H O O F D S T U K  XIV

DE RELATIE TUSSEN PROFETIE

EN HET GEHEIMENIS

Veel kwaad en schade is de kerk aangedaan omdat Gods "arbeiders" gefaald hebben de verschillen en indeling in het Woord der Waarheid op te merken. Maar ernstige schade kan en zal ook voortkomen uit een gebrek aan inzicht in de eenheid van Gods grote plan voor de eeuwen; door gebrek aan inzicht in het opmerken van zowel verbanden als verschillen.

Extreme bedelingsmensen zien vele verschillen in de Schriften - zelfs verschillen die er niet zijn!! - maar zij falen in het zien van enige van de belangrijkste verbanden. En, het klinkt vreemd, maar in hun pogen om niet-bestaande verschillen te bewijzen, vallen zij dikwijls terug in het kamp van de traditionelen, en net als zij, zien zij enige van de meest fundamentele verschillen niet!

Een voorbeeld hiervan is te vinden in de bewering dat Paulus, toen hij zijn vroege brieven schreef, nog niet in zijn speciale heidenbediening stond; dat hij te dien tijde praktisch dezelfde boodschap predikte als de twaalf; dat hij in die tijd in de eerste plaats met de Joden handelde; dat zijn eerste brieven in de eerste plaats aan de Joden waren gericht, en dat hij gedurende die tijd het koninkrijk aan Israel aanbood - maar dat na Handelingen 28 zijn bediening  geen enkel verband met de twaalf had!

Het feit is, dat vanaf het begin Paulus' apostelschap duidelijk afgezonderd en onderscheiden was van dat van de twaalf. Hij was geroepen en aangesteld ver van Jeruzalem, op de weg naar Damascus. Zijn aanstelling was "niet van mensen, noch door een mens", maar door de verheerlijkte Heere Zelf (Gal.1:1). Bovendien was hij, vanaf het begin, geroepen tot een andere bediening dan de twaalf: "om te betuigen het evangelie der genade Gods", om te "verkondigen onder de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus" (Hand.20:24, Ef.3:8). Maar hieruit moet niet worden geconcludeerd dat er, terzelfdertijd, geen verband was tussen de bediening van de twaalf in Handelingen en Paulus' bediening in die tijd, of zelfs tussen de Handelingenbediening van de twaalf en Paulus' bediening na Handelingen.

Om te beginnen vertegenwoordigde Paulus dezelfde God als de twaalf, tegen wie Israel nu opstond. Hij vertegenwoordigde dezelfde Christus, die Israel nu afwees. En "de redding van God", die Israel had geweigerd, werd nu "tot de heidenen gezonden" (Matt.1:21, Hand.4:12, 13:26,46, vgl.Hand.28:28).

Bovendien realiseerden de apostelen in Jeruzalem zich al spoedig dat, omdat Israel nu de opgestane, verheerlijkte Christus afwees, God Paulus had gekozen om redding te prediken aan de heidenen door Israels val, en in een plechtige overeenkomst gaven hun leiders aan Paulus en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, instemmende om hun bediening te beperken tot Israel, terwijl Paulus naar de heidenen zou gaan.

Paulus' bediening was niet slechts het begin van een ander programma gescheiden van de kerk te Jeruzalem. Het was de volgende stap in het programma van God, en tenzij we de ontwikkeling in het hele programma zien, missen we heel wat.

Deze ontwikkeling wordt het beste gedemonstreerd door enige van die gedeelten, die extreme bedelingsmensen gebruiken om te bewijzen dat Paulus' Handelingenbediening, "een Joodse koninkrijksbediening" was, de vervulling van het profetische programma. Wij behandelen enkele hiervan in de volgende pagina's.

ALZO HEEFT ONS DE HEERE GEBODEN

         "Maar Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende zeiden: Het was nodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie wij keren ons tot de heidenen.

"WANT ALZO HEEFT ONS DE HEERE GEBODEN; zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde" (Hand.13:46,47).

Vanwege Paulus' woorden: "want alzo heeft ons de Heere geboden" en zijn aanhaling uit een Oud Testamentische profetie, wordt er beweerd dat deze bediening van Paulus aan de heidenen, nog steeds het koninkrijk beoogde en op geen enkele wijze verbonden was met het geheimenis. Laat ons zien:

  Toen de Joden in Pisidisch Antiochië tegenspraken en lasterden "wat door Paulus gezegd werd", zeiden hij en Barnabas "met vrijmoedigheid":

       "Het was NODIG dat eerst tot u het Woord Gods gesproken werd".

Waarom was dit nodig? Het antwoord wordt gevonden in Petrus' woorden tot de menigte te Jeruzalem:

"Gijlieden zijt kinderen der profeten, en DES VERBONDS, HETWELK GOD MET ONZE VADEREN OPGERICHT HEEFT, zeggende tot Abraham: En in uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

"God opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven EERST TOT U gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden" (Hand.3:25,26).

Het grote verbond met Abraham garandeerde de zegening van de heidenen door Israel; daarvoor moest Israel eerst worden gered en gezegend. Het gehele profetische programma is gefundeerd op dit grote verbond.

Daarom zei onze Heere tot de Syro-Fenicische vrouw: "Laat eerst de kinderen verzadigd worden" (Mark.7:27). Daarom zei Hij tot de Samaritaanse vrouw: "want de zaligheid is uit de Joden" (Joh.4:22). Daarom gaf Hij de elf opdracht om hun bediening te beginnen in Jeruzalem (Luk.24:47, Hand.1:8). En let op: Petrus verklaart uitdrukkelijk, in Hand.3:25,26, dat God Christus had gezonden om eerst Israel te zegenen vanwege het verbond gemaakt met Abraham.

Zoals we hebben gezien, ging Paulus in het begin van zijn bediening eerst naar de Jood, bevestigende het feit  dat "Jezus is de Christus", en trachtende zijn hoorders tot persoonlijk geloof in Christus te brengen. Hij deed dit omdat God de vervulling van het verbond met Abraham nog niet officieel had uitgesteld. God strekte nog steeds Zijn handen uit naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. Hij zou hen niet achterlaten met enig excuus voor het afwijzen van de Messias. Maar laten we verder gaan met Paulus' verklaring aan de Joden in Antiochie:

Het was NODIG dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden: MAAR…."

Geeft dit "maar" niet aan dat er een verlating is van het geprofeteerde programma?

Let op dat het echter geen trouweloosheid van Gods kant was, maar hun eigen onwilligheid om de vervulling van Gods belofte te accepteren, die deze verandering in het programma veroorzaakte- een verandering die God Zich, voorkennis van alle dingen hebbende, overeenkomstig Zijn verborgen, eeuwige raad had voorgenomen.

"DOCH NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN DES EEUWIGEN LEVENS NIET WAARDIG OORDEELT, ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN".

Laat de lezer hier zorgvuldigen oprecht de volgende vragen beantwoorden: Wordt de redding hier tot de heidenen gezonden door Israels acceptatie van Christus, of door haar verwerping van Christus? Gaat het naar de heidenen op grond van het verbond met Abraham of door genade? Gaat het overeenkomstig profetie of geheimenis?

Er is maar één antwoord op deze vragen. Paulus in Pisidisch Antiochie verliet het profetische programma en begon iets te doen wat nog nooit was geprofeteerd, want de redding van de heidenen door Israels verwerping van Christus is nooit ergens voorspelt in de profetische Schriften ( zie Rom.11:11,12, 15,25).

Maar waarom, kan gevraagd worden , voegt Paulus dan toe:

"WANT ALZO HEEFT ONS DE HEERE GEBODEN ZEGGENDE: IK HEB U GESTELD TOT EEN LICHT DER HEIDENEN, OPDAT GIJ ZOUDT ZIJN TOT ZALIGHEID, TOT AAN HET UITERSTE DER AARDE" (Hand.13:47).

Paulus bedoelt hier niet dat de heidenen nu redding zullen ontvangen overeenkomstig het profetische programma, want we hebben reeds gezien dat het tegenovergestelde het geval is. De zegen van de heidenen door Israel zal moeten wachten tot een toekomstige dag.

De apostel geeft hier eenvoudig aan, dat God Christus "gestelt" had tot "een licht der heidenen" en "tot zaligheid tot aan het uiterste der aarde" en dat Hij het zo wilde hebben, ondanks Israel. Vanaf het ogenblik dat Israel weigerde om het zegenkanaal te zijn voor de volken, zegende God de volken nu direct door Christus, apart van Israel, en Paulus werd "bevolen" om dit feit te verkondigen.

GEEN ANDERE DINGEN

"Dan, hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beide klein en groot, NIETS (GEEN ANDERE DINGEN) zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou" (Hand.26:22).

Extreme bedelingsmensen hebben waarschijnlijk de bovenstaande passage, meer dan welke andere ook, gebruikt om hun "twee lichamen" theorie te bewijzen. Naar hun mening is deze passage een uitgesproken bewijs dat tot het einde van Handelingen, Paulus niets zou hebben gepredikt wat de profeten en Mozes niet reeds hadden voorzegd, zijn bediening daarmee geheel beperkend tot de verkondiging van Gods profetische plan. Dus in feite hebben zij een Paulus die "het evangelie der besnijdenis" predikt dat, naar zijn eigen getuigenis, niet aan hem, maar aan Petrus was toevertrouwd (Gal.2:7).

Het is duidelijk tegen de Schrift om vanuit Hand.26:22 te leren dat Paulus tot zo ver niets had onderwezen wat de profeten en Mozes niet reeds voorzegd hadden.

Zoals we hebben gezien, hadden de profeten noch Mozes iets voorzegd aangaande de redding van de heidenen door de val van Israel. Noch hadden zij "het evangelie der genade Gods" voorzegd, waarin noch besnijdenis, noch de wet enig deel van  zou uitmaken. Evenmin hadden zij ook maar enige aanwijzing gegeven dat Joden en heidenen door de Geest tot één lichaam zouden worden gedoopt. Evenmin hadden zij wat gezegd of ook maar iets geweten over gelovigen die zouden worden "opgenomen" in de hemel door "de Heere Zelf ". En toch werd dit alles verkondigd door Paulus vóór het einde van de Handelingenperiode (Rom.11:11,12, Hand.20:24, 1Kor.12:13, 1Thes.4:16,17).

En had Paulus niet duidelijk gesproken over "het geheimenis" en de daarmee verbonden "geheimenissen" in zijn eerste brieven? (Rom.11:25, 16:25, 1Cor.2:6,7, 4:1, 15:51). Is het geheimenis dan te vinden in de profetiën - dat wat "verborgen" en "geheim gehouden" was, in dat wat "bekend gemaakt" was?

Inderdaad, zelfs als we zouden moeten toegeven dat Paulus gedurende zijn hele Handelingenbediening het koninkrijk verkondigde, zou hij toch meer geleerd hebben dan "de profeten en Mozes gezegd hadden dat komen zou", want zelfs onder het evangelie van het koninkrijk sprak onze Heere over dingen die "verborgen waren van de grondlegging der wereld" (Matt.13:35); waarheden waarvan noch de profeten*/[1]noch Mozes hadden geweten.

Wat bedoelde Paulus dan, toen hij tot Agrippa zei dat hij tot die tijd had getuigd, "niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou"?

Het antwoord is eenvoudig als we verder lezen:

  "Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen aan dezen volke en aan den heidenen" (Hand.26:22,23).

Met andere woorden, Paulus' getuigenis dat Christus gestorven en opgestaan was, en dat Hij licht zou brengen aan Israel en de heidenen, was niets anders dan wat de profeten en Mozes gezegd hadden dat gebeuren zou, en wij lezen in de voorgaande contekst dat  omdat Paulus de opgestane Christus had gepredikt tot de Joden en "daarna tot de heidenen", de Joden hem nu zochten te doden.

Het antwoord is zo simpel als wat, en de verkeerde uitleg van deze eenvoudige passage toont aan hoeveel verwarring en schade kan ontstaan door het gebruik van een vers, met verontachtzaming van haar contekst.

DE HOOP VAN ISRAEL

 "...WANT VANWEGE DE HOPE ISRAELS BEN IK MET DEZE KETEN OMVANGEN" (Hand.28:20).

Het bovenstaande is een andere passage die extreme bedelingsmensen dikwijls gebruiken om te bewijzen dat Paulus' Handelingenbediening in de eerste plaats tot de Joden was en dat "Handelingen tot aan het eind handelt over het evangelie van het koninkrijk".

Maar wat bedoelt de apostel met "de hoop van Israel"? Bedoelt hij dat waarop Israel hoopte (d.w.z. het koninkrijk), of datgene wat haar reden gaf tot hoop (d.w.z. de opstanding)? Verwijst hij naar het onderwerp van hun verwachting of hun grond  hiervoor? Zij die de "twee lichamen" theorie leren concluderen ten gunste van de eerste. Zij zijn er zeker van dat Paulus de belofte van het koninkrijk bedoelde toen hij over de hoop van Israel sprak.

Maar zij zijn fout. Paulus werd niet gevangen gezet wegens de verkondiging van Israels koninkrijksbeloften. De Joden hadden hem zo bitter tegengestaan vanwege de prediking tot de heidenen van de opgestane Christus, die zij afwezen, terwijl Petrus, die de koninkrijksbeloften vertegenwoordigde, en nog steeds probeerde om Israel aan de voeten van de Messias te brengen, vrij te Jeruzalem verbleef.

Het belangrijke punt van Paulus' verklaring hier is dat de waarheid van de opstanding van Christus, die de Joden zo vreesden en haatten, en die nu houvast kreeg onder de heidenen, feitelijk "de hoop van Israel" was.

De hoop van Israel is de opgestane Christus. Dank God, ter wille van Israel, dat de Sadduceën zo volkomen verkeerd bleken te zijn toen zij probeerden zichzelf en anderen te overtuigen dat de opstanding van Christus een onmogelijkheid en desillusie was; dat Christus dood was.

Was dat waar geweest, dan  zou Israel voor altijd zonder hoop geweest zijn. Zouden zij beter af zijn dan de volgelingen van Boedha of Mohammed met de Enige Die haar mogelijke Messias had kunnen zijn dood in een graf?

Welke andere hoop is er voor Israel? Zou er een andere zoon van David, aan hem gelijk, kunnen opstaan? Kon hij tijdig opstaan om de tijdprofetiën van het Oude Testament te vervullen? En als hij dat zou kunnen, zou dat betekenen dat hij ook eerst zou moeten worden "uitgeroeid", zoals Daniël had voorzegd (Dan.9:26), voordat hij zijn volk van zijn vijanden zou bevrijden?

Om de Hebreeuwse Geschriften aangaande de Messias te laten kloppen, zou zo iemand hebben moeten lijden, sterven, weer opstaan en naar de hemel opvaren voordat hij zou komen in kracht en glorie om te regeren. Maar het is nu te laat om dat  te bespreken, want geen messias kon verschijnen in de voorspelde tijd, of ja zelfs worden geidentificeerd als de zoon van David. Nee, als de Christus die Israel negentien honderd jaren geleden kruisigde, niet is opgestaan en nu niet leeft, dan is Israel totaal en voor eeuwig zonder hoop.

Dat dit het was dat Paulus in gedachten had toen hij zei dat hij omvangen was met een keten vanwege de hope Israels is duidelijk uit andere gedeelten in Handelingen over hetzelfde onderwerp.

In Hand.5:31 b.v. vinden we Petrus die verwijst naar de opstanding van Christus als Israels hoop:

"Dezen heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving der zonden."

Paulus had natuurlijk een verdere openbaring betreffende de opgestane Christus, en verkondigde Hem als Redder zowel van Jood als van heiden - als de hoop van de gevallen mensheid. Dit kwetste de jaloerse Joden. Niettemin hield Paulus vol, dat de opgestane Christus ook de hoop van zijn volk was.

In Hand.23:6 vinden we Paulus voor de Joodse Raad:

"En  Paulus wetende, dat het ene deel was van de sadduceeën, en het andere van de farizeeën, riep hij in den Raad: Mannen broeders, ik ben een farizeeër, eens farizeeers zoon; IK WORD OVER DE HOOP EN OPSTANDING DER DODEN GEOORDEELD".

Let wel dat het om "de hoop en opstanding der doden" was dat hij werd "geoordeeld", en let op het verband met de tekst: "vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen" (Hand. 28:20).

In Hand.24:14,15 is opnieuw de opstanding het punt waarom het gaat:

"Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is,

"HEBBENDE HOOP OP GOD,  WELKE DEZEN OOK ZELVEN VERWACHTEN, DAT ER EEN OPSTANDING DER DODEN WEZEN ZAL, BEIDE DER RECHTVAARDIGEN EN DER ONRECHTVAARDIGEN."

In Hand.26:6-8 is zijn argument opnieuw hetzelfde. Daar staat hij voor Agrippa en geeft nauwkeurig aan waarom hij wordt geoordeeld:

"En nu sta ik en WORD GEOORDEELD OVER DE HOOP DER BELOFTE, DIE VAN GOD TOT DE VADEREN GESCHIED IS;

"Tot  dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; OVER WELKE HOOP IK, O KONING AGRIPPA, VAN DE JODEN WORD BESCHULDIGD.

"WAT? WORDT HET BIJ ULIEDEN ONGELOOFLIJK GEOORDEELD, DAT GOD DE DODEN OPWEKT?".

Let hier goed op dat de belofte waar hier naar verwezen wordt die van de zegening van het koninkrijk was, terwijl "de hoop van de belofte" de opstanding van Christus was, die het fundament was van Paulus' boodschap. Over welke hoop Paulus werd "beschuldigd door de Joden". Daarom kon Paulus tot de Joodse leiders in Rome zeggen: "Want vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen".

Dat dit in feite de oorzaak was dat Paulus "werd beschuldigd" en "aangeklaagd" en "geoordeeld" en "met deze keten omvangen" werd zelfs door Festus bevetigd toen hij Agrippa informeerde als Paulus voor hem werd gebracht dat de Joden "geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde":

"Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren JEZUS, DIE GESTORVEN WAS, WELKEN PAULUS ZEIDE TE LEVEN (Hand.25:18,19).

Dus in het boek Handelingen alleen al hebben we overtuigend bewijs wat betreft het speciale punt van de kwestie tussen Paulus en degenen die hem "met deze keten hadden omvangen". En dat punt was niet zijn verkondiging van de koninkrijksbeloften, maar zijn andere en krachtige verkondiging van de opstanding van Christus, die hij volhield te zijn, "de hoop van Israel". Indien deze feiten tijdig waren opgemerkt bij het herontdekken van Paulus' boodschap dan had veel verwarring door extremisme vermeden kunnen worden.

GELIJK GESCHREVEN IS

Voor wat betreft dit punt zou ook aandacht gegeven moeten worden aan Romeinen 15:8-16 waar, nadat er op gewezen is dat "gelijk geschreven is" (vers 9) "en wederom" (vers 10) "en wederom" (vers 11) "en wederom" (vers 12) dat de heidenen gered moesten worden, de apostel Paulus er op wijst dat God hem heeft aangewezen om "een dienaar van Jezus Christus te zijn onder de heidenen" (vers 16).

Maar, zoals in Hand.13:46,47, vinden we hier eenvoudig opnieuw de relatie tussen profetie en het geheimenis.

Het was inderdaad geprofeteerd dat de heidenen op een dag zich samen met Gods volk Israel zouden verblijden. Maar, zoals Paulus aan de Romeinen verklaart, wees Israel zelf Christus af. Hoe konden de heidenen dan door haar gezegend worden? Vanwege deze moeilijkheid spoort de apostel de heidenen te Rome aan :

"DE GOD NU DER HOOP VERVULLE ULIEDEN MET ALLE BLIJDSCHAP EN VREDE IN HET GELOVEN, OPDAT GIJ OVERVLOEDIG MOOGT ZIJN IN DE HOOP, DOOR DE KRACHT DES HEILIGEN GEESTES" (Rom.15:13).

En dan spreekt de apostel vrijmoedig, niet als uitlegging van de zo juist aangehaalde Schriften, maar om zijn autoriteit als apostel van Jezus Christus te verklaren:

"Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als WEDEROM DIT INDACHTIG MAKENDE, OM DE GENADE DIE MIJ VAN GOD GEGEVEN IS,

"OPDAT IK EEN DIENAAR VAN JEZUS CHRISTUS ZIJ ONDER DE HEIDENEN, het Evangelie Gods bedienende, OPDAT DE OFFERANDE DER HEIDENEN AANGENAAM WORDE, GEHEILIGD DOOR DEN HEILIGEN GEEST" (Rom.15:15,16).

Hier zien we God opnieuw redding zenden aan de heidenen, niet op de manier zoals beschreven in de profetie, maar deze niettegenstaande zendende. Met andere woorden zouden we het argument van de apostel aldus kunnen omschrijven:

"Dat de heidenen God zouden verheerlijken voor Zijn barmhartigheid is steeds telkens weer  beschreven. Gij zegt dat Israel, door wie de zegening zou komen, Christus afwees? Vertrouw en wees dan juist verheugd in God, en laat mij vrijmoedig spreken en u herinneren aan de genade die mij gegeven is, dat ik de dienaar zou zijn van Jezus Christus voor de heidenen. En dat mijn offer van de heidenen aangenaam zal zijn voor God, want het wordt geheiligd door de Heilige Geest."

Wat een mooi gedeelte is dit! Zij die het plan van God willen verstaan zouden het steeds weer en weer moeten lezen totdat de gezegende waarheid ervan ten volle is begrepen.

ERFGENAMEN OVEREENKOMSTIG DE BELOFTE

Een laatste woord in dit verband geschreven aan hen die struikelen over uitdrukkingen als "Abrahams zaad" en "erfgenamen naar de belofte", toegepast op gelovigen uit de heidenen in de eerste brieven van Paulus:

Is Christus niet Abrahams zaad? Zijn wij geen leden van Christus? Zijn wij geen medeërfgenamen van alle dingen in Hem? Waarlijk, wij werden erfgenamen door Gods verborgen, eeuwige plan, toen de belofte scheen te hebben gefaald, maar het feit blijft dat wij heidenen erfgenamen geworden zijn.*/[2]

Bovendien zijn we erfgenamen geworden "overeenkomstig de belofte", want de belofte was aan Abraham en zijn zaad, en wij, zijnde in Christus, zijn inderdaad Abrahams zaad. Zo werd Israel, op wie de belofte van toepassing was, geen erfgenaam, terwijl wij, de leden van een verborgen, niet geprofeteerd lichaam erfgenamen zijn geworden in Christus. Dit doet echter de gemaakte beloften niet teniet aan het volk, Abrahams natuurlijke zaad.

Zij die over zulke uitdrukkingen als deze struikelen, zullen zeker moeite hebben met veel uitdrukkingen in Paulus latere brieven, waar we lezen dat wij zijn "verzegeld met de Heilige Geest der belofte" en "mededeelgenoten Zijner belofte in Christus door het Evangelie" (Ef.1:13, 3:6, vgl.Gal.3:14,22,29). Maar deze gedeelten zijn geen struikelblok wanneer we goed letten op de relatie tussen profetie en het geheimenis.

      VRAGEN

1.        Geef drie aanwijzingen dat het apostelschap van Paulus, vanaf het begin, onderscheiden was van dat van de twaalf.

2.        Welk verband was er tussen hun bedieningen?

3.        Bij welk plechtig verbond tussen de apostelen te Jeruzalem en Paulus, worden beide zowel het verschil als het verband benadrukt?

4.        Noem drie Schriftgedeelten die veel gebruikt worden door extreme bedelingsmensen om te bewijzen dat Paulus het geheimenis niet eerder gepredikt heeft dan na Handelingen 28.

5.        Waarom was het "nodig" om het Woord van God eerst aan de Joden te prediken?

6.        Hoe reageerden de Joden in Antiochië in Pisidie toen Paulus hun het eerst het Woord van God bracht?

7.        Wat deed Paulus toen? 

8.        Was dit overeenkomstig de profetie of overeenkomstig het geheimenis?

9.        Noem drie niet geprofeteerde waarheden verkondigd door Paulus  vóór Handelingen 28.

10.      Wat had hij gepredikt dat in volstrekte overeenkomst was met wat de profeten en Mozes hadden gezegd dat gebeuren zou?

11.      Wat is "de hoop van Israel"?

12.      Leg het verschil uit tussen "de belofte door God gedaan aan de vaderen" en "de hoop der belofte...".

13.      Werd Paulus gevangen gezet wegens verkondiging van de belofte of van de hoop?

14.      Had de Oud Testamentische profetie de redding van de heidenen voorzegd?

15.      Had het de redding van de heidenen door de val van Israel voorzegd?

16.      Heeft God redding tot de heidenen gezonden?

17.      Heeft Hij dit gezonden op de wijze zoals voorzegd in de profetie?

18.      Zond Hij het door de twaalf, onder de "grote opdracht"?

19.      Zond Hij het in verband met Israels opstanding of val?

20.      In welke zin zijn gelovigen vandaag Abrahams zaad en erfgenamen overeenkomstig de belofte?


    [1]*/Voetnoot: Het is waar, dat onze Heere Zelf een profeet was, maar Paulus verwijst duidelijk naar de profeten waarin Agrippa geloofde (Hand.26:27).

    [2]*/Voetnoot: Wij  erven echter Christus niet vanwege beloften, maar erven juist de beloften, en "alle dingen", door Christus.