H O O F D S T U K
XI
GOED
NIEUWS
DE "VIER EVANGELIEN"
Er is vaak gezegd
dat de zogenaamde "vier evangeliën" feitelijk vier verslagen zijn
van de aardse bediening van onze Heere vastgelegd door vier verschillende
schrijvers. Deze vier verslagen vinden wij in de Schrift, niet als
verschillende evangeliën maar als beschrijvingen van onze gezegende Heere
Zelf vanuit vier verschillende aspecten. Mattheus beschrijft Hem als Koning,
Markus als Dienstknecht, Lukas als Mens
en Johannes als God; en elke
schrijver blijft, terwijl hij de andere aspecten van Christus' persoon en
plaats erkent, voortdurend bij het bijzondere aspect waartoe hij geïnspireerd
werd tot schrijven.
Sommigen hebben gesuggereerd dat één biografie; één
schilderij, om zo te zeggen, beter geweest zou zijn, maar men zou net zo goed
kunnen proberen om een heel huis te schilderen op één schilderij. Het zou
vreemd zijn als de dweil, de vuilnisbak, de melkkan en de tuinslang allemaal
te zien zouden zijn bij de voordeur! En waar zou er op het schilderij plaats
zijn om alle deuren en ramen van alle vier muren te laten zien? Zo waren er
vier verschillende verslagen nodig van de bediening van onze Heere om de vier
aspecten van Zijn persoon, positie en werk naar voren te brengen.
IS ER
SLECHTS ÉÉN EVANGELIE ?
Zoals het technisch onjuist is om deze vier verslagen vier
evangeliën te noemen, is het ook onjuist om te zeggen, zoals velen
zeggen, dat er slechts één evangelie in de Schrift te vinden is.
Ten eerste betekent het woord evangelie
(Gr. evangelion) eenvoudig goed
nieuws, en als wij zeggen dat er in de Bijbel slechts één evangelie te
vinden is, is dat hetzelfde als zeggen dat God door alle eeuwen heen slechts
één goed nieuws boodschap aan de mensen gezonden heeft.
Ten tweede gebruikt God verschillende
uitdrukkingen om de verscheidene goed nieuws boodschappen aan te duiden: b.v.
:
"het evangelie (goede nieuws) van het koninkrijk" (Matt.9:35),
"het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24), "het
evangelie van de onbesnedenen" (Gal.2:7), enz. En als God
onderscheid maakt tussen deze evangeliën kunnen zij niet precies hetzelfde
zijn.
Vervolgens
dient erop gelet te worden dat God Zijn goede nieuws geleidelijk heeft geopenbaard aan de mens. Aan Adam en Eva
verkondigde Hij het evangelie, of goede nieuws, dat het zaad van de vrouw éénmaal
de kop van de slang zou vermorzelen (Gen.3:15). Aan Abraham predikte Hij het
evangelie, of goede nieuws, dat in hem alle volkeren zouden worden gezegend
(Gal.3:8). En door het hele Oude Testament zien we hoe God meer en meer goed nieuws aan de mens verkondigt. Ten
slotte zond de Heere Zijn apostelen om "het evangelie van het
koninkrijk" te verkondigen (zie Luk.9:1-6), maar merk op: dat zij toen
niet wisten dat Christus zou gaan sterven. Lees in dit verband zorgvuldig
Luk.18:31-34:
"En Hij nam de twaalve bij Zich en zeide tot hen:
Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den
Zoon des mensen wat geschreven is door de profeten.
"Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en
Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.
"En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en
ten derden dage zal Hij weder opstaan.
"EN ZIJ VERSTONDEN GEEN VAN DEZE DINGEN, EN DIT WOORD
WAS VOOR HEN VERBORGEN, EN ZIJ VERSTONDEN NIET HETGEEN GEZEGD WERD".
Let nauwkeurig op dat, nadat de apostelen "het
evangelie" enige tijd (wellicht twee of meerdere jaren) gepredikt hadden
zij niet het minste idee hadden waarover de Heere sprak toen Hij Zijn dood
voorspelde. Hoewel de profeten het allang hadden voorspeld en de apostelen hen
hadden moeten geloven (Luk 24:25). Kennelijk was dan "het
evangelie" dat zij predikten niet "het
evangelie" dat Paulus later predikte of "het evangelie" waardoor wij worden gered (zie
1Cor.15:1-4). "Het evangelie" dat zij predikten was "het
evangelie van het koninkrijk"
(Matt.9:35 vgl.Luk.9:2), niet "de
prediking van het kruis" (1Cor.1:18).
Dit brengt ons bij nog een andere zaak van essentieël
belang ten aanzien van Gods goede nieuws aan de mens: Als een vriend bij de
lezer zou komen en zeggen: "Hebt u het goede nieuws gehoord?" dan
zou de lezer natuurlijk vragen: "Welk
goede nieuws?" Wij
moeten ons ook altijd deze vraag stellen bij onze studie van de Schrift als
we de uitdrukking "evangelie" tegenkomen, want deze uitdrukking alleen geeft op geen enkele wijze aan wat het goede
nieuws is.
Dit wordt geïllustreerd door bovenstaande passage.
Luk.9:6 zegt dat de apostelen "uitgaande, doorgingen al de vlekken,
verkondigende het Evangelie".
Hieruit wordt dikwijls aangenomen dat zij uitgingen predikende redding door
het kruis, zoals wij doen. Toch maakt Luk.18:31-34 duidelijk dat zij er zelfs
geen idee van hadden dat Christus zou sterven. Een blik op de contekst in
Luk.9 echter, maakt alles duidelijk, want in vers 2 lezen we: "En
Hij zond hen heen om te prediken HET KONINKRIJK
GODS", niet Zijn
sterven voor de zonde.
Uit hetgeen we tot dusver hebben aangetoond, is het
duidelijk dat in dit hoofdstuk veel evangeliën
kunnen worden besproken. Wij zullen ons echter beperken tot de vijf,
aangegeven op het voorgaande schema, omdat we daarin iets zien van de
denkwijze van Gods handelen met mensen.
Voordat we elk evangelie apart gaan behandelen, zou de
lezer terug moeten gaan naar het schema op vorige bladzijde om het volgende op
te merken:
1.
Het evangelie van het koninkrijk brengt ons terug tot David,
met wie het verbond van het koninkrijk was gemaakt.
2.
Het evangelie van de besnijdenis brengt ons terug vóór David tot Abraham,
met wie het verbond der besnijdenis was gemaakt.
3. Het
evangelie van de voorhuid brengt ons terug
vóór David en Abraham tot Abram,
die als onbesneden heiden
gerechtvaardigd werd door geloof.
4. De
boodschap van de verzoening*/ brengt ons terug vóór David, Abraham en
Abram tot Adam, de "ene
mens" door wie de wereld werd vervreemd
van God.
5. Het
geheimenis*/[1] brengt ons terug vóór
David, vóór Abraham, vóór Abram, vóór Adam tot God
Zelf en "het welbehagen van Zijn wil".
HET EVANGELIE VAN HET
KONINKRIJK
Het evangelie van het koninkrijk brengt ons terug, zoals we gezien hebben, tot David. Dit goede nieuws was gebaseerd op een belofte, gedaan aan Koning David:
DOCH UW HUIS ZAL BESTENDIG ZIJN EN UW KONINKRIJK TOT IN
EEUWIGHEID"
(2Sam.7:16, Zie ook verzen 4-17, 1Kron.17:4-15 en Ps.89:34-37).
David's koninkrijk zou worden bestendigd tot in
eeuwigheid, uiteraard, omdat Christus, de Zoon van David, de troon zou
bezetten en haar werkelijk de zetel van Gods regering over de aarde maken.
Daarom lezen we ook dat zij "nimmer zal worden verstoord" of
"overgelaten aan geen ander volk", maar "zal bestaan voor
eeuwig" (Dan.2:44).
Dit glorierijke koninkrijk, dat "de God van de
hemel" zou - en zal - vestigen op aarde, is zoals we hebben gezien, het
doel van Gods grote profetische plan. Dit plan wordt uitgebreid uiteengezet in
Jer.23:5,6:
"ZIE, DE DAGEN KOMEN, SPREEKT DE HEERE, DAT IK DEN
DAVID EEN RECHT-VAARDIGE SPRUITE ZAL VERWEKKEN; DIE ZAL KONING ZIJNDE REGEREN
EN VOORSPOEDIG ZIJN, EN RECHT EN GERECHTIGHEID DOEN OP DE AARDE.
"IN ZIJN DAGEN ZAL JUDA VERLOST WORDEN EN ISRAEL
ZEKER WONEN; EN DIT ZAL ZIJN NAAM ZIJN, WAARMEDE MEN HEM ZAL NOEMEN: DE HEERE
ONZE GERECHTIGHEID."
Daarom predikt onze Heere als Hij ten tonele verschijnt "het
evangelie (of goede nieuws) van het koninkrijk" (Matt.4:23, 9:35,
etc.).
HET
KONINKRIJK NABIJ
Het verschil tussen de profetiën
betreffende het koninkrijk en "het
evangelie van het koninkrijk" was dat het koninkrijk eens voorspeld nu werd verkondigd als "nabij".
Johannes de Doper, onze Heere en de twaalf predikten
uiteraard vele zaken, maar het thema,
het onderwerp van hun boodschap tijdens de aardse bediening van onze
Heere, was: "HET KONINKRIJK IS NABIJ GEKOMEN". Hierover kan geen
twijfel bestaan, want de vermelding hier is zeer beslist:
"En in die dagen kwam JOHANNES DE DOPER, predikende in de woestijn van Judea,
"zeggende: Bekeert u, want HET KONINKRIJK DER HEMELEN
IS NABIJGEKOMEN" (Matt.3:1,2).
Anders niets? Dit is alles wat hier gezegd wordt want dit
was het onderwerp van zijn boodschap. We lezen elders (Luk.3:18) dat hij
"nog vele andere dingen vermanende, verkondigde het volk het
Evangelie", maar dit is het
gegeven onderwerp van zijn
boodschap.
"Van toen aan heeft JEZUS begonnen te prediken en te
zeggen: Bekeert u, want het KONINKRIJK DER HEMELEN IS NABIJ GEKOMEN" (Matt.4:17).
Anders niets? Opnieuw is dit alles wat hier gezegd wordt
omdat dit het thema van Zijn boodschap was, hoewel Hij inderdaad vele andere
dingen zei in verband met dit thema.
"DEZE TWAALF heeft Jezus uitgezonden en hun bevel
gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen en gij zult niet ingaan in enige stad der
Samaritanen;
''Maar
gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis van Israel.
"En heengaande predikt, zeggende: HET KONINKRIJK DER
HEMELEN IS NABIJ GEKOMEN" (Matt.10:5-7).
Maar moesten zij niets anders prediken? Nogmaals, dit is
alles wat hier wordt verteld, omdat dit het thema
van hun boodschap moest zijn.
Vandaar dat het evangelie,
of goede nieuws dat Johannes de Doper, onze Heere en de twaalf
verkondigden vóór Christus' dood en opstanding niet "de prediking van
het kruis" was, maar het goede nieuws dat het lang beloofde koninkrijk nu
"nabij" was.
IN
DE OVERDRACHT VAN GEZAG ISRAEL
Er dient nauwkeurig op gelet te worden dat er niet eerder
een werkelijk aanbod van het
koninkrijk is dan na de opstanding van Christus (zie Hand. 3:19,20), want de
profeten hadden voortdurend getuigd van "het
lijden van Christus, en de heerlijkheid DAARNA volgende" (1Petr.1:11).
Het bevel was altijd hetzelfde geweest in de profetie: eerst de schande,
daarna de heerlijkheid; eerst het kruis, daarna de kroon. Vanuit Joël 2:28-32
is het alleen al duidelijk dat er geen aanbod
van het koninkrijk kon zijn alvorens de Geest zou zijn
"uitgestort". Bovendien bevestigen de omstandigheden dit want,
veronderstel dat het koninkrijk was aangeboden en geaccepteerd vóór het
kruis, zou Judas dán op éen van de twaalf tronen in het koninkrijk gezeten
hebben? Verder kon het aanbod van het koninkrijk slechts gedaan worden op
basis van het Nieuwe Verbond, dat niet kon worden gemaakt dan na de dood van
Christus (Matt.26:28).
De apostel Johannes vertelt ons dat toen sommigen Christus
met geweld koning wilden maken, Hij zich voor hen verborg (Joh.6:15) en dat
toen een menigte uit Jeruzalem kwam om Hem tot Koning uit te roepen, Hij hen
op "een ezelsveulen" tegemoet reed - een niet erg koninklijk
gezicht, om zo te zeggen (Joh.12:13,14,
vgl.Zach.9:9).
Dus gedurende de periode van de vier evangeliën, als het
koninkrijk wordt verkondigd als zijnde
"nabij", vinden we geen aanbod, dit vinden wij pas in het eerste
gedeelte van het boek Handelingen.
Het was echter reeds duidelijk toen de Heere op aarde was
dat de leiders in Israel het koninkrijk niet zouden beërven. Johannes had
hen opgeroepen om "vruchten voort te brengen der bekering waardig";
evenals Christus en de twaalf, maar inplaats daarvan smeedden zij een complot
om Christus te doden (Matt.21:33-39). Vandaar dat onze Heere tot hen zei:
"Daarom zeg Ik ulieden, DAT HET KONINKRIJK GODS VAN U
ZAL WEGGENOMEN WORDEN EN EEN VOLK
GEGEVEN, DAT ZIJN VRUCHTEN VOORTBRENGT" (Matt.21:43).
Wie zou "dat volk" zijn waaraan de Heere het
koninkrijk zou geven? Dit wordt voor ons beantwoord in Luk.12:32:
"VREES NIET, GIJ KLEIN KUDDEKEN, WANT HET IS UWS
VADERDS WELBEHAGEN, ULIEDEN HET KONINKRIJK TE GEVEN" (Luk.12:32).
En de vorsten in dat koninkrijk zouden niemand anders zijn
dan de twaalf apostelen, met Matthias in de plaats van Judas (Hand.1:20), want
in Matt.19:28 staat geschreven:
"En Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat gij,
die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte wanneer de Zoon des mensen zal
gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat GIJ OOK ZULT ZITTEN OP
TWAALF TRONEN, OORDELENDE DE TWAALF GESLACHTEN ISRAELS."
De twaalf apostelen en het "kleine kuddeke" van
Christus' volgelingen, zouden dan de plaats van de hogepriesters en oudsten
van die tijd als Israel's regeerders in het Koninkrijk innemen. Als we een
helder begrip van het evangelie van de genade van God
willen verkrijgen, is het van essentieel belang dat we deze waarheden
verstaan in verband met "het evangelie van het koninkrijk".
HET
EVANGELIE DER BESNIJDENIS
Termen zoals
"het evangelie van het koninkrijk" en "het evangelie van de
genade van God" zijn betrekkelijk gemakkelijk te begrijpen, maar
het is te betwijfelen of één op de duizend gelovigen enig idee heeft van de
betekenis van de term "Het
evangelie (of goede nieuws) der besnijdenis" (Gal.2:7).
Dit evangelie brengt ons terug tot vóór David, naar het
grote Verbond met Abraham, want het "teken" van besnijdenis werd aan
Abraham gegeven, niet alleen om hem en zijn zaad af te scheiden van de
goddeloze en losbandige heidenen, en als een "zegel" der
rechtvaardigheid des geloofs (Rom.4:11), maar ook en voornamelijk, als een teken van Gods verbond met hem (Gen.17:11).
Overeenkomstig dit verbond zou Abraham's vermenigvuldigde zaad (later genoemd "de Besnijdenis") een zegen worden voor alle volken. Er was nog veel meer dan dit, maar dit is het bijzondere deel van het verbond wat ons nu bezighoudt. Het was nadat Abraham aan God zijn geliefde zoon Izaäk had geofferd, dat God beloofde:
"Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en UW ZAAD
ZEER VERMENIGVULDIGEN, ALS DE STERREN DES HEMELS, EN ALS HET ZAND, DAT AAN DEN
OEVER DER ZEE IS; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.
"EN IN UW ZAAD ZULLEN GEZEGEND WORDEN ALLE VOLKEN DER
AARDE; naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt (Gen.22:17,18).
Het "evangelie der besnijdenis" was toen het goede nieuws gebaseerd op dit verbond. We lezen in Gal.2:7 dat "het evangelie der besnijdenis*/[2] aan Petrus werd toevertrouwd" en hij predikt dit dan ook in Hand.3:25,26:
"GIJLIEDEN ZIJT KINDEREN DER PROFETEN EN DES
VERBONDS, HETWELK GOD MET ONZE VADEREN OPGERICHT HEEFT, ZEGGENDE TOT ABRAHAM:
EN IN UW ZAAD ZULLEN ALLE GESLACHTEN DER AARDE GEZEGEND WORDEN.
"GOD OPGEWEKT HEBBENDE ZIJN KIND JEZUS, HEEFT
DENZELVEN EERST TOT U GEZONDEN, DAT HIJ ULIEDEN ZEGENEN ZOU, DAARIN DAT HIJ
EEN IEGELIJK VAN U AFKERE VAN UW BOOSHEDEN."
Dit is in het kort "het evangelie der
besnijdenis", en degenen uit de besnijdenis die het hoorden zullen het
zeker als goed nieuws beschouwd hebben dat de zegen van alle volken door hen
nu nabij was.
Maar het feit dat het evangelie der besnijdenis was
toevertrouwd aan Petrus, betekent niet dat het niet ook toevertrouwd was aan
de rest van de twaalf, of dat hij niet tezelfder tijd het evangelie van het
koninkrijk predikte, of dat onze Heere niet ook het evangelie van de
besnijdenis zou hebben gepredikt.
Het "evangelie van het koninkrijk" en "het
evangelie der besnijdenis" zijn zeer nauw met elkaar verbonden, net als
de verbonden met Abraham en met David zijn. Zoals het eerste het volk betrof, zo betrof
het laatste de regering en de troon
van dat volk.
Het is van betekenis dat de Nieuw Testamentische Schrift
begint met de woorden: "Het boek des geslachts
van JEZUS CHRISTUS, DEN ZOON VAN DAVID, DEN ZOON VAN ABRAHAM" (Matt.1:1).
Zowel vóór als na Pinksteren werd Gods grote programma
om de volken te zegenen door Israel met Christus als Koning erkend, maar vóór
Pinksteren lag het accent op het koninkrijk, terwijl na Pinksteren het accent
lag op het feit dat Israel het kanaal van Gods zegen zou zijn voor de wereld.
Vandaar dat we in de verslagen van de evangeliën lezen over "het
evangelie van het koninkrijk", terwijl we in Gal.2:7 lezen dat "het
evangelie der besnijdenis" werd toevertrouwd aan Petrus (onderscheiden
van Paulus). Deze zaak zal uitvoeriger worden besproken aan het eind van dit
hoofdstuk.
HET
EVANGELIE VAN DE VOORHUID
Zoals de evangeliën van het koninkrijk en van de
besnijdenis verkondigd werden door onze Heere en de twaalf apostelen, zo werd het
evangelie van de voorhuid toevertrouwd aan Paulus - en de twaalven
erkenden dit, want in Gal.2:7 zegt Paulus over hun leiders, dat "zij zagen dat het Evangelie der voorhuid aan mij was toebetrouwd".
In het evangelie van de voorhuid is alles door genade en
door geloof. Dit goede nieuws is niet gebaseerd op enig verbond (hoewel de
zegen van Abraham nu tot de heidenen komt door
Christus Gal.3:14,16), want de apostel Paulus, als hij dit verkondigt,
brengt ons terug tot vóór David en Abraham, naar Abram,
de goddeloze heiden die volkomen rechtvaardiging ontving door geloof alleen,
lang voordat hij werd besneden.
Door deze zaak met Abraham is bewezen dat God niet
verplicht was alleen de besnedenen te rechtvaardigen of redding aan de
heidenen te zenden door hen, hij toont aan dat God de vader van het Hebreeuwse
volk rechtvaardigde door genade, door geloof,
geheel los van de besnijdenis, en dat hij de besnijdenis jaren later
had ontvangen als teken van de rechtvaardigheid die hij reeds door het geloof
ontvangen had:
"Deze zaligspreking dan, is die alleen over de
besnijdenis of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof
gerekend is tot rechtvaardigheid.
HOE IS HET HEM
DAN TOEGEREKEND? ALS HIJ IN DE BESNIJDENIS WAS OF IN DE VOOHUID? NIET IN DE
BESNIJDENIS, MAAR IN DE VOORHUID.
"EN HIJ
HEEFT HET TEKEN DER BESNIJDENIS ONTVANGEN TOT EEN ZEGEL DER RECHTVAARDIGHEID
DES GELOOFS, DIE HEM IN DE VOORHUID WAS TOEGEREKEND; OPDAT HIJ ZOU ZIJN EEN VADER VAN ALLEN, DIE GELOVEN IN DE VOORHUID
ZIJNDE, TEN EINDE OOK HUN DE RECHTVAARDIGHEID TOEGEREKEND WORDE" (Rom.4:9-11).
Op die manier laat de apostel zien dat alleen omdat God
Abrahams zaad had uitverkoren als het kanaal waardoor alle volken gezegend
zouden worden, zij niet moesten veronderstellen dat Hij hen niet op een andere
manier kon zegenen; en nog minder dat het Zijn bedoeling was om alleen
Israel te zegenen en te redden, want God had hun eigen vader Abraham door
geloof, geheel los van de besnijdenis, gerechtvaardigd. Waarom zou Hij nu niet
hetzelfde kunnen doen?
We moeten niet voorbijgaan aan het feit dat waar "het
evangelie van de besnijdenis" exclusief
is "het evangelie van de voorhuid" inclusief
is, alle gelovigen omvattend, of ze
Jood zijn dan wel heiden, want Paulus' voornaamste punt in Romeinen 4 is dat
Abraham het geloof werd toegerekend tot rechtvaardigheid voordat
hij was besneden, "opdat hij
zou zijn de vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde".
"Het evangelie van de voorhuid" omvat dus beiden,
Jood en heiden. Het is inderdaad zeer betekenisvol, dat met het oog op Israels
afwijzing van Christus, God nu Paulus zou uitzenden om hier op te wijzen en
redding aan te bieden uitsluitend door geloof zowel aan Jood als heiden.
Onder "het evangelie van het koninkrijk" werd de
twaalf uitdrukkelijk geboden niet te
gaan naar de heidenen of de Samaritanen, maar alleen tot de verloren schapen
van het huis Israels (Matt.10:5,6). Onder "het evangelie van de
besnijdenis" werden deze zelfde apostelen nadrukkelijk geïnstrueerd om eerst
naar Israel te gaan (Luk.24:47, Hand.1:8). In beide gevallen was de reden
dat God beloofd had om de volken te
zegenen door Israel.
Maar nu, met Israels weigering om het kanaal van zegen te
worden, stelt God tijdelijk de vervulling van de verbonden uit, roept
een andere apostel en zendt hem uit met het heerlijke "evangelie van
de voorhuid", waarin:
"GEEN ONDERSCHEID*/[3]
IS, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT EENZELFDE IS HEERE VAN ALLEN, RIJK
ZIJNDE OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN.
"WANT EEN IEGELIJK DIE DEN NAAM DES HEEREN ZAL
AANROEPEN, ZAL ZALIG WORDEN." (Rom.10:12,13).
Het moet duidelijk zijn dat Paulus' bediening aan de
heidenen met "het evangelie van de voorhuid" in de plaats kwam van
de aardse bediening van onze Heere en de Pinksterbediening van de twaalf. Dit
is nadrukkelijk gesteld in twee passages in Romeinen en Galaten. De eerste, in
Rom.15, laat zien hoe Paulus' bediening in de plaats kwam van die van Christus
op aarde:
"En ik zeg, dat Jezus Christus een Dienaar geworden
is der besnijdenis (het Hebreeuwse volk) vanwege de waarheid Gods, opdat Hij
bevestigen zou de beloftenissen der vaderen. "En de heidenen God vanwege
de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is..." (Rom.15:8,9).
Dit was in overeenstemming met het profetisch programma. Christus bevestigde de beloften die aan de vaderen waren gedaan. Indien Israel op Pinksteren Christus had geaccepteerd, zouden deze beloften (van haar toekomstige zegen) zijn vervuld, en de heidenen zouden (zoals zij eenmaal zullen) God verheerlijkt hebben vanwege Zijn barmhartigheid.
Maar hoewel deze beloften zo beslist waren bevestigd, wees
Israel Christus af en nu schrijft Paulus, geinspireerd, aan de gelovigen te
Rome:
"Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven,
broeders, u als wederom dit indachtig makende , om de genade die mij van God
gegeven is,
"OPDAT IK EEN DIENAAR VAN JEZUS CHRISTUS ZIJ ONDER DE
HEIDENEN, HET EVANGELIE GODS BEDIENENDE, OPDAT DE OFFERANDE DER HEIDENEN
AANGENAAM WORDE, GEHEILIGD DOOR DEN HEILIGEN GEEST" (Rom.15:15,16).
De tweede passage, in Galaten 2, laat zien hoe Paulus'
bediening in de plaats gekomen is van de
twaalf:
"En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het
Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder dengenen
die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen
hebben.
"MAAR...DAARENTEGEN, ALS ZIJ ZAGEN DAT MIJ HET
EVANGELIE DER VOORHUID TOEBETROUWD WAS, GELIJK PETRUS DAT DER BESNIJDENIS;
"EN ALS JAKOBUS EN CEFAS EN JOHANNES, DIE GEACHT
WAREN PILAREN TE ZIJN, DE GENADE DIE MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ MIJ
EN BARNABAS DE RECHTERHAND DER GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN EN ZIJ
TOT DE BESNIJDENIS ZOUDEN GAAN" (Gal.2:2,7,9).
Merk op: de twaalf, die eerst
gezonden waren tot "de gehele wereld" om "het evangelie"
aan "alle creaturen" te prediken, "te beginnen bij
Jeruzalem", erkenden nu dat de vervulling op dat moment van deze grote
opdracht door Israels ongeloof onderbroken was, de nieuwe opdracht die aan
Paulus was gegeven erkennend, gaven hun leiders de rechterhand der gemeenschap
aan Paulus en Barnabas, dat zij nu tot de heidenen zouden gaan, terwijl zij
hun bediening zouden beperken tot Israel. Dit is de oorzaak van Paulus'
schrijven in Rom.11:13:
"WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN: VOOR ZOVEEL IK DER
HEIDENEN APOSTEL BEN, IK MAAK
MIJN BEDIENING HEERLIJK".
HET EVANGELIE VAN VERZOENING
De boodschap van verzoening werd, zoals dat van de
voorhuid, eerst toevertrouwd aan de apostel Paulus. De boodschap brengt ons
terug tot vóór David, vóór Abraham, vóór Abram, tot Adam,
de vader van het menselijke geslacht, de "éne mens" door wie
"zonde in de wereld ingekomen is", en verklaart waarom
God nu met Joden en heidenen moest handelen op dezelfde basis.
De Heere Jezus verkondigde niet de boodschap van
verzoening toen Hij op aarde was. Slechts éénmaal, voor zover wordt vermeld,
gebruikte Hij het woord verzoening, en dan alleen als verwijzing naar de verzoening van twee
broeders. Evenmin verkondigden de apostelen op Pinksteren verzoening en nog
minder de verzoening van Jood en heiden met God in één lichaam.
Evenzo lezen we niet dat onze Heere op aarde, of de twaalf
op Pinksteren, terug gingen tot Adam in hun prediking. Zij spraken telkens
weer van de beloften gedaan aan David en Abraham, maar noemden de naam Adam
zelfs niet. Onze Heere verwees éénmaal
naar Adam, zonder zijn naam te noemen, maar in dat geval behandelde Hij de
zaak van huwelijk en scheiding en stelde eenvoudig vast dat: "Die van den
beginne den mens gemaakt heeft man en vrouw".
De boodschap
van verzoening kon niet eerder gepredikt worden aan de wereld, dan na de
verwerping van Israel, om de eenvoudige reden, dat vrienden niet behoeven te
worden verzoend, en Israel was, in het begin van Handelingen, nog steeds Gods
uitverkoren volk. Daarom lezen we:
"WANT INDIEN HUN (ISRAEL'S) VERWERPING DE VERZOENING
IS DER WERELD, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de
doden?" (Rom.11:15).
Verzoening gaat uit van vervreemding;
vandaar was het niet eerder dan nadat God begonnen was om Israel terzijde te
stellen dat Hij verzoening begon aan te bieden door Paulus. Bovendien was het,
toen Israel zich voegde bij de heidenen in hun opstand tegen God en Zijn
Christus, dat 's mensen natuurlijke vervreemding
van God, volledig was aangetoond.
Daarom brengt Paulus ons in de boodschap van verzoening, terug, niet tot David
en Abraham, met wie de verbonden waren gesloten, maar tot Adam, door wie de hele mensheid van God vervreemd was.
"DAAROM, GELIJK DOOR ÉÉN MENS DE ZONDE IN DE WERELD
INGEKOMEN IS, EN DOOR DE ZONDE DE DOOD; EN ALZO DE DOOD TOT ALLE MENSEN
DOORGEGAAN IS, IN WELKEN
ALLEN GEZONDIGD HEBBEN" (Rom.5:12).
De val van Israel was vanzelfsprekend, want de
kinderen van Israel waren eveneens kinderen van de gevallen Adam. God had
verschil gemaakt tussen Israel en de heidenen om onder andere te laten zien
dat er fundamenteel, essentiëel,
"geen verschil is"*/[4].
Dit was het wat God nu leerde door Israel terzijde te
stellen en door verzoening aan te bieden aan Jood en heiden op gelijke basis. Dit
genadige aanbod is niet gebaseerd op verbondsbeloften, maar op de feiten
van de vervreemding van de mens van God, zijn wanhopige nood, en Gods
oneindige liefde en barmhartigheid.
Dank God, dat de boodschap van verzoening niet uitsluitend
de "éne mens" betrof door wie de zonde de wereld binnen kwam. Zij
betreft hoofdzakelijk "de tweede
Mens", "de laatste Adam", de "éne
Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus"
(1Cor.15:45,47, 1Tim.2:5).
"ZO DAN, GELIJK DOOR ÉÉN MISDAAD DE SCHULD GEKOMEN
IS OVER ALLE MENSEN TOT VERDOEMENIS, ALZO OOK DOOR ÉÉN RECHTVAARDIGHEID KOMT
DE GENADE OVER ALLE MENSEN TOT RECHTVAARDIGMAKING DES LEVENS.
"WANT GELIJK DOOR DE ONGEHOORZAAMHEID VAN DIEN ÉNEN
MENS VELEN TOT ZONDAARS GESTELD ZIJN GEWORDEN, ALZO ZULLEN OOK DOOR DE
GEHOORZAAMHEID VAN ÉÉN VELEN TOT RECHTVAARDIGEN GESTELD WORDEN" (Rom.5:18,19).
Het is door deze andere "éne Mens" en Zijn dood
op Golgotha, dat zondaars - Jood of heiden om het even - verzoend mogen worden
met een heilig God. In Kol.1:21,22 verklaart de apostel der verzoening:
"En Hij heeft u, die eertijds VERVREEMD waart, en
VIJANDEN door het verstand in de boze werken, nu ook VERZOEND,
"IN HET LICHAAM ZIJNS VLESES, DOOR DEN DOOD, OPDAT
HIJ U ZOU HEILIG EN ONBERISPELIJK EN ONSCHULDIGLIJK VOOR ZICH STELLEN"
Aldus, "indien
wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door
den dood Zijns Zoons" (Rom.5:10 en vgl Ef.2:11-18).
Zoals we gezien hebben, is de verkondiging van deze
glorieuze boodschap onze grote opdracht, zoals ons duidelijk wordt verteld in
2Cor.5:18,19. Wij citeren deze passage hier met wat meer van haar context,
zodat de lezer het vollediger mag verstaan en waarderen:
"ZO DAN, WIJ KENNEN VAN NU AAN NIEMAND NAAR HET
VLEES; EN INDIEN WIJ OOK CHRISTUS NAAR HET VLEES GEKEND HEBBEN, NOCHTANS
KENNEN WIJ HEM NU NIET MEER NAAR HET VLEES.
"ZO DAN, INDIEN IEMAND IN CHRISTUS IS, DIE IS EEN
NIEUW SCHEPSEL; HET OUDE IS VOORBIJGEGAAN, ZIE, HET IS ALLES NIEUW
GEWORDEN"
"EN AL DEZE DINGEN ZIJN UIT GOD, DIE ONS MET
ZICHZELVEN VERZOEND HEEFT DOOR JEZUS CHRISTUS, EN ONS DE BEDIENING DER
VERZOENING GEGEVEN HEEFT. "WANT GOD WAS IN CHRISTUS DE WERELD MET
ZICHZELVEN VERZOENENDE, HUN ZONDEN NIET TOEREKENENDE; EN HEEFT HET WOORD DER
VERZOENING IN ONS GELEGD.
"ZO ZIJN WIJ DAN GEZANTEN VAN CHRISTUS' WEGE, ALSOF
GOD DOOR ONS BADE; WIJ BIDDEN VAN CHRISTUS' WEGE: LAAT U MET GOD VERZOENEN .
"WANT DIEN, DIE GEEN ZONDE GEKEND HEEFT, HEEFT HIJ
TOT ZONDE VOOR ONS GEMAAKT, OPDAT WIJ ZOUDEN WORDEN RECHTVAARDIGHEID GODS IN
HEM" (2Cor.5:16-21).
Dit is onze grote
opdracht; dat wij deze trouw mogen uitvoeren!
Wij benadrukken dat het hier gaat om een aanbod
en geen belofte van universele verzoening. De apostel vraagt de mensen
niet om in dit leven verzoend te worden, om als het ware aan een korte tijd
van tuchtiging te ontkomen. Er is geen heenwijzing in deze bede dat allen
eventueel zullen worden verzoend, ongeacht hun antwoord op dit aanbod.
Integendeel hij smeekt hen om nu te
worden verzoend, want "nu is
de welaangename tijd", hij bidt hen te worden verzoend voor het te
laat is, zo dat zij niet "tevergeefs" het genadige aanbod mogen
ontvangen hebben. (Lees nauwkeurig
de volgende verzen: 2 Cor.6:1,2). Het is inderdaad waar, dat in de naam van
Jezus elke knie éénmaal zal buigen, van dergenen die in den hemel zijn, en
die op aarde en onder de aarde zijn, en dat alle tong Hem zal belijden als
Heere (Fil.2:10,11), maar dit is universele onderwerping,
geen verzoening. Deze uiteindelijke
onderwerping van al degenen, hemels, aards en hels, aan Christus zal niet het
resultaat zijn van het tegenwoordige
aanbod:
"NAMELIJK, INDIEN
GIJ MET UW MOND ZULT BELIJDEN DEN HEERE JEZUS (JEZUS ALS HEERE), EN MET UW
HART GELOVEN, DAT HEM GOD UIT DE DODEN OPGEWEKT HEEFT, ZO ZULT GIJ ZALIG
WORDEN" (Rom.10:9).
Evenmin moeten wij de voorzegging van universele
onderwerping verwarren met Gods plan om "alle
dingen tot Zichzelven te verzoenen...hetzij de dingen die OP DE AARDE, hetzij
de dingen die IN DE HEMELEN" zijn" */[5] (Kol.1:20).
Wat betreft onze verantwoordelijkheid om Gods aanbod van
verzoening te verkondigen aan de verlorenen, is één ding zeker: Als we onze
opdracht getrouw willen uitvoeren, moeten we zo gedrongen worden door de
liefde van Christus (2 Cor.5:14) dat, ondanks dat mensen ons als
"uitzinnig" beschouwen (vers 13), wij willen leven
voor Hem, Die voor ons stierf (vers
15), mensen "smekende" en
hen "biddende" in
Christus plaats, om met God te worden verzoend (vers 20), wetende dat het "NU
de welaangename tijd" is, en "NU
de dag der zaligheid" (6:2).
HET
GEHEIMENIS
We hebben "het
geheimenis" reeds eerder besproken, maar zullen het hier beschouwen
in verband met de verschillende evangeliën.
Evenals het koninkrijk van Christus het onderwerp is van
de profetische Schriften, zo is het
lichaam van Christus het onderwerp van het grote geheimenis, geopenbaard
aan en door de apostel Paulus.
De apostel definiëert dit "geheimenis", door
openbaring aan hem bekend gemaakt (Efeze
3:3), als volgt:
"Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en
van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus door het
Evangelie" (Efeze 3:6). */[6]
Er zijn, zoals we hebben gezien, vele aspecten van het
geheimenis, maar de grote centrale waarheid is, dat God van gelovige Joden en
heidenen één lichaam heeft geformeerd in Christus
Het zal reeds duidelijk geworden zijn dat deze heerlijke
waarheid betreffende het lichaam vanzelf volgt op de openbaring betreffende de
evangeliën van de voorhuid en
van de verzoening. Inderdaad wijst de apostel er zelf op dat het éne lichaam
het product is van de verzoening
van Joden en heidenen met God. Verklarende hoe God "de
middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende", gaat hij voort door
te zeggen dat dit was gedaan:
"...OPDAT
HIJ DIE TWEE IN ZICHZELVEN TOT ÉÉN NIEUWEN MENS ZOU SCHEPPEN, VREDE
MAKENDE,
"EN OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN ÉÉN LICHAAM ZOU
VERZOENEN DOOR HET KRUIS, DE VIJANDSCHAP AAN HETZELVE GEDOOD HEBBENDE.
"EN KOMENDE, HEEFT HIJ DOOR HET EVANGELIE VREDE
VERKONDIGD U DIE VERRE WAART EN DIEN DIE NABIJ WAREN.**/[7]
"WANT DOOR HEM HEBBEN WIJ BEIDEN DE TOEGANG DOOR ÉÉN
GEEST TOT DEN VADER". (Efeze 2:14-18).
We hebben er reeds op gewezen dat er vóór de brieven van
Paulus geen enkel woord te vinden is over dit grote geheimenis of enige ermee
verband houdende geheimenissen. Maar dit betekent niet dat het een late inval
van Gods kant was, want bij het verkondigen van het geheimenis neemt de
apostel ons terug tot vóór David en Abraham, vóór Abram en Adam, tot God,
Die het alles heeft gepland.
Hoewel de meest geestelijke gelovige in Jeruzalem niet
heeft kunnen weten wat God zou doen wanneer Israel Zijn verrezen,
verheerlijkte Zoon zou afwijzen, had God vanaf het begin, een genadig,
glorierijk plan in gedachten. Hij zegt eenvoudig, dat "die
van de tijden der eeuwen VERZWEGEN IS GEWEEST" (Rom.16:25), "welke in andere eeuwen den kinderen der mensen NIET IS BEKEND
GEMAAKT" (Ef.3:5), dat het "
die van alle eeuwen VERBORGEN is geweest in God" (Ef.3:9), dat het "VERBORGEN
is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (Kol.1:26), maar
in dit alles maakt Hij het zeer duidelijk dat het hele plan was:
"NAAR HET
EEUWIGE VOORNEMEN, DAT HIJ GEMAAKT HEEFT IN CHRISTUS JEZUS, ONZEN HEERE" (Ef.3:11).
Wat zouden wij ons moeten verheugen, dat de (tijdelijke)
verwerping van Israel, het aanbod van rechtvaardiging zowel aan Jood als
heiden, en de verzoening van beiden, Joden en heidenen met Zichzelf in één lichaam, Gods wonderbaar
plan was vanaf het begin; het geschenk van Zijn genade, dat zou worden
geopenbaard wanneer de zonde tot haar hoogtepunt zou zijn gerezen! Hoe zouden
wij Hem moeten aanbidden,
"Die ons
heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; NIET NAAR ONZE
WERKEN, MAAR NAAR ZIJN EIGEN VOORNEMEN EN GENADE, DIE ONS GEGEVEN IS IN
CHRISTUS JEZUS, VóóR DE TIJDEN DER EEUWEN" (2Tim.1:9).
BASIS-VERBANDEN
EN VERSCHILLEN
TUSSEN DEZE EVANGELIËN
Het zal u zijn opgevallen op voorgaand kaartschema dat de
twee delen die het evangelie van het koninkrijk en het evangelie van de
besnijdenis bedekken grijs zijn aangegeven. Dit is gedaan omdat deze twee
evangeliën nauw met elkaar verbonden zijn.
1.
Beiden werden gebaseerd
op verbonden en openbaarden niet
"de uitnemende
2. Beiden
waren verbonden met profetie, niet
met het geheimenis.
3.
Beiden waren verbonden met inzettingen en tekenen. Besnijdenis
was het teken van het verbond
met Abraham (Gen.17:11). Waterdoop was
het teken van het verbond met
David (Ex.29:4, vgl.Ex.19:5,6, Jes.61:6, Matt.3:1-6).
4. Deze twee evangeliën werden verkondigd door Johannes
de Doper en de twaalf.
5.
Matt.1:1 introduceert
Christus als "de Zoon van David, de Zoon van Abraham", en het verbond met
Abraham is voor wat het volk betreft natuurlijk nauw verbonden
met het verbond met David, voor wat betreft de Koning die over dat volk
zal regeren.
De overige drie boodschappen (op het schema de buitenste drie) zijn
eveneens nauw met elkaar
verbonden.
1. Deze drie zijn gebaseerd op "genade
alleen", niet op verbonden of beloften.
2. Alle drie werden tevoren geheim
gehouden, niet voorspeld.*/[8]
3. Geen van de drie had enige relatie met inzettingen of tekenen.**/[9] Wij zijn besneden en gedoopt in Christus (1Cor.6:11, Fil.3:3, Col.2:9-12).
4. Alle drie de boodschappen werden
eerst aan Paulus toebetrouwd.
5.
Deze evangeliën zijn
onlosmakelijk verbonden als één
voortschreidende openbaring. Daarom
spreekt de apostel Paulus over "mijn
evangelie"
(Rom.2:16, 16:25,
2Tim.2:8) en gebruikt de algemene term "het
evangelie van de genade van God",
als hij verwijst naar zijn gehele christelijke
bediening (Hand.20:24).
Verder kan worden opgemerkt dat Johannes de Doper,
Christus, en de twaalf, in hun verkondigingen van het bijzondere naar het
algemene gingen, terwijl Paulus van het algemene naar het bijzondere ging. Dit
kwam doordat het geprofeteerde programma
van het toneel verdween op hetzelfde moment dat het programma van het
geheimenis verscheen.
Zo is Christus Zelf eerst aangekondigd in de evangeliën; dan wordt Zijn Messiasschap verkondigd in "het evangelie van het koninkrijk", en na Zijn kruisiging wordt Israels gelegenheid om een zegen te worden voor de wereld benadrukt in "het evangelie van de besnijdenis". Of, om het anders te zeggen: Christus, de Zoon van David, werd allereerst voorgesteld; dan wordt het verbond met David van het koninkrijk herroepen en, na het kruis, het bredere verbond met Abraham.
Omgekeerd, toen Israel bleef bij haar afwijzing van
Christus, begon de apostel Paulus met het brede "evangelie
van de voorhuid", als een basis voor de boodschap
van verzoening, waarbij zowel Joden als heidenen één lichaam in Christus zouden worden. Zo begon hij met wat de
Schrift duidelijk had voorzien (doch niet voorzegd) en eindigde met de
verborgenheid zelf, "die van de tijden der eeuwen VERZWEGEN IS GEWEEST".
Het bovenstaande zou kunnen worden geïllustreerd met het
volgende schema:
VRAGEN
1.
Wat is er misleidend in de term: "De vier Evangeliën"?
2.
Waartoe was het nodig dat we vier afzonderlijke verslagen van de aardse
bediening van onze Heere hebben?
3.
Wat is er verkeerd in de gedachte dat er slechts één evangelie in de
Bijbel staat ?
4.
Waarom is het bijzonder nodig om de contekst in gedachten te houden
wanneer we de eenvoudige uitdrukking "het evangelie" lezen?
5.
Teken uit het hoofd het schema van de vijf
evangeliën dat in dit hoofdstuk word besproken.
6.
Hoe werd het koninkrijk verkondigd vóór het kruis?
7.
Welke twee Schriftgedeelten vertellen ons dat het koninkrijk zou worden
"weggenomen van" de leiders van Israel en "gegeven aan"
het "kleine kuddeke" van de volgelingen van Christus?
8.
Welke passage bevat de belofte van onze Heere dat de twaalf op twaalf
tronen zullen zitten in het koninkrijk?
9.
Wanneer werd het koninkrijk voor het eerst aan Israel aangeboden?
10.
Op welk grote verbond werd het "evangelie van de besnijdenis"
gebaseerd?
11.
Leg uit hoe de evangeliën van het koninkrijk en van de besnijdenis met
elkaar verbonden waren.
12.
Op welke belangrijke feiten was "het evangelie van de
voorhuid" gebaseerd?
13.
Waar lezen we dat "het evangelie van de voorhuid" in 't
bijzonder aan Paulus was toebetrouwd?
14.
Waar wordt bij verzoening vanuit gegaan, of wat wordt verondersteld?
15.
Waar vinden we dat de boodschap van verzoening is verbonden met de
verwerping van Israel?
16.
Om welke twee mannen draait de boodschap van verzoening hoofdzakelijk?
17.
Verklaar het belang van het feit dat volgens 2Cor.5, de verkondiging
van de verzoening niet een belofte is, maar een smeekbede.
18.
Leg uit hoe de vorming van het lichaam verbonden is met de verkondiging
van de verzoening.
19.
Geef drie Schriftplaatsen die bewijzen dat "het geheimenis"
niet eerder werd geopenbaard dan door Paulus.
20. Toon aan hoe de evangeliën van de voorhuid en het geheimenis met elkaar verbonden zijn.
[1]/Voetnoot: Omdat wij uitdrukkingen zoals "het evangelie van verzoening", of "het evangelie van het geheimenis" niet in de Schrift vinden, zijn niettemin deze beide grote boodschappen gebracht als goed nieuws, en zijn ook beschreven als evangeliën. Zie Col.1:21-23; Rom.16:25.
[2]*/Voetnoot: Er is geen letterlijke rechtsgrond voor deze uitdrukking: "het evangelie van de besnijdenis", niettemin verandert dit niet de essentiële bedoeling van Gal.2:7.
[3]*/Voetnoot: Rom.1:16 spreekt dit in geen geval tegen. De moeilijkheid is, dat sommigen die deze tekst uit de contekst lichten, veronderstellen dat Paulus hier leert, dat het evangelie nog steeds eerst naar de Jood moet gaan, terwijl de gehele passage (Rom.1:13-16) een verweer is van zijn gaan naar de heidenen, daar het evangelie eerst naar de Joden is gegaan. Omdat Gods goede nieuws nu is: alles door genade, is er nu geen "eerst" meer. Dit zal verder worden besproken in een later hoofdstuk.
[4]*/Voetnoot: Enige jaren geleden was er een Joodse papierhandelaar van wie wij hoeveelheden papier kochten voor ons maandblad Berean Searchlight. Op zekere dag, toen wij "discussieerden" over de prijs van een kist papier, riep hij uit: "Als je me nog iets lager brengt, ga ik bankroet!" Ik antwoordde grappend, dat als ooit de tijd zou komen dat ik een zoon van Abraham in zaken overtroeven zou, ik mezelf een goede zakenman zou vinden, eraan toevoegend: "Zeg, Sam, zijn jij en ik bloedverwanten?" Hij scheen tamelijk verrast bij deze vraag, maar antwoordde met een sprankel in zijn oog: "Nee, ik ben een zoon van Abraham". Ik dwong hem verder, en zei: "Dat weet ik, maar vertel me eens, ben je wel gerelateerd aan Adam?" Hierop krabde hij op zijn hoofd en aarzelde enkele ogenblikken. Hij kende het Oude Testament tamelijk goed. Ten laatste antwoordde hij: "Deze keer heb jij mij!" Hij wist dat wij beiden zonen van Adam waren.