "wie heeft u aangewezen te vlieden
van den komende toorn?" en zei: "Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig" (Matt.3:7,8).
Hij ging zelfs naar het hof van Koning Herodes
en verweet hem dat hij leefde met de vrouw van zijn broer "en alle
boze stukken die Herodes had gedaan" (Luk.3:19).
Maar
ondanks dit alles bekeerde Israel zich als natie niet. De grote hervormer werd
"opgesloten in de gevangenis" (Luk.3:20) en tenslotte onthoofd (Matt.14:10)
door Israels boze en losbandige koning - een misdaad die zeker niet zou zijn
toegelaten als er een echte hervorming onder het volk zou zijn geweest.
Zo
werd de weg voor onze Heere allesbehalve effen gemaakt. Hij moest
verdergaan met de roeping waar Johannes geeindigd was. Evenmin was het
antwoord op de boodschap van onze Heere meer bevredigend dan het antwoord op die
van Johannes. Zij verachtten Hem, hekelden Hem, spanden samen tegen Hem. Toen
Hij machtige tekenen onder hen deed hadden zij de onbeschaamdheid om te vragen: "Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht
gegeven" (Matt.21:23).
Tenslotte
brachten zij Hem voor het gerecht op valse beschuldigingen. En terwijl Hij
ondervraagt en beproefd werd onderwierpen zij Hem aan de meest wrede en
onmenselijke behandeling. Zij bespotten Hem; zij geselden Hem; zij spuwden in
Zijn gezicht. Zij trokken aan Zijn baard en Zijn haar; zij blinddoekten Hem,
sloegen Hem, en vroegen Hem te profeteren wie Hem geslagen had. Zij kroonden Hem
met doornen; zij deden Hem een purperen mantel om en gaven een riet (inplaats
van een scepter) in Zijn hand, knielden spottend voor Hem. Toen namen zij het
riet uit Zijn hand en sloegen Hem ermee op het hoofd.
Hun
haat was zo fel tegen de Zoon van God dat toen de Romeinse stadhouder Pilatus,
die geen schuld in Hem vond, Hem wilde laten geselen en vrijlaten, "al
de menigte riep gelijkelijk zeggende, Weg met Dezen..." (Luk.23:18).
"Maar zij hielden aan met groot geroep en eisten dat Hij zou gekruist
worden" (Luk.23:23).
En
aldus dwong Israel, inplaats van in te gaan op de roep van Christus tot
bekering, Pilatus om Hem uiteindelijk aan het kruis te nagelen waar Hij
pijn, smaad en schande leed voor hun
zonden.
Dit
alles heeft God uiteraard niet verrast. Hij had dit inderdaad voorspeld. De
Geest had door de profeten, "beduidde en tevoren getuigde
het lijden dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid
DAARNA VOLGENDE"
(1Petr.1:11). En aldus riep Israels Messias, hangende aan het kruis: "Vader,
vergeef hun; want zij weten niet wat zij doen" (Luk.23:34).
En
nu, leek het, was de tijd gekomen
voor de heerlijkheid daarna volgende. Vijftig dagen na de opstanding werd de
Heilige Geest "uitgestort" op de discipelen en de tekenen van de
"laatste dagen" begonnen te verschijnen (Hand.2). Te midden van deze
wonderlijke tekenen werd aan Israel haar derde en laatste kans gegeven om zich
te bekeren, met de beloften van de wederkomst van Christus en "de tijden
der verkoeling", als zij dit zouden doen.
Het
was voornamelijk de apostel Petrus die God gebruikte om Israel op te roepen tot
bekering. Aan hen die overtuigd waren door Zijn boodschap en dan vroegen wat zij
moesten doen, antwoordde hij: "BEKEERT
U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT IN
DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING DER ZONDEN; EN GIJ ZULT DE GAVE DES
HEILIGEN GEESTES ONTVANGEN" (Hand.2:38).
Korte tijd later roept Petrus tot de menigte die verzameld was in de
zuilengang van Salomo:
"BETERT U DAN, EN BEKEERT U, OPDAT UW ZONDEN MOGEN UITGEWIST WORDEN,
WANNEER DE TIJDEN DER VERKOELING ZULLEN GEKOMEN
ZIJN VAN HET AANGEZICHT DES HERE; "EN HIJ GEZONDEN ZAL HEBBEN JEZUS
CHRISTUS, DIE U TEVOREN GEPREDIKT IS" (Hand.3:19,20).
Maar
nog steeds weigerde Israel (als natie) om zich te bekeren. In plaats daarvan
verboden haar oversten de apostelen om in Christus' naam te prediken; dreigden
hen, geselden hen, wierpen hen in de gevangenis. Tenslotte konden zij er niet
van weerhouden worden om opnieuw bloed te vergieten
en grepen Stephanus, een man "vol van geloof en kracht"
wierpen hem de stad uit en stenigden hem.
Aldus
reageerde Israel op Gods drie genadige oproepen door drie brutale moorden; op
Johannes de Doper, Christus en Stephanus. En let op dat hun schuld toenam bij
elke volgende moord. In het geval van Johannes de Doper lieten
zij het toe; in het geval van
Christus vroegen zij het; in het
geval van Stephanus deden zij het.
Zij hielden zich doof voor de Vader
(door Johannes), voor de Zoon Zelf, terwijl hij op aarde was, en voor de Heilige
Geest (door de Pinkstergelovigen). Zij hadden de Vader wederstaan vףףr
Christus komst; zij verachtten Christus Zelf toen Hij onder hen was; zij
lasterden de Heilige Geest nadat Christus
was heengegaan. Nu was er geen excuus. Zij hadden de onvergeeflijke zonde
begaan, waarvoor de Here hen had gewaarschuwd (Matt.12:31,32).
ISRAEL
VOEGT ZICH BIJ DE REBELLIE
VAN
DE WERELD
We
moeten niet denken dat Israels vijandschap tegen Christus was bekoeld met de
moord op Stephanus. Dit was nog maar het begin van een lange en intense
vervolging van Christus en Zijn volgelingen."En
er werd te dien dage een grote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem
was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judיa en Samaria,
behalve de apostelen" (Hand.8:1).
Saulus
van Tarsen was de leider van deze vervolging:
"En
Saulus verwoestte de gemeente; gaande in de huizen; en trekkende mannen en
vrouwen, leverde hen over in de
gevangenis" (Hand.8:3).
De
heidenen hadden reeds lang tevoren gerebbeleerd tegen God bij de toren van Babel.(Gen.11:3,4),
" en gelijk het hun niet goed
gedacht heeft God in erkentenis te houden" (Rom.1:28). Daarom "gaf
God hen tenslotte op" (Rom.1:24,26,28) en verstrooide hen over de ganse
aarde (Gen.11:9). Nu had Israel zich gevoegd bij de rebellie en God zou hen
opgeven en hen ook verstrooien.
Er
wordt wel gedacht dat de verstrooiing van de Jeruzalemdiscipelen naar Judיa en
Samaria een vervulling zou zijn van de "grote opdracht" zoals
beschreven in Hand.1:8. Het tegenovergestelde is echter het geval. Deze
discipelen hadden Jeruzalem niet verlaten in antwoord op enig bevel van onze
Heere. Zij waren gevlucht voor hun leven.
En de twaalf apostelen daarentegen, die onze Heere bevolen had om uit te gaan in
de gehele wereld, bleven te Jeruzalem!
Het
was vanzelfsprekend, dat de gelovigen te Jeruzalem vluchtten toen de vreselijke
vervolging uitbrak, maar wat te denken van het gedrag van de
twaalf apostelen om daar te blijven?
Waren
zij niet verplicht om de wereld het Evangelie te gaan brengen?
De Schriften zeggen duidelijk dat zij dat niet waren. De reden dat de
twaalven te Jeruzalem bleven was dat het koninkrijk, waarin zij twaalf tronen
zouden hebben (Matt.19:28), zou worden gevestigd te
Jeruzalem, en de zegening en redding van
daaruit zou stromen tot de einden der aarde; hun werk was daar dus nog niet gedaan.
Dus
het blijven van de apostelen in Jeruzalem en de vlucht van de gelovige schare
wezen op hetzelfde feit - dat Israel zich niet
tot Christus keerde. Als we nu terugkijken
kunnen we zien dat deze grote vervolging "de geheime crisis in Israels
geschiedenis" was, zoals Sir Robert Anderson het noemde, en dat het
koninkrijk niet, althans voor die tijd, werd opgericht, tenzij met geweld.
Maar
hoe ging het verder met Gods plan om heil en zegen naar de wereld te zenden?
Moesten de volken nu in duisternis blijven vanwege Israels afwijzing om het
zegen kanaal te worden?
Overeenkomstig
de profetie zou Gods antwoord op de verwerping van Christus door de wereld de
uitstorting van Zijn toorn zijn. Hij moest Israel (en de heidenen) gewillig maken
voor die dag. Israel en de heidenen hadden Hem en Zijn Gezalfde de oorlog
verklaard; Hij zou een tegenverklaring geven, zoals geschreven is: "Waarom
woeden de heidenen en bedenken de volken (VAN ISRAEL, zie Hand.4:25-27)
ijdelheid? "De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten
beraadslagen tesamen tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
"Laat ons Hun banden verscheuren, en Hun touwen van ons werpen.
"DIE IN DE HEMEL WOONT, ZAL LACHEN; DE HEERE ZAL HEN BESPOTTEN.
"DAN ZAL HIJ TOT HEN SPREKEN IN ZIJN TOORN, EN IN ZIJN GRIMMIGHEID
ZAL HIJ HEN VERSCHRIKKEN" (Ps.2:1-5). "DE HEERE HEEFT TOT MIJN HEERE
GESPROKEN; ZIT AAN MIJN RECHTERHAND, TOTDAT IK UW VIJANDEN GEZET ZAL HEBBEN TOT
EEN VOETBANK UWER VOETEN. "DE HEERE ZAL DEN SCEPTER UWER STERKTE ZENDEN UIT
SION, ZEGGENDE: HEERS IN HET MIDDEN UWER VIJANDEN. "UW VOLK ZAL ZEER
GEWILLIG ZIJN OP DEN DAG UWER HEIRKRACHT..." (Ps.110:1-3).
Deze
woorden van David zijn het vaste getuigenis van de Oud testamentische profetie.
Zou het oordeel nu komen? Nee, het was tegen deze donkere achtergrond van
menselijk falen en zonde, dat God nu de rijkdommen van Zijn genade ging
openbaren.
HET
VERBORGEN PLAN GEOPENBAARD
De
eerste teken van Gods plan met betrekking tot de bedeling van genade was de
redding van Saulus, de voornaamste der zondaren, en de leider van Israel's - ja,
van 's werelds - rebellie tegen Christus (1Tim.1:13-16).
Aan
hem openbaarde de Heere wat Hij nog niet aan de andere apostelen kon openbaren
toen Hij hen hun grote opdracht gaf: dat Israel terzijde gesteld zou worden en
dat er redding voor allen zou zijn rechtstreeks door de gekruisigde, opgestane,
en verheerlijkte Christus. ֹיn van de eerste lessen die Paulus leerde was dat God Israel,
samen met de heidenen, had besloten in ongeloof. Hij zou, net als de twaalven,
zijn bediening zijn begonnen vanuit Jeruzalem, maar toen hij na zijn bekering,
daarheen terugkeerde, verscheen de Heere aan
hem en zei: "Spoed
u en ga inderhaast uit Jeruzalem,
WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN" (Hand.22:18).
Vergelijk
deze verklaring met Lukas 24:47 en zie wat God nu aan het doen was. Hij besloot
Israel in ongeloof samen met de heidenen. En waarom? Opdat Hij redding kon
aanbieden aan alle mensen door genade, enkel
en rechtstreeks door de verdiensten van Christus.
"WANT
GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID BESLOTEN*/[3],
OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN" (Rom.11:32).
Dus
nu werd door de val van Israel
redding gepredikt aan de heidenen (Rom.11:11,12,15). Met de roeping van Paulus
die de twaalven moest vervangen als "de apostel der heidenen" (Rom.11:13),
begon God de Joodse godsdienst tot een einde te brengen en het
"regering" van genade in te voegen.**/[4]
Hier
dient de lezer de tekening in het begin van dit hoofdstuk te bekijken om te zien
hoe God, nadat Hij volledig had laten zien dat "er
geen verschil is" tussen Jood en heiden (Rom.3:22,23), nu de reddende
kracht van het "kruis" verheerlijkt
(Eph.1:7). "WANT
HIJ IS ONZE VREDE, DIE DEZE BEIDEN ֹֹN GEMAAKT HEEFT, EN DEN MIDDELMUUR DES
AFSCHEIDSELS GEBROKEN HEBBENDE, "HEEFT HIJ DE VIJANDSCHAP IN ZIJN VLEES
TENIETGEMAAKT ... "...OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN ֹֹN LICHAAM ZOU
VERZOENEN DOOR HET KRUIS, DE VIJANDSCHAP AAN HETZELVE GEDOOD HEBBENDE" (Eph.2:14-16).
Aldus
werd de middelmuur des afscheidsels afgebroken (zie tekening) en zijn de Joodse
en heidense gelovigen met God verzoend in ייn lichaam door
het kruis. Het kruis, het volbrachte werk van Christus, is hetgene dat God
wil dat wij vandaag aan de wereld verkondigen (1Cor.1:18, 2Cor.5:14-21,
Gal.6:14, Eph.1:7, etc.), want daarin ligt het geheim van "Zijn plan en
genade".
Let
echter wel op, dat bij verzoening uitgegaan wordt van vervreemding;
immers verzoening kon niet
worden verkondigd dan nadat Israel samen met de heidenen was verworpen, en de
vervreemding van allen van God ten
volle duidelijk zou zijn geworden. "De
verwerping van hen" opende de weg naar "de verzoening der wereld" (Rom.11:15).
De
"bedeling van de genade van
God", de verzoening van Joden en heidenen met God in
ייn lichaam door het kruis, is het grote geheimenis dat verborgen was in God totdat
het aan en door apostel Paulus werd geopenbaard.
Paulus
was het tastbare bewijs van Gods doel met betrekking tot het lichaam want hij
was zelf een Hebreeכr en een Romein in ייn persoon (zie Hand.26:16-18), een
met God en Zijn Christus verzoende vijand, het "voorbeeld" dat God koos om "in
hem al Zijn lankmoedigheid te betonen" (1Tim.1:16) en "een on(of
voor)tijdig geborene" (1Cor.15:8) zoals beiden Joden en heidenen vandaag zijn. Dit alles zal in een andere
les verder worden besproken.
Gods
geprofeteerde plan om de volkeren door
Israel te zegenen, zal zeker nog uitgevoerd worden, maar terwijl Israel in
haar onbekeerde staat blijft zegent
God Joden en heidenen door Christus,
Abrahams zaad, ondanks het falen van Abrahams vermenigvuldigde
zaad (Gal.3:16,19,22, Eph.3:5,6). Dit is in overeenstemming met Zijn
"eeuwige plan", en is een levende
demonstratie van het feit, dat alle
zegeningen door Golgotha komen; dat zelfs de duizendjarige zegen van
Christus, door Israel, tot de heidenen
zal komen.
"O
diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk
zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Rom.11:33).
VRAGEN
1.
Toon vanuit de Schrift aan wat het voornaamste voordeel was Israel had
boven de heidenen in Oud Testamentische tijden.
2.
Noem vijf andere voordelen die Israel had boven de heidenen.
3.
Welke verantwoordelijkheid legden deze voordelen op Israel in haar
relatie tot de volkeren?
4.
Waardoor werd Israel er steeds aan herinnerd dat zij niet beter was dan
de heidenen?
5.
Voor wie was de tempel bedoelt om een huis van gebed te zijn?
6.
Wat was er van de tempel geworden ten tijde dat Christus op aarde
verscheen?
7.
Met welke brutale moorden beantwoordde Israel de drie grootste oproepen
tot bekering?
8.
Leg uit hoe Israels schuld geleidelijk toenam met deze drie moorden.
9.
Hoe voerde Israel toen daadwerkelijk oorlog tegen God en Zijn Gezalfde?
10.
Wie leidde Israel in deze oorlog?
11.
Hoe moest God volgens de Schrift antwoorden?
12.
Kwam het oordeel onmiddellijk?
13.
Geef Schriftgedeelten die aantonen, welke grote slag God het eerst aan
Zijn plan gaf, bij het invoegen van de bedeling van genade.
14.
Wat openbaarde de opgestane Heere aan Paulus over Israel toen hij voor
het eerst na zijn bekering naar Jeruzalem terugkeerde?
15.
Wat deed God nu om voor Israel de weg te openen tot "de verzoening
der wereld"?
16.
Wat gebeurde met de middelmuur des afscheidsels?
17.
Welke relatie hebben degenen die verzoend zijn met God nu met elkaar?
18.
Leg uit hoe Paulus het tastbare bewijs is van de Gemeente
van vandaag.
19.
In welke zin zegent God de heidenen ook nu nog door Abrahams zaad.
20.
Hoe zit het met Gods geprofeteerde plan om de wereld te zegenen door Abrahams
vermenigvuldigde zaad?
(Gen.22:17,18).
|