|
H O O F D S T U K XIII
HET BEGIN VAN
PAULUS
BEDIENING
EEN BEDELINGSPROBLEEM Het begin van Paulus bediening heeft vele ijverige en
ernstige Bijbelstudenten bezig gehouden. Zij zien duidelijk waar zijn bediening toe
leidde. Zij verheugen zich in zijn zuivere boodschap van genade. Zij
begrijpen ten volle dat waterdoop en de Pinkstertekenen geen plaats meer
hebben in het lichaam van Christus evenals de besnijdenis en de wet, maar zij
zijn verbaasd, om niet te zeggen teleurgesteld bij de ontdekking dat
besnijdenis, doop en wondertekenen, alle door Paulus werden uitgeoefend
tijdens zijn vroege bediening zoals in het boek Handelingen wordt weergegeven.
EEN FOUTIEVE UITLEG Dit probleem heeft ertoe geleid dat sommigen
veronderstellen, dat het geheimenis niet eerder aan Paulus werd geopenbaard
dan tijdens zijn Romeinse gevangenschap, en dat "het lichaam van
Christus", de gemeente van deze tijd, historisch pas begon na Handelingen
28:28. Maar deze extreme conclusie is net zo onschriftuurlijk als
degene die Pinksteren ziet als het historisch begin van het lichaam, want we
lezen duidelijk over het geheimenis en het lichaam van Christus in Paulus' eerste brieven, geschreven vóór Handelingen 28, zowel als in die
erna geschreven zijn (Rom.16:25, 1Cor.2:7, Rom.12:5, 1Cor.12:12,13,27 etc.).
Dit feit heeft inderdaad hen die het lichaam dateren vanaf Handelingen 28 tot
de conclusie gebracht dat er twee
lichamen moeten zijn, - dat "het lichaam van Christus", waarvan
Paulus spreekt in Romeinen en 1Corinthiërs, een ander is dan "het
lichaam van Christus" waar zijn latere brieven naar verwijzen. Zij moeten, om zo te zeggen, tot deze conclusie zijn gebracht,
want zo'n uitleg is, op zijn minst geforceerd en onnatuurlijk. Wij kunnen het
niet helpen, maar hebben het gevoel dat zulke theorieën vreemd moeten
klinken, zelfs voor hen die ze brengen, en ze zouden aanleiding moeten
zijn om hun uitgangspunten opnieuw te onderzoeken, want een verkeerde
vooropstelling leidt zeker tot verkeerde conclusies. Het is zeker dat de
theorie van de "twee lichamen" tot de meest extreme en
onschriftuurlijke conclusies leidt. Iemand die deze theorie brengt, schrijft dat "aangezien
Paulus' bediening allereerst tot de Joden was gedurende de Handelingen, het
met zijn brieven, geschreven gedurende diezelfde tijd,niet anders kon zijn
." Zulke verklaringen zijn door en door onschriftuurlijk als
dat ze buitensporig zijn, want de Schrift maakt het glashelder dat zijn vroege
bediening en zijn eerste brieven allereerst
gericht waren aan de heidenen, niet
aan de Joden. PAULUS'
HANDELINGENBEDIENING In Hand. 22:18,21 vertelt Paulus hoe, bij zijn eerste
terugkeer naar Jeruzalem na zijn bekering, de Heere aan Hem had geopenbaard
dat zijn getuigenis daar niet zou worden aangenomen en hij naar de heidenen
zou worden gezonden: "en dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u, en
ga inderhaast uit Jeruzalem, want ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET
AANNEMEN." "En Hij zeide tot mij: Ga heen, want IK ZAL U VER TOT
DE HEIDENEN AFZENDEN." En het verhaal van zijn bediening van toen af aan is
daarmee in volkomen harmonie. "...ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN. WANT ALZO
HEEFT ONS DE HEERE GEBODEN..." (Hand.13:46,47).
"Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden
door Fenicië en Samaria, VERHALENDE DE BEKERING DER HEIDENEN..."
(Hand.15:3). "...EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN
HEENGAAN" (Hand.18:6). "En den volgende dag ging Paulus met ons in tot
Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. "En als hij hen gegroet
had, VERHAALDE HIJ VAN STUK TOT STUK, WAT GOD ONDER DE HEIDENEN DOOR ZIJN
DIENST GEDAAN HAD." (Hand.21:18,19). PAULUS'
VROEGE BRIEVEN Wanneer we de vroege brieven van Paulus vergelijken
met het latere deel van het boek Handelingen (de periode waarin zij werden
geschreven) blijft het beeld hetzelfde: "WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN, VOOR ZOVEEL IK DER
HEIDENEN APOSTEL BEN, IK MAAK MIJN BEDIENING HEERLIJK." (Rom.11:13). "GIJ WEET, DAT GIJ HEIDENEN WAART, TOT DE STOMME
AFGODEN HEENGETROKKEN..." (1Cor.12:2). "Maar wanneer het Gode behaagd heeft...Zijn Zoon in
mij te openbaren, OPDAT IK DENZELVE DOOR HET EVANGELIE ONDER DE HEIDENEN ZOU
VERKONDIGEN..." (Gal.1:15,16). "Maar toen, als gij God niet kendet, DIENDET GIJ
DEGENEN DIE VAN NATURE GEEN GODEN ZIJN." (Gal.4:8). "Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der
gemeenten Gods die in Judea zijn in Christus Jezus; DEWIJL OOK GIJ HETZELFDE
GELEDEN HEBT VAN UW EIGEN MEDEBURGERS, GELIJK
ALS ZIJ VAN DE JODEN." (1Thess.2:14). Stel je de bewering voor dat, in het licht van deze
Schriftplaatsen, Paulus' vroege brieven allereerst voor de Joden geschreven
waren! Deze aanhalingen uit Handelingen en de vroege brieven bewijzen
overtuigend dat Paulus' vroege bediening allereerst tot de heidenen en niet
eerst tot de Joden was. Het is waar dat hij eerst tot de Joden ging, maar dat
is een heel andere zaak. En hierin ligt de oplossing van het probleem van
Paulus' vroege bediening. DE OPLOSSING Wij vrezen dat er is een belangrijk feit is dat onze
"twee lichamen" broeders over het hoofd hebben gezien. Paulus ging eerst tot de Jood, niet
omdat het er op leek dat Israel toch nog Christus als haar Koning zou
accepteren, maar eenvoudig omdat God haar geen excuus wilde overlaten voor het
afwijzen van de Messias. Paulus bevestigde Petrus' boodschap en betuigde overal
sterk met de Joden, dat "Jezus is
de Christus". Wonderen vergezelde deze overtuigingsbediening -
inderdaad grotere wonderen dan Petrus zelf had gedaan, maar in tegenstelling
tot Petrus, bood Paulus nimmer aan Israel het koninkrijk aan. Zoals we hebben gezien, wilde Paulus, net als de twaalf,
zijn bediening starten vanuit Jeruzalem, de hoofdstad van Israel, maar de
Heere Zelf verscheen aan hem, en stond er op dat hij onmiddelijk Jeruzalem zou
verlaten. Op dat tijdstip deed de Heere twee zeer belangrijke uitspraken aan
Paulus: 1. "ZIJ ZULLEN HET GETUIGENIS VAN U AANGAANDE MIJ NIET
AANNEMEN." 2. "IK
ZAL U VER TOT DE HEIDENEN AFZENDEN." Wat deed God hier? Hij besloot Israel in ongeloof en
ongehoorzaamheid en riep toen reeds Paulus tot apostel der heidenen. De nationale opstand had zulke afmetingen aangenomen, dat "een grote vervolging" ontstond tegen de gemeente te
Jeruzalem. Paulus, die kort tevoren de leider van de vervolging was geweest,
denkt nu dat wellicht zijn getuigenis
het tij zal doen keren (Hand.22:19-21). Maar God weet beter. Hij weet dat de
crisis in Israels geschiedenis bereikt is. Hen overtuigen zal nutteloos
zijn.De redding zal nu tot de heidenen worden gezonden, niet door Israel, maar ondanks
Israel, en Paulus zelf is voor dit doel uitgekozen. Deze gebeurtenis in Paulus' vroege ervaring als christen,
dient te worden gezien in het licht van drie belangrijke Schriftplaatsen: "...WANT
ALS HUN VERWERPING DE VERZOENING IS DER WERELD..." (Rom.11:15).
"WANT GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID BESLOTEN, OPDAT HIJ
HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN." (Rom.11:32). "EN OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN ÉÉN LICHAAM ZOU
VERZOENEN DOOR HET KRUIS..." (Ef.2:16). Natuurlijk werd Gods genadige plan
met de verwerping van Israel slechts na verloop van tijd geopenbaard,
aangezien God haar geleidelijk terzijde
stelde. De volheid hiervan wordt pas ontvouwd in de latere brieven, waar Paulus
bidt dat gelovigen wijsheid en geestelijk verstand mogen ontvangen om dit te
begrijpen. Maar de verzoening van gelovige Joden en heidenen met God in één
lichaam, de zegening van de heidenen door de val van Israel, begon aanzienlijk eerder, vóór het slot van het
boek Handelingen. PETRUS,
PAULUS EN ISRAEL Eén feit moet zelfs de oppervlakkige beschouwer duidelijk
zijn: de bediening van Petrus verwachtte vast en zeker Israels aanname
van de Messias (Hand.1:6, 2:30,38,39, 3:17-26), maar Paulus'
veronderstelde net zo even zeker Israels blijvende afwijzing
van de Messias. In feite was hij door God geroepen met het oog op Israel's afwijzing van Christus, want Gods antwoord
op de steniging van Stefanus en de verschrikkelijke vervolging uit Hand.8:1-3
was de redding van Saulus, de voornaamste vervolger en leider van de opstand. Welk
een onmetelijk grote genade! Zij die
vasthouden aan de bovengenoemde extreme standpunten, merken verder op, dat
"de zegening van de heidenen (in
Handelingen) afhankelijk is van de verwezenlijking van de aan de Joden
beloofde zegen". Dit was waar voor de bediening van Petrus, zoals
Hand.3:25,26 aangeeft, maar juist het tegendeel was waar voor de bediening van
Paulus. Alleen Hand.13:46 lost dit op.
Zonder verbeelding kunnen we hier concluderen dat de heidenen werden gezegend
door de verwezenlijking van Israels zegeningen. De heidenen daarentegen werden
gezegend omdat de Joden het Woord van God hadden afgewezen.
"...ZIET, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN." Dit alles bewijst ons oorspronkelijke standpunt dat, waar
Petrus' bediening te maken had met de
zegening van de heidenen door de verrijzenis
van Israel, de bediening van Paulus te maken had met de zegening van de
heidenen door de val van Israel.
Het eerste betreft profetie, het
tweede het geheimenis. Is het correct om van Israels "voorrang" te
spreken gedurende de latere Handelingenperiode? Romeinen 11 maakt duidelijk
dat Israels lot reeds vóór Handelingen 28 was beslist*/[1], alhoewel het vonnis nog
niet officieel was uitgesproken. "HETGEEN ISRAEL ZOEKT, DAT HEEFT HET NIET VERKREGEN;
MAAR DE UITVERKORENEN HEBBEN HET VERKREGEN, EN DE ANDEREN ZIJN VERHARD
GEWORDEN...DE VAL...HUN VAL...HUN VERMINDERING...OF IK ENIGSZINS ENIGEN UIT
HEN BEHOUDEN MOCHT...HUN VERWERPING... VERHARDING VOOR EEN DEEL OVER ISRAEL,
TOTDAT DE VOLHEID VAN DE HEIDENEN ZAL INGEGAAN ZIJN...ZIJ ZIJN WEL
VIJANDEN...GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID BESLOTEN..."(Rom.11:7-32). Vóór het martelaarschap van Stefanus beloofde Petrus de
terugkeer van Christus naar de aarde, op voorwaarde van Israels bekering. Na
Stefanus verwekte God Paulus, die
nimmer dit aanbod heeft gedaan. Het boek Handelingen is de geschiedenis
van de val van Israel, en de steniging van Stefanus kenmerkt de crisis.
EERST DE JOOD Maar
wat doen we met de bekende uitspraak van Paulus in Romeinen 1:16?: "WANT IK
SCHAAM MIJ VOOR HET EVANGELIE VAN CHRISTUS NIET, WANT HET IS EEN KRACHT GODS
TOT ZALIGHEID EEN IEGELIJK DIE GELOOFT, EERST DEN JOOD, EN OOK DEN
GRIEK." Velen hebben de kern van dit gedeelte gemist door dit ene
vers uit zijn contekst te halen. Zij hebben er Paulus' verdediging van gemaakt
om eerst naar de Joden te gaan, terwijl hij in werkelijkheid in dit gedeelte
zijn bediening onder de heidenen verdedigd. Laten we eens zien: In overeenstemming het profetische plan had onze Heere de
apostelen geïnstrueerd om alle volken tot Zijn discipelen te maken, "te beginnen bij Jeruzalem" (Matt.28:19,vgl.Luk.24:47). De twaalf apostelen begonnen hun werk daar, Petrus
verklaarde aan de "mannen van Israel" in Jeruzalem's tempel: "Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds,
hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham zei: EN IN
UW ZAAD ZULLEN ALLE GESLACHTEN DER AARDE GEZEGEND WORDEN. "God opgewekt
hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven EERST TOT U gezonden, dat Hij
ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw
boosheden." (Hand.3:25,26). Hand.11:19 maakt het verder duidelijk dat, totdat Petrus
naar Cornelius gezonden werd, zelfs de verstrooide discipelen
"tot niemand het Woord
spraken dan alleen tot de Joden". Israel moest het kanaal van zegen
zijn voor de gehele wereld. De apostelen zochten ernstig om het uitverkoren volk aan
de voeten van de Messias te brengen, maar-
"MAAR TEGEN ISRAEL ZEGT HIJ: DEN GEHELEN DAG HEB IK
MIJN HANDEN UITGESTREKT TOT EEN ONGEHOORZAAM EN TEGENSPREKEND VOLK." (Rom.10:21). Het evangelie was eerst naar de Jood gegaan en was
afgewezen, maar God wilde niet dat Israel in de weg zou staan bij de zegening
van de heidenen, dus begon Hij Israel terzijde te stellen, en Paulus op te
wekken om niettegenstaande het goede nieuws naar de heidenen te brengen. Stel Petrus' "eerst tot u" te Jeruzalem
tegenover Paulus' "eerst tot u" te Antiochië, waar hij tot de Joden
zegt: "HET WAS NODIG DAT EERST TOT U HET WOORD GODS
GESPROKEN ZOU WORDEN; DOCH
NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN DES EEUWIGEN LEVENS NIET WAARDIG
OORDEELT, ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN." (Hand.13:46).
Dit
alles werpt duidelijk licht op Romeinen 1:16. Paulus beweert hier op geen enkele manier dat het
evangelie voort moest gaan eerst
aan de Joden te worden verkondigd, anders zou Rom.10:12,13 worden
tegengesproken, dat zegt: "WANT ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN
GRIEK; WANT EENZELFDE IS HEERE VAN ALLEN, RIJK ZIJNDE OVER ALLEN DIE HEM
AANROEPEN. "WANT EEN IEGELIJK DIE DEN NAAM DES HEEREN ZAL AANROEPEN, ZAL
ZALIG WORDEN." Rom.11:7 en 25 zouden genoeg moeten zijn om ons te
overtuigen dat Paulus op dat moment begreep dat God het volk Israel had
opgegeven en dat er reeds een rechterlijke blindheid over hen gekomen was. Als hij zijn brief aan de Romeinen begint, voert hij dan
ook zijn verantwoordelijkheid aan om ook
naar de heidenen te gaan. Let op
de nadruk in dit hele gedeelte: "...OPDAT IK OOK ONDER U ENIGE VRUCHT ZOU HEBBEN,
GELIJK ALS OOK ONDER DE ANDERE HEIDENEN. "BEIDE GRIEKEN EN BARBAREN, BEIDE WIJZEN EN ONWIJZEN
BEN IK EEN SCHULDENAAR (hij noemt zelfs de Joden hier niet)." "ALZO HETGEEN IN MIJ IS, DAT IS VOLVAARDIG OM U OOK,
DIE TE ROME ZIJT, HET EVANGELIE TE VERKONDIGEN. "WANT IK SCHAAM MIJ HET EVANGELIE VAN CHRISTUS NIET,
WANT HET IS EEN KRACHT GODS TOT ZALIGHEID EEN IEGELIJK DIE GELOOFT, EERST DEN
JOOD, EN OOK DEN GRIEK" (Rom.1:13-16). Zijn argument hier is duidelijk dat hij zich niet schaamt
om naar de heidenen te Rome te gaan met het evangelie, omdat het de kracht Gods
is tot zaligheid een iegelijk die
gelooft. Gods goede nieuws aangaande Christus was
reeds eerst tot de Jood gezonden, maar nu werd het, door Paulus, ook tot
de heidenen gezonden, en Paulus was bereid, zo veel als in hem was, het "ook
tot hen in Rome" te prediken. Wanneer Rom.1:16 zo wordt beschouwd in het licht van de
contekst, komen wij op geen enkele manier in conflict met de rest van de
Romeinenbrief. Zij die dit gedeelte gebruiken om de voorrang van de Joden te
leren, missen één van de fundamentele lessen van het boek Romeinen: dat er
niet langer enig verschil bestaat in Gods ogen tussen de Jood en de heiden, en
dat beiden op dezelfde manier tot God moeten naderen als gevallen zonen van
Adam. Het belangrijkste motief voor zending onder de Joden in
deze tijd van genade is aan ons gegeven, niet in Rom.1:16, maar in Rom.11:30-33: "WANT GELIJKERWIJS OOK GIJLIEDEN EERTIJDS GODE
ONGEHOORZAAM GEWEEST ZIJT, MAAR NU BARMHARTIGHEID VERKREGEN HEBT DOOR DE
ONGEHOORZAAMHEID VAN DEZEN (ISRAEL), "ALZO ZIJN OOK DEZEN NU ONGEHOORZAAM GEWEEST, OPDAT
OOK ZIJ DOOR UW BARMHARTIGHEID ZOUDEN BARMHARTIGHEID VERKRIJGEN. "WANT GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID
BESLOTEN, OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN. "O, DIEPTE DES RIJKDOMS, BEIDE DER WIJSHEID EN DER
KENNIS GODS, HOE ONDOORZOEKELIJK ZIJN ZIJN OORDELEN, EN ONNASPEURLIJK ZIJN
WEGEN!"
DE GELEIDELIJKE ONTHULLING VAN
HET GEHEIMENIS De kwestie van de vroege bediening van Paulus is
belangrijk om het geheimenis te kunnen verstaan. Er zijn sommigen die overal
verschillen zien, maar zij zien niet de koers, de voortgang, de ontwikkeling
in de onthulling van Gods wonderbare plan. Zij zien niet hoe God alles overzag
en Zijn geheime, eeuwige plan ontvouwde, toen het er op leek dat het
profetisch doel had gefaald en de zegening ontgaan zou aan de heidenen door
Israels ongeloof. Toen Hij Zijn geheime, eeuwige doel van genade ontvouwde,
dat te zelfder tijd verklaarde hoe, en hoe alleen, het profetisch doel
tenslotte kon, en zou worden vervuld, hoe inderdaad elke zondaar ooit was, of
kon worden gered. Dit is het verschil tussen "het evangelie", en
"de verborgenheid (of geheimenis) van het evangelie". Wanneer we dit
zien, dan roepen wij met de Psalmist, "Zeker,
de toorn van de mens zal U prijzen; en wat rest van de toorn zult Gij
weerleggen!" Was het geheimenis aan Paulus bekendgemaakt in één
enkele openbaring of in een reeks openbaringen? Laat ons zien wat de Schrift
hierover te zeggen heeft: "Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe
ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen,
BEIDE DIE GIJ GEZIEN HEBT EN IN WELKE IK U NOG ZAL VERSCHIJNEN"
(Hand.26:16). "En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem
wedergekeerd was en in den tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen
was "EN DAT IK HEM ZAG, EN HIJ TOT MIJ ZEIDE..." (Hand.22:17,18) "...WANT IK ZAL KOMEN TOT GEZICHTEN EN OPENBARINGEN
DES HEEREN" (2Cor.12:1). "En opdat ik mij door DE UITNEMENDHEID DER
OPENBARINGEN niet zou verheffen, is mij gegeven een scherpe doorn in het
vlees..." (2Cor.12:7). Ongetwijfeld ontving en gaf Paulus één grote omvangrijke
waarheid geleidelijk door, anders zou zijn
uitspraak, "mijn evangelie"*/[2],
en onze uitspraak, "de aparte
bediening van Paulus" geheel misleidend zijn, maar het werd alles bekend
gemaakt door "de openbaring van Jezus Christus" aan Paulus. In alle
gevallen zag Paulus de Heere Zelf. Aldus verdween het oude programma geleidelijk, daar het
nieuwe haar plaats innam. Er was ontwikkeling in de aan Paulus gegeven
openbaring, zowel als in de historische onthulling van Gods geheime plan. God
riep Paulus op voor ÉÉN groot doel, om geleidelijk ÉÉN grote nieuwe
boodschap bekend te maken, niettegenstaande bevestigde zijn boodschap de
boodschap van Petrus en de elven betreffende Christus en
sprak deze op geen enkele manier tegen. Er was een tijd dat de schrijver het geheimenis zag als
een speciaal punt in de prediking van Paulus, maar nu, God zij dank, ziet hij
het als ÉÉN grote, geweldige boodschap, waarvan de omvang onuitsprekelijk
kostbaar is. Wij zouden onze "twee lichamen" broeders willen
vragen om het volgende probleem te bezien: Wij zijn het erover eens dat God een geopenbaard,
geprofeteerd plan had. Wij zijn het er ook over eens dat Hij ook een verborgen,
eeuwig plan had dat de sleutel was tot de vervulling van het geprofeteerde
plan. Had Hij nog een ander plan - een soort buffer
tussen deze twee? Of had Hij verscheidene niet verwante plannen? Wat was
Paulus' boodschap gedurende zijn vroege bediening? Was dat het
evangelie van het koninkrijk? Zeer zeker niet. Was het het evangelie van de
besnijdenis? Dit zou Gal.2:7 tegenspreken. Wat was het dan? Het was "het
evangelie van de Onbesnedenen (voorhuid)", "het evangelie van de
genade Gods" en deze kunnen niet losgemaakt worden van het
geheimenis. "Om deze oorzaak ben ik, Paulus, de gevangene van
Christus Jezus voor u, die heidenen zijt. "INDIEN GIJ MAAR GEHOORD HEBT VAN DE BEDELING DER
GENADE GODS, DIE MIJ GEGEVEN IS AAN U. "DAT HIJ MIJ DOOR OPENBARING HEEFT BEKENDGEMAAKT DEZE
VERBORGENHEID..." (Ef.3:1-3). Het is geheel ongegrond om te veronderstellen dat Paulus
"een speciale tijdelijke bediening" had gedurende de
Handelingenperiode, want het is gedurende
de Handelingenperiode dat hij zijn verlangen uitspreekt: "...OPDAT IK MIJN LOOP MET BLIJDSCHAP MAG VOLBRENGEN
(Hier kijkt hij vooruit naar het einde van zijn bediening), EN DEN DIENST
WELKEN IK VAN DEN HEERE JEZUS ONTVANGEN HEB, (Hier kijkt hij terug naar het
begin), OM TE BETUIGEN HET EVANGELIE DER GENADE GODS" (Hand.20:24). Wat wij eenvoudig moeten erkennen is dat Paulus werd gered
onder de oude bedeling waarvan hij geleidelijk afstand nam. Daarom was het
voor hem juist en verenigbaar met de dingen die hij deed vóór Handelingen 28
maar die in tegenspraak zouden zijn geweest met de wil van God na Handelingen
28. Maar het is meer dan ongegrond - het is in duidelijke
tegenspraak met de Schrift - om te leren dat Paulus de openbaring van het
geheimenis kreeg in de gevangenis te Rome, en dat deze veronderstelde
openbaring in plaats kwam van zijn andere openbaringen en het
historische begin aangaf van het lichaam van Christus waarvan wij leden
zijn. Het feit dat wij reeds hebben gezien, dat er naar "het
geheimenis" en "het lichaam van Christus" wordt verwezen en
beiden uitvoerig worden behandeld in de vroege brieven van Paulus,
bestempeld deze leer als geheel onschriftuurlijk, evenals ook het feit
dat de apostel in zijn latere brieven
nadrukkelijk verklaart dat hij in de gevangenis is VANWEGE het geheimenis (Ef.6:20,
Kol.4:3). Door een extreme bedelingenaanhanger is opgemerkt dat er
in Handelingen 21 twee groepen te onderscheiden zijn: - "
de Joden die geloven" en "
de heidenen die geloven", terwijl in het lichaam van Christus dit
onderscheid verdwijnt. Dit is een goed punt, want het laat zien dat Gods handelen
met Israel nog niet beeindigd was. Maar er dient te worden opgemerkt dat zelfs
terwijl God toestond dat dit onderscheid uiterlijk
nog overgebleven was, Hij reeds door Paulus zei, dat IN CHRISTUS er noch Jood noch heiden was (Zie 1Cor.12:13 en Gal.3:27,28). Sommigen hebben verondersteld dat Paulus in Gal.3:27,28
bedoelde dat in het lichaam van Christus
noch Jood noch heiden zou zijn en dat dit niet sloeg op de Joden onder Petrus
en de twaalf. Dit doet natuurlijk geweld aan aan bewoording van dit gedeelte
dat duidelijk verklaart dat in Christus
het onderscheid verdwenen is. De Joodse gelovigen in Jeruzalem waren
zeker in Christus. Sommigen waren zelfs vóór Paulus "in Christus"
(Rom.16:7). Maar nu werden allen in Christus leden
van één lichaam. Dat Gal.3:27,28
zowel de Joodse gelovigen te Jeruzalem als degenen die door Paulus' bediening
gered werden insluit, wordt verder
bevestigd door 2Cor.5:16,17: "ZO
DAN, wij kennen van nu aan NIEMAND naar het vlees...Zo dan, indien IEMAND in
Christus is, die is een nieuw schepsel." Zelfs Petrus wist dit en
werd berispt toen hij zich later niet hield aan het licht dat hij ontvangen
had (Hand.15:9, vgl.Gal.2:11,12).
VRAGEN 1.
Welk probleem verbijstert vele Bijbelonderzoekers met betrekking tot de
vroege bediening van Paulus? 2.
Deze moeilijkheid heeft sommigen ertoe geleid te concluderen dat het
geheimenis niet werd geopenbaard en het lichaam van Christus, de Gemeente van
deze bedeling, niet eerder begon dan wanneer? 3.
Hoe weerleggen de vroege brieven van Paulus deze bewering? 4.
Noem drie Schriftplaatsen uit Handelingen die bewijzen dat Paulus
vroege (Handelingen)bediening in de eerste plaats tot de heidenen was. 5.
Waarom ging Paulus in het algemeen eerst naar de Jood gedurende zijn
vroege bediening? 6.
Noem drie Schriftplaatsen uit Paulus' vroege brieven, die bewijzen dat
deze in de eerste plaats tot de heidenen waren geschreven. 7.
Bood Paulus, voor zover bekend uit de Schrift, Israel ooit het
koninkrijk aan? 8.
Leg uit hoe Paulus de boodschap van Petrus aan de Joden bevestigde. 9.
Noem een Schriftplaats om te bewijzen dat Israel, als volk, geestelijk
verblind was zelfs vóór Paulus naar Rome ging. 10.
Hoe valt Rom.1:16 ("eerst de Jood") te rijmen met Rom.10:12
("geen onderscheid")? 11.
Wat is de Schriftuurlijke grond voor zending onder de Joden vandaag? 12.
Noem twee Schriftplaatsen, die bewijzen dat Paulus zijn boodschap
ontving door een reeks van openbaringen. 13.
Wie zag Paulus in elk van die openbaringen? 14.
Welke éne veelomvattende term gebruikt hij om het goede nieuws dat hij
verkondigde te omschrijven? 15.
Hoe zou u de bewering, dat Paulus de openbaring van het geheimenis
ontving in de gevangenis te Rome, weerleggen? 16.
Welk gedeelte uit zijn latere brieven wijst er op, dat "het
evangelie van Gods genade" en "het geheimenis" onafscheidelijk
zijn? 17.
Verklaar de relatie tussen deze twee. 18.
Noem drie Schriftplaatsen die aantonen dat Joodse en heidense gelovigen
één in Christus waren tijdens Paulus' vroege bediening. 19.
Welk onderscheid bestaat er tussen hen in die tijd? 20. Wanneer is dit onderscheid opgehouden te bestaan? |