Terug naar de hoofd menu

H O O F D S T U K   XII

DE PLAATS VAN WONDERTEKENEN EN WATERDOOP

BINNEN DE BEDELINGEN

       De waarheden die wij tot dusver hebben behandeld hebben grote  invloed op onze wandel als leden van het lichaam van Christus en onze dienst voor Hem, want hoe kunnen we Hem doeltreffend dienen als wij God's boodschap en programma voor de tegenwoordige bedeling niet duidelijk begrijpen?

     De bestaande verwarring in de kerken is grotendeels te wijten aan de onwetendheid en zelfs onverschilligheid voor wat betreft deze zaken. veel van Gods mensen proberen Hem vandaag ijverig te dienen, zonder eerst precies te weten wat Hij wenst dat zij zullen doen! Met als gevolg dat zelfs onder hen die oprecht Christus als hun Redder vertrouwen, velen tevergeefs trachten om Zijn koninkrijk op aarde te vestigen, terwijl anderen zoeken naar enkele of alle wonderlijke krachten van Pinksteren, en allen blijven vasthouden aan de inzetting van de waterdoop, zonder het eens te zijn wie moet worden gedoopt, of hoe, of waarom.

      Wondertekenen en doop verdienen het om uitvoerig behandeld te worden in een apart boek, maar wij moeten ze hier kort behandelen vanwege hun relatie tot het hele bedelingenvraagstuk.

  WONDERLIJKE TEKENEN

    Het kan niet worden ontkend dat gedurende de aardse bediening van onze Heere en in de Handelingenperiode er overvloedig wonderlijke dingen gebeurden. Nog kan worden ontkend dat zulke manifestaties overvloedig voorkwamen onder leden van het lichaam van Christus uit de heidenen, vóór het einde van de Handelingenperiode.

  Sommigen beweren dat alle ware gelovigen van vandaag  de wonderlijke krachten van Pinksteren bezitten, omdat onze Heere in Zijn "grote opdracht" uitdrukkelijk zei: "En deze tekenen zullen de gelovigen volgen..." (Mark.16:17,18). Anderen geloven dat aan bepaalde mensen de kracht is gegeven om  wonderen te doen , en wonderlijke genezingen in het bijzonder. Ondanks deze claims geeft God vandaag geen wonderlijke krachten aan de mens vandaag. Als de "grote opdracht" met zijn Pinkstertekenen inderdaad in deze tijd zou worden uitgevoerd zou er geen twijfel bestaan over wonderen, want zowel gelovigen als ongelovigen zouden  gedwongen worden om de machtige wonderen van de Pinkstertijd te erkennen*/[1] (Hand.3:11; 4:14,16,enz.). Wat betreft aangevoerde bewijzen van bovennatuurlijke krachten van huidige Pinkster "genezers": de Roomse Kerk, de Unity beweging, Christian Science, en anderen die aanspraak maken op wonderbare genezingskrachten, kunnen volstrekt overtuigende "bewijzen" aantonen. Zijn hun krachten dan ook door God gegeven?

  WONDEREN EN GEESTELIJKHEID

   De gebruikelijke reden die wordt gegeven voor het afwezig zijn van deze krachten is gebrek aan geloof en geestelijkheid. Hadden wij maar het geloof van de eerste gelovigen, zo wordt ons verteld; als wij maar net zo  geestelijk waren als zij, dan zouden wij ook deze wonderkrachten bezitten.

    Het kan niet worden ontkend, dat zelfs de meest toegewijde gelovige niet kan voldoen aan Gods standaard van geestelijkheid, noch dat er een bijzonder gebrek is aan ware geestelijkheid onder de christenen van vandaag, maar dit verklaart nog niet hun onvermogen om wonderen te doen. Zo'n argument zou alleen in het geval van de Korinthiërs kunnen worden beantwoord. Paulus noemde hen ongeestelijke jonge kinderen (1Kor.3:1), en berispt hen ernstig wegens hun vleselijkheid, vanwege hun "nijd, twist en tweedracht", wegens hun immoraliteit (1Kor.5:1), vanwege hun oneerlijkheid en benadelen van elkaar (1Kor.6:7,8), wegens hun ontrouw in het geven (1Kor.9:11-14), wegens hun zelfzuchtigheid en trots (1Kor.11:21,22) en roept hen toe: "En zijt gij opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen" (1Kor.5:2, vgl 4:18).

    En toch is deze zelfde Korinthische gemeente tegelijkertijd overvloedig in wonderlijke gaven (1Kor.1:7; 12:8-11; 14:12,18,26). De afwezigheid van deze wonderlijke krachten in de kerk vandaag moet daarom een andere verklaring hebben.

DE BETEKENIS VAN DE TEKENEN

     Eerst dient het algemene feit te worden opgemerkt dat in de Oud Testamentische geschiedenis wonderbare verschijnselen plaats vonden in tijden van grote crisis zoals b.v. in gevallen als Mozes en Aäron, en van Elia en Elisa.

     Ongetwijfeld was de oproep aan Israel om zich te bekeren, vanaf de tijd van Johannes de Doper tot Pinksteren en de tijd waarin Israel Christus kon aannemen, de grootste crisis in Israël geschiedenis tot die tijd.      

     Ten tweede was door de profeten voorspeld  dat er overvloedig wonderen zouden gebeuren als de Messias zou komen  (Jes.35:5,6, etc.). Daarom lezen we in Matt.8:16,17):

"En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met het woord, en Hij genas allen die kwalijk gesteld waren;

"OPDAT VERVULD ZOU WORDEN WAT GESPROKEN WAS DOOR JESAJA DEN PROFEET, ZEGGENDE: HIJ HEEFT   ONZE ZWAKHEDEN OP ZICH GENOMEN EN ONZE ZIEKTEN GEDRAGEN."

            Daarom verklaarde Petrus ook met Pinksteren:

 "Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een MAN VAN GOD ONDER ULIEDEN BETOOND DOOR KRACHTEN EN WONDEREN EN TEKENEN, die God door Hem gedaan heeft in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet" (Hand.2:22).

Zo schrijft Paulus ook aan de Romeinen dat "Jezus Christus een Dienaar geworden is der besnijdenis...opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen" (Rom.15:8).

In de derde plaats, dienen we te bedenken dat deze wonderen een speciale betekenis hadden met betrekking tot het uitwerpen van satan, al zolang de overste van deze wereld (Joh.12:31), en de vestiging van het koninkrijk van Christus, want we lezen in 1Joh.3:8:

"...HIERTOE IS DE ZONE  GODS GEOPENBAARD, OPDAT HIJ DE WERKEN DES DUIVELS VERBREKEN ZOU."

Vandaar dat onze Heere bij Zijn aanval op het koninkrijk van satan, zei:

  "En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?"

"MAAR INDIEN IK DOOR DEN GEEST GODS DE DUIVELEN UITWERP, ZO IS DAN HET KONINKRIJK GODS TOT U GEKOMEN" (Matt.12:26,28).

Hiermee in overeenstemming beval de Heere ook de zeventig om in elke stad de betekenis van de wonderen te verklaren die zij daar deden:

"EN GENEEST DE KRANKEN, DIE DAARIN ZIJN, EN ZEGT TOT HEN: HET KONINKRIJK GODS IS NABIJ U GEKOMEN" (Luk.10:9).

In Handelingen is het hetzelfde, want bedenk, dat de Handelingen een verslag is van "wat de Heere Jezus begonnen heeft, beide te doen en te leren", na Zijn opstanding (Hand.1:1,2). De wonderen van de Pinkstertijd werden gewrocht door de opgestane Christus, zodat Petrus, verwijzend naar een bepaalde gebeurtenis, verklaarde:

"En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent, en het geloof dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid" (Hand.3:16).

"ZO ZIJ U ALLEN KENNELIJK EN HET GANSE VOLK ISRAEL, DAT DOOR DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS DEN NAZARENER, DIEN GIJ GEKRUIST HEBT, WELKEN GOD VAN DE DODEN HEEFT OPGEWEKT, DOOR HEM, ZEG IK, STAAT DEZE HIER  VOOR U GEZOND" (Hand.4:10).

En zoals Christus "bevestigd is geworden door God" door tekenen en wonderen, wordt ons in Hebr.2:3,4 verteld over de "grote zaligheid",

"...Die,  begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen die Hem gehoord hebben;

"GOD BOVENDIEN MEDEGETUIGDE DOOR TEKENEN EN WONDEREN EN MENIGERLEI KRACHTEN EN BEDELINGEN DES HEILIGEN GEESTES NAAR ZIJN WIL."

Deze "grote zaligheid", die "begonnen zijnde verkondigd is geworden door den Heere", was natuurlijk die van Matt.1:21 en Luk.1:67-77, en betrof de regering van Christus op aarde. En nu werd deze boodschap "bevestigd...van degenen Hem gehoord hebben", zodat Petrus aan Israël de tijden van verkwikking en de wederkomst van Christus aanbood op voorwaarde dat zij berouw zouden hebben en zich tot Hem zouden keren (Hand.3:19,20).

En zo bevestigde God het Messiasschap van onze Heere met machtige tekenen en wonderen, zowel gedurende Zijn aardse bediening als na Zijn hemelvaart.

  WONDEREN ONDER DE HEIDENEN

  Wat was dan de reden van de wonderlijke gaven onder de heidenen, in het bijzonder onder Paulus' bediening? Ook deze waren indirect verbonden met het Messiaanse koninkrijk.

We moeten niet vergeten dat Paulus, hoewel aan hem een andere bediening en "het evangelie van de genade van God" was toevertrouwd, niettemin de boodschap van Petrus bevestigde en verkondigde en bewees aan de Joden overal dat "Jezus is de Christus", want het aanbod van het koninkrijk, gedaan op Pinksteren, werd niet officieel ingetrokken dan na Hand.28:28. Het is dan ook niet vreemd  dat deze wonderlijke bevestigingen van de rechten van Christus' koninkrijk voortduurden tot aan dat tijdstip.

Wij moeten ons ook de geïnspireerde verklaring herinneren dat "de Joden een teken verlangen" (1Kor.1:22).  Zij  konden zeggen dat het nieuwe programma van God was omdat Paulus al "de merktekenen van een apostel" had (2 Kor.12:11,12) en dat de heiden-gelovigen ook wonderlijke krachten bezaten. Zelfs voordat Paulus naar de heidenen ging, was Petrus tot het eerste heidense gezin gezonden om aldus te worden overtuigd. Let op het verslag hierover:

  "En de gelovigen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren gekomen, ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd,

  "WANT ZIJ HOORDEN HEN SPREKEN MET VREEMDE TALEN, EN GOD GROOT MAKEN..." (Hand.10:45,46).

  WONDERBARE GAVEN TERUGGENOMEN

     Met de terzijdestelling van Israel waren zij niet langer noodzakelijk, en de latere brieven van Paulus erkennen zelfs zulke gaven als niet aan de orde zijnde.

     Inderdaad maakt de apostel in zijn eerste brief aan de Korinthiërs duidelijk, dat hun wonderbare krachten zouden worden ingetrokken:

       "DE LIEFDE VERGAAT NIMMERMEER; MAAR HETZIJ PROFETIEEN, ZIJ ZULLEN TENIETGEDAAN WORDEN; HETZIJ TALEN, ZIJ ZULLEN OPHOUDEN; HETZIJ KENNIS, ZIJ ZAL TE NIET GEDAAN WORDEN' (1Cor.13:8).

     Paulus bedoelde zeker niet dat bovennatuurlijke voorspellingen niet zouden uitkomen, noch dat mensen zouden ophouden met spreken of kennen. Hij verwees naar de wonderbare gaven van profetie, tongen en kennis. Deze zouden worden "te niet gedaan".

       "EN NU BLIJFT GELOOF, HOOP EN LIEFDE , DEZE DRIE; DOCH DE MEESTE VAN DEZE IS DE LIEFDE" (1Cor.13:13).

      Wat betreft de genezingswonderen: zij die door de Heere en Zijn volgelingen waren genezen zouden zeker in het koninkrijk binnen gegaan zijn en zijn blijven leven, als het koninkrijk zou zijn gevestigd, maar nu Israël Christus en Zijn heerschappij afwees, stierven al degenen die genezen waren. Het kwam dus niet omdat onze Heere zou hebben gefaald dat degenen die genezen waren niet gezond en in leven bleven; het kwam omdat het koninkrijk was afgewezen en "deze tegenwoordige boze tijd" vat kreeg op de wereld.

In de eerste brieven van Paulus is voldoende bewijs dat de gave van genezing reeds werd teruggenomen, want hij zegt:

"WANT WIJ WETEN, DAT HET GANSE SCHEPSEL TEZAMEN ZUCHT EN TEZAMEN ALS IN BARENSNOOD IS TOT NU TOE.

"EN NIET ALLEEN DIT, MAAR OOK WIJZELVEN, DIE DE EERSTELINGEN DES GEESTES HEBBEN, WIJ OOK ZELVEN, ZEG IK, ZUCHTEN IN ONSZELVEN, VERWACHTENDE DE AANNEMING TOT KINDEREN, NAMELIJK DE VERLOSSING ONZES LICHAAMS" (Rom.8:22,23).

"WANT OOK IN DEZEN (TABERNAKEL) ZUCHTEN WIJ, VERLANGENDE MET ONZE WOONSTEDE DIE UIT DEN HEMEL IS, OVERKLEED TE WORDEN" (2Cor.5:2).

    Voeg hierbij dan nog zulke passages als de volgende:

"maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag" (2Cor.4:16), "... zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees...opdat ik mij niet zou verheffen" (2Cor.12:7), "En ik was bij ulieden in zwakheid en in vreze en in veel beving" (1Cor.2:3), "En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb" (Gal.4:13), "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben?" (2Cor.11:29), "Epafroditus...is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd" (Phil.2:25,27), "Trofimus heb ik te Milete krank gelaten" (2Tim.4:20), "gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden" (1Tim.5:23).

     ROEMEN IN ZWAKHEDEN

  De gave van genezing werd dus teruggenomen toen Paulus zijn eerste brieven schreef. God  gaf er echter iets beters voor terug, want wij zijn "gezegend met alle geestelijke zegening in  de hemel" (Efeze 1:3). Onze hoge en heilige roeping, onze volmaakte positie in Christus, onze geestelijke rijkdom, zouden ons inderdaad opgeblazen kunnen maken, ware het niet dat God toeliet dat we worden bezocht met lichamelijke zwakheden (2Kor.12:7). Intussen verzekert Hij ons: "Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2Kor.12:9). Aldus bewerken deze zwakheden zegeningen en dienen om ons nader tot God te trekken. Daarom zegt de apostel Paulus vervolgens :

  "ZO ZAL IK DAN VEEL LIEVER ROEMEN IN MIJN ZWAKHEDEN, OPDAT DE KRACHT VAN CHRISTUS IN MIJ WONE. "DAAROM HEB IK EEN WELBEHAGEN IN ZWAKHEDEN, IN SMAADHEDEN, IN NODEN, IN VERVOLGINGEN, IN BENAUWDHEDEN, OM CHRISTUS' WIL; WANT ALS IK ZWAK BEN, DAN BEN IK MACHTIG" (2Kor.12:9,10).

 WATERDOOP

       Waterdoop wonderen en tekenen behoren beiden tot de zgn. "grote opdracht" (Matt.28:19, Mark.16:16-18, Hand.1:8), maar vreemd genoeg, veel geestelijke leiders die hun leden wegens spreken in tongen, of wonderen  excommuniceren, houden sterk vast aan de praktijk van waterdoop. Het lijkt er wel op, dat als de "grote opdracht" voor ons zou zijn vandaag, de Pinkstermensen consequenter zijn dan de grote meerderheid van hun fundamentalistische broeders in deze zaak. Laat ons dan hier, in het kort, de betekenis vanuit de bedelingen van de waterdoop en de heerlijkheid van de " éne doop" van de tegenwoordige bedeling aanwijzen.

  Bij al de verdeeldheid en verwarring die is ontstaan in de kerken over het onderwerp van de doop, werd hierbij het voornaamste probleem bijna geheel over het hoofd gezien. Die vraag is niet waar wij waterdoop in de Schrift vinden, of wie gedoopt moet worden, of hoe. De allereerste vraag die ons aangaat is: moeten wij nu waterdoop toepassen? Is dit opgenomen in Gods programma voor de tegenwoordige bedeling?*/[2]

Indien de geestelijke leiders van de voorbije eeuwen, in plaats van verwikkeld te raken in minder belangrijke vragen, zich eerst deze vraag hadden gesteld zou veel onenigheid en hartzeer zijn vermeden.

WATERDOOP EN HET MESSIAANSE

KONINKRIJK

       We hebben reeds gezien dat de beginboodschap van de Nieuw Testamentische Schriften is: "Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matt.3:2). Deze boodschap werd eerst verkondigd door Johannes de Doper aan Israel en later ook door onze Heere (Matt.4:17) en Zijn twaalf apostelen (Matt.10:5-7). De verkondiging van deze boodschap en de resultaten daarvan zijn weergegeven in de "vier Evangeliën".

       Het feit dat dit koninkrijk nu werd verkondigd als "nabij gekomen", geeft aan dat het voorzegd en verwacht was, en dat was het ook.

        Onder het Oude Verbond had God beloofd:

"Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijne;

       "En gij zult Mij EEN PRIESTERLIJK KONINKRIJK, en EEN HEILIG VOLK zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult" (Ex.19:5,6).

      Totdat zij Gods stem werkelijk gehoorzaamden, waren alleen bepaalde mensen in Israël apart gezet als priesters, maar in verband met de komst van de Messias en de bekering van geheel Israël, beloofde God dat zij later inderdaad een heel volk van priesters zouden worden, door wie de heidenen tot God zouden naderen:

       "DOCH GIJLIEDEN ZULT PRIESTERS DES HEEREN HETEN, MEN ZAL U DIENAREN ONZES GODS NOEMEN..." (Jes.61:6).

    Het eerste ritueel dat moest geschieden bij de inwijding van de priester in zijn ambt was zijn wassing met water (Ex.29:4). Dit sprak van zijn noodzaak tot reiniging voordat hij in Gods nabijheid kon naderen. Vandaar dat toen Johannes predikte dat het koninkrijk nabij gekomen was, waarin heel Israël als priesters voor God zou staan, hij bekering en waterdoop verlangde tot vergeving der zonden (Mark.1:4).*/[3]

      Dat de doop van Johannes verband hield met de openbaring van Christus aan Israël kan niet worden ontkend, want Johannes zei zelf:

"EN IK KENDE HEM NIET; MAAR OPDAT HIJ AAN ISRAEL GEOPENBAARD ZOU WORDEN, DAAROM BEN IK GEKOMEN EN DOPENDE MET HET WATER" (Joh.1:31).

      Let op, Johannes doopte het volk "tot vergeving der zonden". Dit was dan ook niet veranderd na de opstanding van Christus, want met Pinksteren bood Petrus Israël de wederkomst van Christus en de tijden van verkoeling aan, hen opnieuw oproepende om zich te "bekeren en gedoopt te worden...tot vergeving der zonden" (Hand.2:38)**/[4]. Dit was in strikte gehoorzaamheid aan de opdracht die hem door de verrezen Heere was gegeven, waarin uitdrukkelijk werd gesteld, dat "Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Mark.16:16)*/[5].

    Zoals met de wondertekenen, begon het intrekken van dit programma met Israël afwijzing van haar opgestane Messias en de roeping van Paulus om het evangelie van God's genade te verkondigen. En, zoals met de wondertekenen, werd dit deel van het programma niet ineens ingetrokken. Zelfs na de roeping van Paulus ging God enige tijd voort met het uitstrekken van Zijn handen naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk (Rom.10:21). Het intrekken begon echter niet eerder dan na Saul's bekering. Toen werd Petrus naar de eerste heidense familie gezonden opdat zijn prediking zou worden onderbroken, en tot verbazing van degenen die bij hem waren werden deze heidenen gered en ontvingen de Heilige Geest los van de waterdoop (Hand.10:44-46). De trouwe Petrus doopte hen toen, zo te zeggen, vanwege de rechte gang van zaken, maar de intrekking van het programma van de "grote opdracht" is duidelijk. De praktijk van de waterdoop duurde hierna nog enige tijd voort, omdat Christus nog steeds aan Israel werd verkondigd.

PAULUS EN DE "ÉNE DOOP"

     Maar in de bediening van Paulus, waarmee de rest van het boek Handelingen gevuld is, wordt waterdoop nimmer verlangd tot vergeving van zonden. Klaarblijkelijk verving toen een andere opdracht die, welke aan de elf gegeven was vóór de Hemelvaart van onze Heere.

Het is tekenend dat Paulus sommigen doopte**/[6], en dit vermeldt in zijn eerste brief aan de Korinthiërs, en dat hij tegelijk verklaart blij te zijn dat hij zo weinigen van hen gedoopt heeft en vervolgt:

  "WANT CHRISTUS HEEFT MIJ NIET GEZONDEN OM TE DOPEN, MAAR OM HET EVANGELIE TE VERKONDIGEN; NIET MET WIJSHEID VAN WOORDEN, OPDAT HET KRUIS VAN CHRISTUS NIET VERIJDELD WORDE.

"WANT HET WOORD DES KRUISES IS WEL DENGENEN DIE VERLOREN GAAN, DWAASHEID; MAAR ONS, DIE BEHOUDEN WORDEN, IS HET EEN KRACHT GODS" (1Cor.1:17,18).

       Het is ook belangrijk dat Paulus, de apostel der heidenen en dienaar van het lichaam van Christus ons NOOIT, IN GEEN VAN ZIJN BRIEVEN,  BEVEELT OF VERMAANT OM GEDOOPT TE WORDEN MET WATER.

      In zijn latere brieven, geschreven na de terzijdestelling van Israël, verklaart hij nadrukkelijk dat er nu slechts "ÉÉN DOOP" is (Ef.4:5). Deze doop is de handeling van de Heilige Geest waarbij de gelovigen één gemaakt worden met Christus in Zijn dood, begrafenis en opstanding (Rom.6:3-4, Gal.3:26,27, Kol.2:9-12), en zo tevens  leden worden gemaakt van het "éne lichaam", "het lichaam van Christus" (1Kor.12:13,27, Gal.3:26-28).

Als gelovigen, in het bijzonder geestelijke leiders, de "éne doop" waardoor de "éne Geest" ons tot het "éne lichaam" doopt, beter zouden verstaan, dan zouden wij onze eenheid in Christus veel blijmoediger beleven. Wij worden inderdaad vermaand om ons te benaarstigen de eenheid van de Geest te "bewaren" of te behouden, daarbij in gedachten houdend dat er maar "één lichaam...één Geest...één hoop...één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader is..." (Ef.4:3-6).

Een ding is zeker: de bijbelstudent die bereid is vooropgezette kennis en menselijke tradities opzij te zetten, en de Schrift met betrekking tot deze "éne doop" met open hart te onderzoeken, zal aanzitten aan een echt feestmaal van  geestelijk goede zaken.

     VRAGEN

1.        Verklaar hoe het kwam, dat heidense leden van het lichaam van Christus eens wonderlijke krachten bezaten.

2.        Bewijs vanuit de Schrift, dat heden gebrek aan geloof of geestelijkheid niet de reden is voor de afwezigheid van de Pinkstergaven.

3.        Geef Schriftplaatsen om aan te tonen dat Christus werd "bevestigd door God" onder Zijn volk.

4.        Welke relatie was er tussen de wonderen in Christus' dagen en het koninkrijk van satan?

5.        Geef de Schriftplaats om aan te tonen hoe God getuigenis gaf aan de Pinksterbediening van de twaalf.

6.        Hoe wisten Petrus en zijn begeleiders, dat degenen uit het huisgezin van Cornelius de Heilige Geest ontvangen hadden?

7.        Wat schreef de apostel Paulus in 1Kor.13 over de gaven van profetie, tongen en kennis?

8.        Wat gebeurde er uiteindelijk met al degenen die werden genezen door onze Heere en Zijn volgelingen?

9.        Waarom?

10.      Geef vijf Schriftplaatsen, die aangeven dat genezende krachten reeds waren teruggetrokken in Paulus' dagen.

11.      Welke grotere zegeningen hebben wij dan i.p.v. lichamelijk en materieel welzijn?

12.      Hoe kunnen lichamelijke zwakheden soms tot zegen zijn?

13.      Hoe was Paulus' houding zich ten aanzien van zwakheden?

14.      Wat is de eerste vraag die ons bezighoudt met betrekking tot het ritueel van de waterdoop?

15.      Geef de Schriftplaats die aantoont hoe Johannes de Doper waterdoop associeerde met Israel en het koninkrijk.

16.      Geef drie Schriften, die aantonen dat waterdoop werd vereist tot redding onder Johannes de Doper, onder de "grote opdracht" en met Pinksteren.

17.      Waar vinden we in de Schrift de eerste intrekking van het Pinkster-programma?

18.      Toon aan vanuit de Schrift dat het Pinksterprogramma niet ineens is ingetrokken.

19.      Was Paulus gezonden om te dopen; was het een deel van zijn speciale bediening?

20.      Wat is er tot stand gekomen door de "éne doop" in deze bedeling?


    [1]*/Voetnoot: Wij verwijzen naar bovennatuurlijke gaven en verschijnselen. Wij erkennen uiteraard, dat wonderen om ons heen voortdurend geschieden, maar omdat God bijvoorbeeld de zieken overeenkomstig Zijn wil zou genezen, gebruikt Hij geen "Goddelijke Genezers" om dit te verwezenlijken, noch hebben wij enig recht om aanspraak te maken op lichamelijke genezing in de tegenwoordige bedeling. Zoals iemand eens zei: :Ondanks de "goddelijke genezers", is het aantal doden nog steeds. één op één.

      [2]/Voetnoot: Zie het boekje van de auteur, getiteld: "Water Baptism: Is It Included In Gods Program For Today?

    [3]*/Voetnoot: Onder de Mozaische wet werden de priesters, en zij die "onrein" verklaard waren, beiden gewassen, ofwel gedoopt. Evenzo moesten, onder het programma van het koninkrijk, de Joden zowel als de "onreine" heidenen worden gedoopt (Matt.28:19).

    [4]**/Voetnoot: Zij die spreken van 'Christelijke doop", te beginnen bij de "grote opdracht", dienen dit feit nauwkeurig op te merken. Bij een openbaar debat over dit onderwerp brachten wij eens zes boeken en geschriften van toonaangevende Fundamentalisten naar voren, die aan hun dooptheoriën vasthielden, waarbij zij Hand.2:38 aanhaalden, maar de woorden "tot vergeving der zonden" hadden weggelaten.

    [5]*/Voetnoot: Fundamentalisten, die beweren de "grote opdracht" uit te voeren, vertalen dit over het algemeen met: "Hij die gelooft en gered is, behoort te worden gedoopt". Hier kan alleen maar worden gezegd, dat zij die zo vrij met een stelling uit Gods Woord handelen, ook andere passages zo zullen "vertalen", dat ze betekenen wat er niet bedoeld wordt. Modernisme en de sekten zijn reeds deze weg opgegaan.

    [6]**/Voetnoot: Hij besneed ook Timotheus, sprak in tongen, genas zieken, etc.