H
O O F D S T U K XII
DE PLAATS VAN WONDERTEKENEN EN
WATERDOOP
BINNEN DE BEDELINGEN
De
bestaande verwarring in de kerken is grotendeels te wijten aan de onwetendheid
en zelfs onverschilligheid voor wat betreft deze zaken. veel van Gods mensen
proberen Hem vandaag ijverig te dienen, zonder eerst precies te weten wat Hij
wenst dat zij zullen doen! Met als gevolg dat zelfs onder hen die oprecht
Christus als hun Redder vertrouwen, velen tevergeefs trachten om Zijn koninkrijk
op aarde te vestigen, terwijl anderen zoeken naar enkele of alle wonderlijke
krachten van Pinksteren, en allen blijven vasthouden aan de inzetting van de
waterdoop, zonder het eens te zijn wie moet
worden gedoopt, of hoe, of waarom.
Wondertekenen
en doop verdienen het om uitvoerig behandeld te worden in een apart boek, maar
wij moeten ze hier kort behandelen vanwege hun relatie tot het hele
bedelingenvraagstuk.
Het
kan niet worden ontkend, dat zelfs de meest toegewijde gelovige niet kan voldoen
aan Gods standaard van geestelijkheid, noch dat er een bijzonder gebrek is aan
ware geestelijkheid onder de christenen van vandaag, maar dit verklaart nog niet
hun onvermogen om wonderen te doen. Zo'n argument zou alleen in het geval van de
Korinthiërs kunnen worden beantwoord. Paulus noemde hen ongeestelijke jonge kinderen (1Kor.3:1), en berispt hen ernstig
wegens hun vleselijkheid, vanwege hun "nijd, twist en tweedracht",
wegens hun immoraliteit (1Kor.5:1), vanwege hun oneerlijkheid en benadelen van
elkaar (1Kor.6:7,8), wegens hun ontrouw in het geven (1Kor.9:11-14), wegens hun
zelfzuchtigheid en trots (1Kor.11:21,22) en roept hen toe: "En zijt gij
opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen" (1Kor.5:2, vgl 4:18).
En
toch is deze zelfde Korinthische
gemeente tegelijkertijd overvloedig in
wonderlijke gaven (1Kor.1:7; 12:8-11; 14:12,18,26). De afwezigheid van deze
wonderlijke krachten in de kerk vandaag moet daarom een andere verklaring
hebben.
DE BETEKENIS VAN
DE TEKENEN
Ongetwijfeld
was de oproep aan Israel om zich te bekeren, vanaf de tijd van Johannes de Doper
tot Pinksteren en de tijd waarin Israel Christus kon aannemen, de grootste
crisis in Israël geschiedenis tot die tijd.
Ten
tweede was door de profeten voorspeld dat
er overvloedig wonderen zouden gebeuren als de Messias zou komen
(Jes.35:5,6, etc.). Daarom lezen we in Matt.8:16,17):
"En als het laat geworden was, hebben zij velen, van
den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met het
woord, en Hij genas allen die kwalijk gesteld waren;
"OPDAT VERVULD ZOU WORDEN WAT GESPROKEN WAS DOOR
JESAJA DEN PROFEET, ZEGGENDE: HIJ HEEFT
ONZE ZWAKHEDEN OP ZICH GENOMEN EN ONZE ZIEKTEN GEDRAGEN."
"Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener,
een MAN VAN GOD ONDER ULIEDEN BETOOND DOOR KRACHTEN EN WONDEREN EN TEKENEN, die
God door Hem gedaan heeft in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet"
(Hand.2:22).
Zo
schrijft Paulus ook aan de Romeinen dat "Jezus Christus een Dienaar
geworden is der besnijdenis...opdat Hij bevestigen
zou de beloftenissen der vaderen" (Rom.15:8).
In
de derde plaats, dienen we te bedenken dat deze wonderen een speciale betekenis
hadden met betrekking tot het uitwerpen van satan, al zolang de overste van deze
wereld (Joh.12:31), en de vestiging van het koninkrijk van Christus, want we
lezen in 1Joh.3:8:
"...HIERTOE IS DE ZONE GODS GEOPENBAARD, OPDAT HIJ DE WERKEN DES DUIVELS VERBREKEN
ZOU."
Vandaar
dat onze Heere bij Zijn aanval op het koninkrijk van satan, zei:
"En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf
verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?"
"MAAR INDIEN IK DOOR DEN GEEST GODS DE DUIVELEN
UITWERP, ZO IS DAN HET KONINKRIJK GODS TOT U GEKOMEN" (Matt.12:26,28).
Hiermee
in overeenstemming beval de Heere ook de zeventig om in elke stad de betekenis
van de wonderen te verklaren die zij daar deden:
"EN GENEEST DE KRANKEN, DIE DAARIN ZIJN, EN ZEGT TOT
HEN: HET KONINKRIJK GODS IS NABIJ U GEKOMEN" (Luk.10:9).
In
Handelingen is het hetzelfde, want bedenk, dat de Handelingen een verslag is van
"wat de Heere Jezus begonnen heeft,
beide te doen en te leren", na Zijn opstanding (Hand.1:1,2). De wonderen
van de Pinkstertijd werden gewrocht door de
opgestane Christus, zodat Petrus, verwijzend naar een bepaalde gebeurtenis,
verklaarde:
"En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt,
dien gij ziet en kent, en het geloof dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte
gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid" (Hand.3:16).
"ZO ZIJ U ALLEN KENNELIJK EN HET GANSE VOLK ISRAEL,
DAT DOOR DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS DEN NAZARENER, DIEN GIJ GEKRUIST HEBT,
WELKEN GOD VAN DE DODEN HEEFT OPGEWEKT, DOOR HEM, ZEG IK, STAAT DEZE HIER
VOOR U GEZOND" (Hand.4:10).
En
zoals Christus "bevestigd is geworden door God" door tekenen en
wonderen, wordt ons in Hebr.2:3,4 verteld over de "grote zaligheid",
"...Die, begonnen
zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van
degenen die Hem gehoord hebben;
"GOD BOVENDIEN MEDEGETUIGDE DOOR TEKENEN EN WONDEREN
EN MENIGERLEI KRACHTEN EN BEDELINGEN DES HEILIGEN GEESTES NAAR ZIJN WIL."
Deze
"grote zaligheid", die "begonnen zijnde verkondigd is geworden
door den Heere", was natuurlijk die van Matt.1:21 en Luk.1:67-77, en betrof
de regering van Christus op aarde. En nu werd deze boodschap
"bevestigd...van degenen Hem gehoord hebben", zodat Petrus aan Israël
de tijden van verkwikking en de wederkomst van Christus aanbood op voorwaarde
dat zij berouw zouden hebben en zich tot Hem zouden keren (Hand.3:19,20).
En
zo bevestigde God het Messiasschap van onze Heere met machtige tekenen en
wonderen, zowel gedurende Zijn aardse bediening als na Zijn hemelvaart.
We
moeten niet vergeten dat Paulus, hoewel aan hem een andere
bediening en "het evangelie van de genade van God" was
toevertrouwd, niettemin de boodschap van Petrus bevestigde en verkondigde en bewees aan de Joden overal dat
"Jezus is de Christus", want het aanbod van het koninkrijk, gedaan op
Pinksteren, werd niet officieel ingetrokken dan na Hand.28:28. Het is dan ook
niet vreemd dat deze wonderlijke
bevestigingen van de rechten van Christus' koninkrijk voortduurden tot aan dat
tijdstip.
Wij
moeten ons ook de geïnspireerde verklaring herinneren dat "de Joden een
teken verlangen" (1Kor.1:22). Zij
konden zeggen dat het nieuwe programma van God was omdat
Paulus al "de merktekenen van een apostel" had (2 Kor.12:11,12) en dat
de heiden-gelovigen ook wonderlijke krachten bezaten. Zelfs voordat Paulus naar
de heidenen ging, was Petrus tot het eerste heidense gezin gezonden om aldus te
worden overtuigd. Let op het verslag hierover:
"En de gelovigen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met
Petrus waren gekomen, ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de
heidenen uitgestort werd,
"WANT ZIJ HOORDEN HEN SPREKEN MET VREEMDE TALEN, EN GOD GROOT
MAKEN..." (Hand.10:45,46).
Inderdaad
maakt de apostel in zijn eerste brief aan de Korinthiërs duidelijk, dat hun
wonderbare krachten zouden worden ingetrokken:
"DE LIEFDE VERGAAT NIMMERMEER; MAAR HETZIJ PROFETIEEN, ZIJ ZULLEN
TENIETGEDAAN WORDEN; HETZIJ TALEN, ZIJ ZULLEN OPHOUDEN; HETZIJ KENNIS, ZIJ ZAL
TE NIET GEDAAN WORDEN' (1Cor.13:8).
Paulus
bedoelde zeker niet dat bovennatuurlijke voorspellingen
niet zouden uitkomen, noch dat mensen zouden ophouden met spreken of kennen. Hij
verwees naar de wonderbare gaven van
profetie, tongen en kennis. Deze zouden worden "te niet gedaan".
"EN NU BLIJFT GELOOF, HOOP EN LIEFDE , DEZE DRIE; DOCH DE MEESTE VAN
DEZE IS DE LIEFDE" (1Cor.13:13).
Wat
betreft de genezingswonderen: zij die door de Heere en Zijn volgelingen waren
genezen zouden zeker in het koninkrijk binnen gegaan zijn en zijn blijven leven,
als het koninkrijk zou zijn gevestigd, maar nu Israël Christus en Zijn
heerschappij afwees, stierven al degenen die genezen waren. Het kwam dus niet
omdat onze Heere zou hebben gefaald dat degenen die genezen waren niet gezond en
in leven bleven; het kwam omdat het koninkrijk was afgewezen en "deze
tegenwoordige boze tijd" vat kreeg op de wereld.
In
de eerste brieven van Paulus is voldoende bewijs dat de gave van genezing reeds
werd teruggenomen, want hij zegt:
"WANT WIJ WETEN, DAT HET GANSE SCHEPSEL TEZAMEN ZUCHT
EN TEZAMEN ALS IN BARENSNOOD IS TOT NU TOE.
"EN NIET ALLEEN DIT, MAAR OOK WIJZELVEN, DIE DE
EERSTELINGEN DES GEESTES HEBBEN, WIJ OOK ZELVEN, ZEG IK, ZUCHTEN IN ONSZELVEN,
VERWACHTENDE DE AANNEMING TOT KINDEREN, NAMELIJK DE VERLOSSING ONZES
LICHAAMS" (Rom.8:22,23).
"WANT OOK IN DEZEN (TABERNAKEL) ZUCHTEN WIJ,
VERLANGENDE MET ONZE WOONSTEDE DIE UIT DEN HEMEL IS, OVERKLEED TE WORDEN"
(2Cor.5:2).
Voeg
hierbij dan nog zulke passages als de volgende:
"maar hoewel
onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd
van dag tot dag" (2Cor.4:16), "...
zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees...opdat ik mij niet zou
verheffen" (2Cor.12:7), "En
ik was bij ulieden in zwakheid en in vreze en in veel beving" (1Cor.2:3),
"En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de
eerste maal verkondigd heb" (Gal.4:13), "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben?" (2Cor.11:29), "Epafroditus...is
ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd" (Phil.2:25,27),
"Trofimus heb ik te Milete krank
gelaten" (2Tim.4:20),
"gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden" (1Tim.5:23).
ROEMEN IN ZWAKHEDEN
WATERDOOP
Bij
al de verdeeldheid en verwarring die is ontstaan in de kerken over het onderwerp
van de doop, werd hierbij het voornaamste probleem bijna geheel over het hoofd
gezien. Die vraag is niet waar wij waterdoop in de Schrift vinden, of wie
gedoopt moet worden, of hoe. De allereerste vraag die ons aangaat is: moeten wij nu
waterdoop toepassen? Is dit opgenomen in Gods programma voor de
tegenwoordige bedeling?*/[2]
Indien
de geestelijke leiders van de voorbije eeuwen, in plaats van verwikkeld te raken
in minder belangrijke vragen, zich eerst deze vraag hadden gesteld zou veel
onenigheid en hartzeer zijn vermeden.
WATERDOOP EN HET MESSIAANSE
KONINKRIJK
Onder
het Oude Verbond had God beloofd:
"Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult
gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle
volken, want de ganse aarde is Mijne;
"En gij zult Mij EEN PRIESTERLIJK KONINKRIJK, en EEN HEILIG VOLK
zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult"
(Ex.19:5,6).
Totdat
zij Gods stem werkelijk gehoorzaamden, waren alleen bepaalde mensen in Israël apart gezet als priesters, maar in verband met de komst
van de Messias en de bekering van geheel Israël, beloofde God dat zij later
inderdaad een heel volk van priesters zouden worden, door wie de heidenen tot
God zouden naderen:
"DOCH GIJLIEDEN ZULT PRIESTERS DES HEEREN HETEN, MEN ZAL U DIENAREN
ONZES GODS NOEMEN..." (Jes.61:6).
Het
eerste ritueel dat moest geschieden bij de inwijding van de priester in zijn
ambt was zijn wassing met water (Ex.29:4). Dit sprak van zijn noodzaak tot
reiniging voordat hij in Gods nabijheid kon naderen. Vandaar dat toen Johannes
predikte dat het koninkrijk nabij gekomen was, waarin heel Israël als priesters voor God zou staan, hij bekering en
waterdoop verlangde tot vergeving der zonden (Mark.1:4).*/[3]
Dat
de doop van Johannes verband hield met de openbaring van Christus aan Israël kan
niet worden ontkend, want Johannes zei zelf:
"EN IK KENDE HEM NIET; MAAR OPDAT HIJ AAN ISRAEL
GEOPENBAARD ZOU WORDEN, DAAROM BEN IK GEKOMEN EN DOPENDE MET HET WATER"
(Joh.1:31).
Let
op, Johannes doopte het volk "tot
vergeving der zonden". Dit was dan ook niet veranderd na de opstanding
van Christus, want met Pinksteren bood Petrus Israël de wederkomst van Christus
en de tijden van verkoeling aan, hen opnieuw oproepende om zich te "bekeren
en gedoopt te worden...tot vergeving der zonden" (Hand.2:38)**/[4].
Dit was in strikte gehoorzaamheid aan de opdracht die hem door de verrezen Heere
was gegeven, waarin uitdrukkelijk werd gesteld, dat "Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Mark.16:16)*/[5].
Zoals
met de wondertekenen, begon het intrekken van dit programma met Israël afwijzing van haar opgestane Messias en de roeping van Paulus om het evangelie
van God's genade te verkondigen. En, zoals met de wondertekenen, werd dit deel
van het programma niet ineens ingetrokken. Zelfs na de roeping van Paulus ging
God enige tijd voort met het uitstrekken van Zijn handen naar een ongehoorzaam
en tegensprekend volk (Rom.10:21). Het intrekken begon echter niet eerder dan na
Saul's bekering. Toen werd Petrus naar de eerste heidense familie gezonden opdat
zijn prediking zou worden onderbroken, en tot verbazing van degenen die bij hem
waren werden deze heidenen gered en ontvingen de Heilige Geest los van de
waterdoop (Hand.10:44-46). De trouwe Petrus doopte hen toen, zo te zeggen, vanwege de rechte gang van zaken, maar de
intrekking van het programma van de "grote opdracht" is duidelijk. De
praktijk van de waterdoop duurde hierna nog enige tijd voort, omdat Christus nog
steeds aan Israel werd verkondigd.
PAULUS EN DE "ÉNE
DOOP"
Maar
in de bediening van Paulus, waarmee de rest van het boek Handelingen gevuld is,
wordt waterdoop nimmer verlangd tot
vergeving van zonden. Klaarblijkelijk verving toen een andere opdracht die,
welke aan de elf gegeven was vóór de Hemelvaart van onze Heere.
Het is tekenend dat Paulus sommigen doopte**/[6],
en dit vermeldt in zijn eerste brief aan de Korinthiërs, en dat hij tegelijk
verklaart blij te zijn dat hij zo weinigen van hen gedoopt heeft en vervolgt:
"WANT HET WOORD DES KRUISES IS WEL DENGENEN DIE
VERLOREN GAAN, DWAASHEID; MAAR ONS, DIE BEHOUDEN WORDEN, IS HET EEN KRACHT
GODS" (1Cor.1:17,18).
In
zijn latere brieven, geschreven na de terzijdestelling van Israël, verklaart hij
nadrukkelijk dat er nu slechts "ÉÉN DOOP" is (Ef.4:5). Deze doop is
de handeling van de Heilige Geest waarbij de gelovigen één gemaakt worden met
Christus in Zijn dood, begrafenis en opstanding (Rom.6:3-4, Gal.3:26,27,
Kol.2:9-12), en zo tevens leden
worden gemaakt van het "éne lichaam", "het lichaam van
Christus" (1Kor.12:13,27, Gal.3:26-28).
Als
gelovigen, in het bijzonder geestelijke leiders, de "éne doop"
waardoor de "éne Geest" ons tot het "éne lichaam" doopt,
beter zouden verstaan, dan zouden wij onze eenheid in Christus veel blijmoediger
beleven. Wij worden inderdaad vermaand om ons te benaarstigen de eenheid van de
Geest te "bewaren" of te behouden,
daarbij in gedachten houdend dat er maar "één
lichaam...één Geest...één hoop...één Heere, één geloof, één doop, één
God en Vader is..." (Ef.4:3-6).
Een
ding is zeker: de bijbelstudent die bereid is vooropgezette kennis en menselijke
tradities opzij te zetten, en de Schrift met betrekking tot deze "éne
doop" met open hart te onderzoeken, zal aanzitten aan een echt feestmaal
van geestelijk goede zaken.
VRAGEN
1.
Verklaar hoe het kwam, dat heidense leden van het lichaam van Christus
eens wonderlijke krachten bezaten.
2.
Bewijs vanuit de Schrift, dat heden gebrek aan geloof of geestelijkheid
niet de reden is voor de afwezigheid van de Pinkstergaven.
3.
Geef Schriftplaatsen om aan te tonen dat Christus werd "bevestigd
door God" onder Zijn volk.
4.
Welke relatie was er tussen de wonderen in Christus' dagen en het
koninkrijk van satan?
5.
Geef de Schriftplaats om aan te tonen hoe God getuigenis gaf aan de
Pinksterbediening van de twaalf.
6.
Hoe wisten Petrus en zijn begeleiders, dat degenen uit het huisgezin van
Cornelius de Heilige Geest ontvangen hadden?
7.
Wat schreef de apostel Paulus in 1Kor.13 over de gaven van profetie,
tongen en kennis?
8.
Wat gebeurde er uiteindelijk met al degenen die werden genezen door onze
Heere en Zijn volgelingen?
9.
Waarom?
10.
Geef vijf Schriftplaatsen, die aangeven dat genezende krachten reeds
waren teruggetrokken in Paulus' dagen.
11.
Welke grotere zegeningen hebben wij dan i.p.v. lichamelijk en materieel
welzijn?
12.
Hoe kunnen lichamelijke zwakheden soms tot zegen zijn?
13.
Hoe was Paulus' houding zich ten aanzien van zwakheden?
14.
Wat is de eerste vraag die ons bezighoudt met betrekking tot het ritueel
van de waterdoop?
15.
Geef de Schriftplaats die aantoont hoe Johannes de Doper waterdoop
associeerde met Israel en het koninkrijk.
16.
Geef drie Schriften, die aantonen dat waterdoop werd vereist tot redding
onder Johannes de Doper, onder de "grote opdracht" en met Pinksteren.
17.
Waar vinden we in de Schrift de eerste intrekking van het
Pinkster-programma?
18.
Toon aan vanuit de Schrift dat het Pinksterprogramma niet ineens is
ingetrokken.
19.
Was Paulus gezonden om te dopen; was het een deel van zijn speciale
bediening?
20.
Wat is er tot stand gekomen door de "éne doop" in deze
bedeling?
[1]*/Voetnoot:
Wij verwijzen naar bovennatuurlijke gaven en verschijnselen. Wij erkennen
uiteraard, dat wonderen om ons heen voortdurend geschieden, maar omdat God
bijvoorbeeld de zieken overeenkomstig Zijn wil zou genezen, gebruikt Hij
geen "Goddelijke Genezers" om dit te verwezenlijken, noch hebben
wij enig recht om aanspraak te maken op lichamelijke genezing in de
tegenwoordige bedeling. Zoals iemand eens zei: :Ondanks de "goddelijke
genezers", is het aantal doden nog steeds. één op één.
[3]*/Voetnoot:
Onder de Mozaische wet werden de priesters, en zij die "onrein"
verklaard waren, beiden gewassen, ofwel gedoopt. Evenzo moesten, onder het
programma van het koninkrijk, de Joden zowel als de "onreine"
heidenen worden gedoopt (Matt.28:19).
[4]**/Voetnoot:
Zij die spreken van 'Christelijke doop", te beginnen bij de "grote
opdracht", dienen dit feit nauwkeurig op te merken. Bij een openbaar
debat over dit onderwerp brachten wij eens zes boeken en geschriften van
toonaangevende Fundamentalisten naar voren, die aan hun dooptheoriën
vasthielden, waarbij zij Hand.2:38 aanhaalden, maar de woorden "tot
vergeving der zonden" hadden weggelaten.
[5]*/Voetnoot:
Fundamentalisten, die beweren de "grote opdracht" uit te voeren,
vertalen dit over het algemeen met: "Hij die gelooft en gered is,
behoort te worden gedoopt". Hier kan alleen maar worden gezegd, dat zij
die zo vrij met een stelling uit Gods Woord handelen, ook andere passages zo
zullen "vertalen", dat ze betekenen wat er niet bedoeld wordt.
Modernisme en de sekten zijn reeds deze weg opgegaan.