Terug naar de hoofd menu

H O O F D S T U K  XI

GOED  NIEUWS

DE "VIER EVANGELIEN"

Er is vaak  gezegd dat de zogenaamde "vier evangeliën" feitelijk vier verslagen zijn van de aardse bediening van onze Heere vastgelegd door vier verschillende schrijvers. Deze vier verslagen vinden wij in de Schrift, niet als verschillende evangeliën maar als beschrijvingen van onze gezegende Heere Zelf vanuit vier verschillende aspecten. Mattheus beschrijft Hem als Koning, Markus als Dienstknecht, Lukas als Mens en Johannes als God; en elke schrijver blijft, terwijl hij de andere aspecten van Christus' persoon en plaats erkent, voortdurend bij het bijzondere aspect waartoe hij geïnspireerd werd tot schrijven.

Sommigen hebben gesuggereerd dat één biografie; één schilderij, om zo te zeggen, beter geweest zou zijn, maar men zou net zo goed kunnen proberen om een heel huis te schilderen op één schilderij. Het zou vreemd zijn als de dweil, de vuilnisbak, de melkkan en de tuinslang allemaal te zien zouden zijn bij de voordeur! En waar zou er op het schilderij plaats zijn om alle deuren en ramen van alle vier muren te laten zien? Zo waren er vier verschillende verslagen nodig van de bediening van onze Heere om de vier aspecten van Zijn persoon, positie en werk naar voren te brengen.

IS ER SLECHTS ÉÉN EVANGELIE ?

Zoals het technisch onjuist is om deze vier verslagen vier evangeliën te noemen, is het ook onjuist om te zeggen, zoals velen zeggen, dat er slechts één evangelie in de Schrift te vinden is.

Ten eerste betekent het woord evangelie (Gr. evangelion) eenvoudig goed nieuws, en als wij zeggen dat er in de Bijbel slechts één evangelie te vinden is, is dat hetzelfde als zeggen dat God door alle eeuwen heen slechts één goed nieuws boodschap aan de mensen gezonden heeft.

Ten tweede gebruikt God verschillende uitdrukkingen om de verscheidene goed nieuws boodschappen aan te duiden: b.v. : "het evangelie (goede nieuws) van het koninkrijk" (Matt.9:35), "het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24), "het evangelie van de onbesnedenen" (Gal.2:7), enz. En als God onderscheid maakt tussen deze evangeliën kunnen zij niet precies hetzelfde zijn.

 Vervolgens dient erop gelet te worden dat God Zijn goede nieuws geleidelijk heeft geopenbaard aan de mens. Aan Adam en Eva verkondigde Hij het evangelie, of goede nieuws, dat het zaad van de vrouw éénmaal de kop van de slang zou vermorzelen (Gen.3:15). Aan Abraham predikte Hij het evangelie, of goede nieuws, dat in hem alle volkeren zouden worden gezegend (Gal.3:8). En door het hele Oude Testament zien we  hoe God meer en meer goed nieuws aan de mens verkondigt. Ten slotte zond de Heere Zijn apostelen om "het evangelie van het koninkrijk" te verkondigen (zie Luk.9:1-6), maar merk op: dat zij toen niet wisten dat Christus zou gaan sterven. Lees in dit verband zorgvuldig Luk.18:31-34:

"En Hij nam de twaalve bij Zich en zeide tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen wat geschreven is door de profeten.

"Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.

"En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.  

"EN ZIJ VERSTONDEN GEEN VAN DEZE DINGEN, EN DIT WOORD WAS VOOR HEN VERBORGEN, EN ZIJ VERSTONDEN NIET HETGEEN GEZEGD WERD".

Let nauwkeurig op dat, nadat de apostelen "het evangelie" enige tijd (wellicht twee of meerdere jaren) gepredikt hadden zij niet het minste idee hadden waarover de Heere sprak toen Hij Zijn dood voorspelde. Hoewel de profeten het allang hadden voorspeld en de apostelen hen hadden moeten geloven (Luk 24:25). Kennelijk was dan "het evangelie" dat zij predikten niet "het evangelie" dat Paulus later predikte of "het evangelie" waardoor wij worden gered (zie 1Cor.15:1-4). "Het evangelie" dat zij predikten was "het evangelie van het koninkrijk" (Matt.9:35 vgl.Luk.9:2), niet "de prediking van het kruis" (1Cor.1:18).

Dit brengt ons bij nog een andere zaak van essentieël belang ten aanzien van Gods goede nieuws aan de mens: Als een vriend bij de lezer zou komen en zeggen: "Hebt u het goede nieuws gehoord?" dan zou de lezer natuurlijk vragen: "Welk goede nieuws?"  Wij moeten ons ook altijd deze vraag stellen bij onze studie van de Schrift als  we de uitdrukking "evangelie" tegenkomen, want deze uitdrukking alleen geeft op geen enkele wijze aan wat het goede nieuws is.

Dit wordt geïllustreerd door bovenstaande passage. Luk.9:6 zegt dat de apostelen "uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het Evangelie". Hieruit wordt dikwijls aangenomen dat zij uitgingen predikende redding door het kruis, zoals wij doen. Toch maakt Luk.18:31-34 duidelijk dat zij er zelfs geen idee van hadden dat Christus zou sterven. Een blik op de contekst in Luk.9 echter, maakt alles duidelijk, want in vers 2 lezen we: "En Hij zond hen heen om te prediken HET KONINKRIJK  GODS", niet Zijn sterven voor de zonde.

Uit hetgeen we tot dusver hebben aangetoond, is het duidelijk dat in dit hoofdstuk veel evangeliën kunnen worden besproken. Wij zullen ons echter beperken tot de vijf, aangegeven op het voorgaande schema, omdat we daarin iets zien van de denkwijze van Gods handelen met mensen.

Voordat we elk evangelie apart gaan behandelen, zou de lezer terug moeten gaan naar het schema op vorige bladzijde om het volgende op te merken:  

1.      Het evangelie van het koninkrijk brengt ons terug tot David, met wie het verbond van het koninkrijk was gemaakt.      

2.      Het evangelie van de besnijdenis brengt ons terug vóór David tot Abraham, met wie het verbond der besnijdenis was gemaakt.      

3.     Het evangelie van de voorhuid brengt ons terug  vóór David en Abraham tot Abram, die als onbesneden heiden gerechtvaardigd werd door geloof. 

4.     De boodschap van de verzoening*/ brengt ons terug vóór David, Abraham en Abram tot Adam, de "ene mens" door wie de wereld werd vervreemd van God.

 5.    Het geheimenis*/[1] brengt ons terug vóór David, vóór Abraham, vóór Abram, vóór Adam tot God Zelf en "het welbehagen van Zijn wil".

 HET EVANGELIE VAN HET KONINKRIJK

Het evangelie van het koninkrijk brengt ons terug, zoals we gezien hebben, tot David. Dit goede nieuws was gebaseerd op een belofte, gedaan aan Koning David: 

DOCH UW HUIS ZAL BESTENDIG ZIJN EN UW KONINKRIJK TOT IN EEUWIGHEID"  

(2Sam.7:16, Zie ook verzen 4-17, 1Kron.17:4-15 en Ps.89:34-37).

David's koninkrijk zou worden bestendigd tot in eeuwigheid, uiteraard, omdat Christus, de Zoon van David, de troon zou bezetten en haar werkelijk de zetel van Gods regering over de aarde maken. Daarom lezen we ook dat zij "nimmer zal worden verstoord" of "overgelaten aan geen ander volk", maar "zal bestaan voor eeuwig" (Dan.2:44).

Dit glorierijke koninkrijk, dat "de God van de hemel" zou - en zal - vestigen op aarde, is zoals we hebben gezien, het doel van Gods grote profetische plan. Dit plan wordt uitgebreid uiteengezet in Jer.23:5,6:

"ZIE, DE DAGEN KOMEN, SPREEKT DE HEERE, DAT IK DEN DAVID EEN RECHT-VAARDIGE SPRUITE ZAL VERWEKKEN; DIE ZAL KONING ZIJNDE REGEREN EN VOORSPOEDIG ZIJN, EN RECHT EN GERECHTIGHEID DOEN OP DE AARDE.

"IN ZIJN DAGEN ZAL JUDA VERLOST WORDEN EN ISRAEL ZEKER WONEN; EN DIT ZAL ZIJN NAAM ZIJN, WAARMEDE MEN HEM ZAL NOEMEN: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID."

Daarom predikt onze Heere als Hij ten tonele verschijnt "het evangelie (of goede nieuws) van het koninkrijk" (Matt.4:23, 9:35, etc.).

HET KONINKRIJK NABIJ

Het verschil tussen de profetiën betreffende het koninkrijk en "het evangelie van het koninkrijk" was dat het koninkrijk eens voorspeld nu werd verkondigd als "nabij".

Johannes de Doper, onze Heere en de twaalf predikten uiteraard vele zaken, maar het thema, het onderwerp van hun boodschap tijdens de aardse bediening van onze Heere, was: "HET KONINKRIJK IS NABIJ GEKOMEN". Hierover kan geen twijfel bestaan, want de vermelding hier is zeer beslist:

"En in die dagen kwam JOHANNES DE DOPER,  predikende in de woestijn van Judea,

"zeggende: Bekeert u, want HET KONINKRIJK DER HEMELEN IS NABIJGEKOMEN" (Matt.3:1,2).

Anders niets? Dit is alles wat hier gezegd wordt want dit was het onderwerp van zijn boodschap. We lezen elders (Luk.3:18) dat hij "nog vele andere dingen vermanende, verkondigde het volk het Evangelie", maar dit is het gegeven onderwerp van zijn boodschap.

"Van toen aan heeft JEZUS begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het KONINKRIJK DER HEMELEN IS NABIJ GEKOMEN" (Matt.4:17).

Anders niets? Opnieuw is dit alles wat hier gezegd wordt omdat dit het thema van Zijn boodschap was, hoewel Hij inderdaad vele andere dingen zei in verband met dit thema.

"DEZE TWAALF heeft Jezus uitgezonden en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg  der heidenen en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen; 

''Maar gaat veelmeer heen tot de verloren schapen van het huis van Israel.

"En heengaande predikt, zeggende: HET KONINKRIJK DER HEMELEN IS NABIJ GEKOMEN"  (Matt.10:5-7).

Maar moesten zij niets anders prediken? Nogmaals, dit is alles wat hier wordt verteld, omdat dit het thema van hun boodschap moest zijn.

Vandaar dat het evangelie, of goede nieuws dat Johannes de Doper, onze Heere en de twaalf verkondigden vóór Christus' dood en opstanding niet "de prediking van het kruis" was, maar het goede nieuws dat het lang beloofde koninkrijk nu "nabij" was.

IN DE OVERDRACHT VAN GEZAG ISRAEL

Er dient nauwkeurig op gelet te worden dat er niet eerder een werkelijk aanbod van het koninkrijk is dan na de opstanding van Christus (zie Hand. 3:19,20), want de profeten hadden voortdurend getuigd van "het lijden van Christus, en de heerlijkheid DAARNA volgende" (1Petr.1:11). Het bevel was altijd hetzelfde geweest in de profetie: eerst de schande, daarna de heerlijkheid; eerst het kruis, daarna de kroon. Vanuit Joël 2:28-32 is het alleen al duidelijk dat er geen aanbod van het koninkrijk kon zijn alvorens de Geest zou zijn "uitgestort". Bovendien bevestigen de omstandigheden dit want, veronderstel dat het koninkrijk was aangeboden en geaccepteerd vóór het kruis, zou Judas dán op éen van de twaalf tronen in het koninkrijk gezeten hebben? Verder kon het aanbod van het koninkrijk slechts gedaan worden op basis van het Nieuwe Verbond, dat niet kon worden gemaakt dan na de dood van Christus (Matt.26:28).

De apostel Johannes vertelt ons dat toen sommigen Christus met geweld koning wilden maken, Hij zich voor hen verborg (Joh.6:15) en dat toen een menigte uit Jeruzalem kwam om Hem tot Koning uit te roepen, Hij hen op "een ezelsveulen" tegemoet reed - een niet erg koninklijk gezicht, om zo te zeggen  (Joh.12:13,14, vgl.Zach.9:9).

Dus gedurende de periode van de vier evangeliën, als het koninkrijk wordt verkondigd als zijnde "nabij", vinden we geen aanbod, dit vinden wij pas in het eerste gedeelte van het boek Handelingen.

Het was echter reeds duidelijk toen de Heere op aarde was dat de leiders in Israel het koninkrijk niet zouden beërven. Johannes had hen opgeroepen om "vruchten voort te brengen der bekering waardig"; evenals Christus en de twaalf, maar inplaats daarvan smeedden zij een complot om Christus te doden (Matt.21:33-39). Vandaar dat onze Heere tot hen zei:

"Daarom zeg Ik ulieden, DAT HET KONINKRIJK GODS VAN U ZAL WEGGENOMEN WORDEN EN  EEN VOLK GEGEVEN, DAT ZIJN VRUCHTEN VOORTBRENGT" (Matt.21:43).

Wie zou "dat volk" zijn waaraan de Heere het koninkrijk zou geven? Dit wordt voor ons beantwoord in Luk.12:32:

"VREES NIET, GIJ KLEIN KUDDEKEN, WANT HET IS UWS VADERDS WELBEHAGEN, ULIEDEN HET KONINKRIJK TE GEVEN" (Luk.12:32).

En de vorsten in dat koninkrijk zouden niemand anders zijn dan de twaalf apostelen, met Matthias in de plaats van Judas (Hand.1:20), want in Matt.19:28 staat geschreven:

"En Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat GIJ OOK ZULT ZITTEN OP TWAALF TRONEN, OORDELENDE DE TWAALF GESLACHTEN ISRAELS."

De twaalf apostelen en het "kleine kuddeke" van Christus' volgelingen, zouden dan de plaats van de hogepriesters en oudsten van die tijd als Israel's regeerders in het Koninkrijk innemen. Als we een helder begrip van het evangelie van de genade van God  willen verkrijgen, is het van essentieel belang dat we deze waarheden verstaan in verband met "het evangelie van het koninkrijk".

HET EVANGELIE DER BESNIJDENIS

Termen zoals "het evangelie van het koninkrijk" en "het evangelie van de genade van God" zijn betrekkelijk gemakkelijk te begrijpen, maar het is te betwijfelen of één op de duizend gelovigen enig idee heeft van de betekenis van de term "Het evangelie (of goede nieuws) der besnijdenis" (Gal.2:7).

Dit evangelie brengt ons terug tot vóór David, naar het grote Verbond met Abraham, want het "teken" van besnijdenis werd aan Abraham gegeven, niet alleen om hem en zijn zaad af te scheiden van de goddeloze en losbandige heidenen, en als een "zegel" der rechtvaardigheid des geloofs  (Rom.4:11), maar ook en voornamelijk, als een teken van Gods verbond met hem (Gen.17:11).

Overeenkomstig dit verbond zou Abraham's vermenigvuldigde zaad (later genoemd "de Besnijdenis") een zegen worden voor alle volken. Er was nog veel meer dan dit, maar dit is het bijzondere deel van het verbond wat ons nu bezighoudt. Het was nadat Abraham aan God zijn geliefde zoon Izaäk had geofferd, dat God beloofde:

"Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen en UW ZAAD ZEER VERMENIGVULDIGEN, ALS DE STERREN DES HEMELS, EN ALS HET ZAND, DAT AAN DEN OEVER DER ZEE IS; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.

"EN IN UW ZAAD ZULLEN GEZEGEND WORDEN ALLE VOLKEN DER AARDE; naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt (Gen.22:17,18).

Het "evangelie der besnijdenis" was toen het goede nieuws gebaseerd op dit verbond. We lezen in Gal.2:7 dat "het evangelie der besnijdenis*/[2] aan Petrus werd toevertrouwd" en hij predikt dit dan ook in Hand.3:25,26:

"GIJLIEDEN ZIJT KINDEREN DER PROFETEN EN DES VERBONDS, HETWELK GOD MET ONZE VADEREN OPGERICHT HEEFT, ZEGGENDE TOT ABRAHAM: EN IN UW ZAAD ZULLEN ALLE GESLACHTEN DER AARDE GEZEGEND WORDEN.

"GOD OPGEWEKT HEBBENDE ZIJN KIND JEZUS, HEEFT DENZELVEN EERST TOT U GEZONDEN, DAT HIJ ULIEDEN ZEGENEN ZOU, DAARIN DAT HIJ EEN IEGELIJK VAN U AFKERE VAN UW BOOSHEDEN."

Dit is in het kort "het evangelie der besnijdenis", en degenen uit de besnijdenis die het hoorden zullen het zeker als goed nieuws beschouwd hebben dat de zegen van alle volken door hen nu nabij was.

Maar het feit dat het evangelie der besnijdenis was toevertrouwd aan Petrus, betekent niet dat het niet ook toevertrouwd was aan de rest van de twaalf, of dat hij niet tezelfder tijd het evangelie van het koninkrijk predikte, of dat onze Heere niet ook het evangelie van de besnijdenis zou hebben gepredikt.

Het "evangelie van het koninkrijk" en "het evangelie der besnijdenis" zijn zeer nauw met elkaar verbonden, net als de verbonden met Abraham en met David zijn. Zoals het eerste het volk  betrof, zo betrof het laatste de regering en de troon van dat  volk.

Het is van betekenis dat de Nieuw Testamentische Schrift begint met de woorden: "Het boek des  geslachts van JEZUS CHRISTUS, DEN ZOON VAN DAVID, DEN ZOON VAN ABRAHAM" (Matt.1:1).      

Zowel vóór als na Pinksteren werd Gods grote programma om de volken te zegenen door Israel met Christus als Koning erkend, maar vóór Pinksteren lag het accent op het koninkrijk, terwijl na Pinksteren het accent lag op het feit dat Israel het kanaal van Gods zegen zou zijn voor de wereld. Vandaar dat we in de verslagen van de evangeliën lezen over "het evangelie van het koninkrijk", terwijl we in Gal.2:7 lezen dat "het evangelie der besnijdenis" werd toevertrouwd aan Petrus (onderscheiden van Paulus). Deze zaak zal uitvoeriger worden besproken aan het eind van dit hoofdstuk.

HET EVANGELIE VAN DE VOORHUID

Zoals de evangeliën van het koninkrijk en van de besnijdenis verkondigd werden door onze Heere en de twaalf apostelen, zo werd het evangelie van de voorhuid toevertrouwd aan Paulus - en de twaalven erkenden dit, want in Gal.2:7 zegt Paulus over hun leiders, dat "zij zagen dat het Evangelie der voorhuid aan mij was toebetrouwd".      

In het evangelie van de voorhuid is alles door genade en door geloof. Dit goede nieuws is niet gebaseerd op enig verbond (hoewel de zegen van Abraham nu tot de heidenen komt door Christus Gal.3:14,16), want de apostel Paulus, als hij dit verkondigt, brengt ons terug tot vóór David en Abraham, naar Abram, de goddeloze heiden die volkomen rechtvaardiging ontving door geloof alleen, lang voordat hij werd besneden.      

Door deze zaak met Abraham is bewezen dat God niet verplicht was alleen de besnedenen te rechtvaardigen of redding aan de heidenen te zenden door hen, hij toont aan dat God de vader van het Hebreeuwse volk rechtvaardigde door genade, door geloof,  geheel los van de besnijdenis, en dat hij de besnijdenis jaren later had ontvangen als teken van de rechtvaardigheid die hij reeds door het geloof ontvangen had:

"Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.

HOE IS HET HEM DAN TOEGEREKEND? ALS HIJ IN DE BESNIJDENIS WAS OF IN DE VOOHUID? NIET IN DE BESNIJDENIS, MAAR IN DE VOORHUID.

"EN HIJ HEEFT HET TEKEN DER BESNIJDENIS ONTVANGEN TOT EEN ZEGEL DER RECHTVAARDIGHEID DES GELOOFS, DIE HEM IN DE VOORHUID WAS TOEGEREKEND; OPDAT HIJ  ZOU ZIJN EEN VADER VAN ALLEN, DIE GELOVEN IN DE VOORHUID ZIJNDE, TEN EINDE OOK HUN DE RECHTVAARDIGHEID TOEGEREKEND WORDE" (Rom.4:9-11).

Op die manier laat de apostel zien dat alleen omdat God Abrahams zaad had uitverkoren als het kanaal waardoor alle volken gezegend zouden worden, zij niet moesten veronderstellen dat Hij hen niet op een andere manier kon zegenen; en nog minder dat het Zijn bedoeling was om alleen Israel te zegenen en te redden, want God had hun eigen vader Abraham door geloof, geheel los van de besnijdenis, gerechtvaardigd. Waarom zou Hij nu niet hetzelfde kunnen doen?

We moeten niet voorbijgaan aan het feit dat waar "het evangelie van de besnijdenis" exclusief is "het evangelie van de voorhuid" inclusief is, alle gelovigen omvattend, of ze Jood zijn dan wel heiden, want Paulus' voornaamste punt in Romeinen 4 is dat  Abraham het geloof werd toegerekend tot rechtvaardigheid voordat hij was besneden, "opdat hij zou zijn de vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde". "Het evangelie van de voorhuid" omvat dus beiden, Jood en heiden. Het is inderdaad zeer betekenisvol, dat met het oog op Israels afwijzing van Christus, God nu Paulus zou uitzenden om hier op te wijzen en redding aan te bieden uitsluitend door geloof zowel aan Jood als heiden.

Onder "het evangelie van het koninkrijk" werd de twaalf uitdrukkelijk geboden niet te gaan naar de heidenen of de Samaritanen, maar alleen tot de verloren schapen van het huis Israels (Matt.10:5,6). Onder "het evangelie van de besnijdenis" werden deze zelfde apostelen nadrukkelijk geïnstrueerd om eerst naar Israel te gaan (Luk.24:47, Hand.1:8). In beide gevallen was de reden dat God beloofd had om de volken te zegenen door Israel.

Maar nu, met Israels weigering om het kanaal van zegen te worden, stelt God tijdelijk de vervulling van de verbonden uit, roept een andere apostel en zendt hem uit met het heerlijke "evangelie van de voorhuid", waarin:

"GEEN ONDERSCHEID*/[3] IS, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT EENZELFDE IS HEERE VAN ALLEN, RIJK ZIJNDE OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN.

"WANT EEN IEGELIJK DIE DEN NAAM DES HEEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG WORDEN." (Rom.10:12,13).

Het moet duidelijk zijn dat Paulus' bediening aan de heidenen met "het evangelie van de voorhuid" in de plaats kwam van de aardse bediening van onze Heere en de Pinksterbediening van de twaalf. Dit is nadrukkelijk gesteld in twee passages in Romeinen en Galaten. De eerste, in Rom.15, laat zien hoe Paulus' bediening in de plaats kwam van die van Christus op aarde:

"En ik zeg, dat Jezus Christus een Dienaar geworden is der besnijdenis (het Hebreeuwse volk) vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen. "En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is..." (Rom.15:8,9).

Dit was in overeenstemming met het profetisch programma. Christus bevestigde de beloften die aan de vaderen waren gedaan. Indien Israel op Pinksteren Christus had geaccepteerd, zouden deze beloften (van haar toekomstige zegen) zijn vervuld, en de heidenen zouden (zoals zij eenmaal zullen) God verheerlijkt hebben vanwege Zijn barmhartigheid.

Maar hoewel deze beloften zo beslist waren bevestigd, wees Israel Christus af en nu schrijft Paulus, geinspireerd, aan de gelovigen te Rome:

"Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende , om de genade die mij van God gegeven is,

"OPDAT IK EEN DIENAAR VAN JEZUS CHRISTUS ZIJ ONDER DE HEIDENEN, HET EVANGELIE GODS BEDIENENDE, OPDAT DE OFFERANDE DER HEIDENEN AANGENAAM WORDE, GEHEILIGD DOOR DEN HEILIGEN GEEST" (Rom.15:15,16).

De tweede passage, in Galaten 2, laat zien hoe Paulus' bediening in de plaats gekomen is van de  twaalf:

"En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder dengenen die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.

"MAAR...DAARENTEGEN, ALS ZIJ ZAGEN DAT MIJ HET EVANGELIE DER VOORHUID TOEBETROUWD WAS, GELIJK PETRUS DAT DER BESNIJDENIS;

"EN ALS JAKOBUS EN CEFAS EN JOHANNES, DIE GEACHT WAREN PILAREN TE ZIJN, DE GENADE DIE MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ MIJ EN BARNABAS DE RECHTERHAND DER GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN EN ZIJ TOT DE BESNIJDENIS ZOUDEN GAAN" (Gal.2:2,7,9).

Merk op: de twaalf, die eerst gezonden waren tot "de gehele wereld" om "het evangelie" aan "alle creaturen" te prediken, "te beginnen bij Jeruzalem", erkenden nu dat de vervulling op dat moment van deze grote opdracht door Israels ongeloof onderbroken was, de nieuwe opdracht die aan Paulus was gegeven erkennend, gaven hun leiders de rechterhand der gemeenschap aan Paulus en Barnabas, dat zij nu tot de heidenen zouden gaan, terwijl zij hun bediening zouden beperken tot Israel. Dit is de oorzaak van Paulus' schrijven in Rom.11:13:

"WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN: VOOR ZOVEEL IK DER HEIDENEN APOSTEL  BEN, IK MAAK MIJN BEDIENING HEERLIJK".

               HET EVANGELIE VAN VERZOENING

De boodschap van verzoening werd, zoals dat van de voorhuid, eerst toevertrouwd aan de apostel Paulus. De boodschap brengt ons terug tot vóór David, vóór Abraham, vóór Abram, tot Adam, de vader van het menselijke geslacht, de "éne mens" door wie "zonde in de wereld ingekomen is", en verklaart waarom God nu met Joden en heidenen moest handelen op dezelfde basis.

De Heere Jezus verkondigde niet de boodschap van verzoening toen Hij op aarde was. Slechts éénmaal, voor zover wordt vermeld, gebruikte Hij het woord verzoening, en dan alleen als verwijzing naar de verzoening van twee broeders. Evenmin verkondigden de apostelen op Pinksteren verzoening en nog minder de verzoening van Jood en heiden met God in één lichaam.

Evenzo lezen we niet dat onze Heere op aarde, of de twaalf op Pinksteren, terug gingen tot Adam in hun prediking. Zij spraken telkens weer van de beloften gedaan aan David en Abraham, maar noemden de naam Adam zelfs niet. Onze Heere verwees éénmaal naar Adam, zonder zijn naam te noemen, maar in dat geval behandelde Hij de zaak van huwelijk en scheiding en stelde eenvoudig vast dat: "Die van den beginne den mens gemaakt heeft man en vrouw".

De  boodschap van verzoening kon niet eerder gepredikt worden aan de wereld, dan na de verwerping van Israel, om de eenvoudige reden, dat vrienden niet behoeven te worden verzoend, en Israel was, in het begin van Handelingen, nog steeds Gods uitverkoren volk. Daarom lezen we:

"WANT INDIEN HUN (ISRAEL'S) VERWERPING DE VERZOENING IS DER WERELD, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?" (Rom.11:15).

Verzoening gaat uit van vervreemding; vandaar was het niet eerder dan nadat God begonnen was om Israel terzijde te stellen dat Hij verzoening begon aan te bieden door Paulus. Bovendien was het, toen Israel zich voegde bij de heidenen in hun opstand tegen God en Zijn Christus, dat 's mensen natuurlijke vervreemding van God, volledig was aangetoond. Daarom brengt Paulus ons in de boodschap van verzoening, terug, niet tot David en Abraham, met wie de verbonden waren gesloten, maar tot Adam, door wie de hele mensheid van God vervreemd was.

"DAAROM, GELIJK DOOR ÉÉN MENS DE ZONDE IN DE WERELD INGEKOMEN IS, EN DOOR DE ZONDE DE DOOD; EN ALZO DE DOOD TOT ALLE MENSEN DOORGEGAAN IS,  IN WELKEN  ALLEN GEZONDIGD HEBBEN" (Rom.5:12).

De val van Israel was vanzelfsprekend, want de kinderen van Israel waren eveneens kinderen van de gevallen Adam. God had verschil gemaakt tussen Israel en de heidenen om onder andere te laten zien dat er fundamenteel, essentiëel, "geen verschil is"*/[4].

Dit was het wat God nu leerde door Israel terzijde te stellen en door verzoening aan te bieden aan Jood en heiden op gelijke basis. Dit genadige aanbod is niet gebaseerd op verbondsbeloften, maar op de feiten van de vervreemding van de mens van God, zijn wanhopige nood, en Gods oneindige liefde en barmhartigheid.

Dank God, dat de boodschap van verzoening niet uitsluitend de "éne mens" betrof door wie de zonde de wereld binnen kwam. Zij betreft hoofdzakelijk "de tweede Mens", "de laatste Adam", de "éne Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus" (1Cor.15:45,47, 1Tim.2:5).

"ZO DAN, GELIJK DOOR ÉÉN MISDAAD DE SCHULD GEKOMEN IS OVER ALLE MENSEN TOT VERDOEMENIS, ALZO OOK DOOR ÉÉN RECHTVAARDIGHEID KOMT DE GENADE OVER ALLE MENSEN TOT RECHTVAARDIGMAKING DES LEVENS.

"WANT GELIJK DOOR DE ONGEHOORZAAMHEID VAN DIEN ÉNEN MENS VELEN TOT ZONDAARS GESTELD ZIJN GEWORDEN, ALZO ZULLEN OOK DOOR DE GEHOORZAAMHEID VAN ÉÉN VELEN TOT RECHTVAARDIGEN GESTELD WORDEN" (Rom.5:18,19).

Het is door deze andere "éne Mens" en Zijn dood op Golgotha, dat zondaars - Jood of heiden om het even - verzoend mogen worden met een heilig God. In Kol.1:21,22 verklaart de apostel der verzoening:

"En Hij heeft u, die eertijds VERVREEMD waart, en VIJANDEN door het verstand in de boze werken, nu ook VERZOEND,

"IN HET LICHAAM ZIJNS VLESES, DOOR DEN DOOD, OPDAT HIJ U ZOU HEILIG EN ONBERISPELIJK EN ONSCHULDIGLIJK VOOR ZICH STELLEN"

Aldus, "indien wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons" (Rom.5:10 en vgl Ef.2:11-18).

Zoals we gezien hebben, is de verkondiging van deze glorieuze boodschap onze grote opdracht, zoals ons duidelijk wordt verteld in 2Cor.5:18,19. Wij citeren deze passage hier met wat meer van haar context, zodat de lezer het vollediger mag verstaan en waarderen:

"ZO DAN, WIJ KENNEN VAN NU AAN NIEMAND NAAR HET VLEES; EN INDIEN WIJ OOK CHRISTUS NAAR HET VLEES GEKEND HEBBEN, NOCHTANS KENNEN WIJ HEM NU NIET MEER NAAR HET VLEES.

"ZO DAN, INDIEN IEMAND IN CHRISTUS IS, DIE IS EEN NIEUW SCHEPSEL; HET OUDE IS VOORBIJGEGAAN, ZIE, HET IS ALLES NIEUW GEWORDEN"

"EN AL DEZE DINGEN ZIJN UIT GOD, DIE ONS MET ZICHZELVEN VERZOEND HEEFT DOOR JEZUS CHRISTUS, EN ONS DE BEDIENING DER VERZOENING GEGEVEN HEEFT. "WANT GOD WAS IN CHRISTUS DE WERELD MET ZICHZELVEN VERZOENENDE, HUN ZONDEN NIET TOEREKENENDE; EN HEEFT HET WOORD DER VERZOENING IN ONS GELEGD.

"ZO ZIJN WIJ DAN GEZANTEN VAN CHRISTUS' WEGE, ALSOF GOD DOOR ONS BADE; WIJ BIDDEN VAN CHRISTUS' WEGE: LAAT U MET GOD VERZOENEN .

"WANT DIEN, DIE GEEN ZONDE GEKEND HEEFT, HEEFT HIJ TOT ZONDE VOOR ONS GEMAAKT, OPDAT WIJ ZOUDEN WORDEN RECHTVAARDIGHEID GODS IN HEM" (2Cor.5:16-21).

Dit is onze grote opdracht; dat wij deze trouw mogen uitvoeren!

Wij benadrukken dat het hier gaat om een aanbod en geen belofte van universele verzoening. De apostel vraagt de mensen niet om in dit leven verzoend te worden, om als het ware aan een korte tijd van tuchtiging te ontkomen. Er is geen heenwijzing in deze bede dat allen eventueel zullen worden verzoend, ongeacht hun antwoord op dit aanbod. Integendeel hij smeekt hen om nu te worden verzoend, want "nu is de welaangename tijd", hij bidt hen te worden verzoend voor het te laat is, zo dat zij niet "tevergeefs" het genadige aanbod mogen ontvangen hebben. (Lees nauwkeurig de volgende verzen: 2 Cor.6:1,2). Het is inderdaad waar, dat in de naam van Jezus elke knie éénmaal zal buigen, van dergenen die in den hemel zijn, en die op aarde en onder de aarde zijn, en dat alle tong Hem zal belijden als Heere (Fil.2:10,11), maar dit is universele onderwerping, geen verzoening. Deze uiteindelijke onderwerping van al degenen, hemels, aards en hels, aan Christus zal niet het resultaat zijn van het tegenwoordige aanbod:

"NAMELIJK,  INDIEN GIJ MET UW MOND ZULT BELIJDEN DEN HEERE JEZUS (JEZUS ALS HEERE), EN MET UW HART GELOVEN, DAT HEM GOD UIT DE DODEN OPGEWEKT HEEFT, ZO ZULT GIJ ZALIG WORDEN" (Rom.10:9).

Evenmin moeten wij de voorzegging van universele onderwerping verwarren met Gods plan om "alle dingen tot Zichzelven te verzoenen...hetzij de dingen die OP DE AARDE, hetzij de dingen die IN DE HEMELEN" zijn" */[5] (Kol.1:20).

Wat betreft onze verantwoordelijkheid om Gods aanbod van verzoening te verkondigen aan de verlorenen, is één ding zeker: Als we onze opdracht getrouw willen uitvoeren, moeten we zo gedrongen worden door de liefde van Christus (2 Cor.5:14) dat, ondanks dat mensen ons als "uitzinnig" beschouwen (vers 13), wij willen leven voor Hem, Die voor ons stierf (vers 15), mensen "smekende" en hen "biddende" in Christus plaats, om met God te worden verzoend (vers 20), wetende dat het "NU de welaangename tijd" is, en "NU de dag der zaligheid" (6:2).

HET GEHEIMENIS

We hebben "het geheimenis" reeds eerder besproken, maar zullen het hier beschouwen in verband met de verschillende evangeliën.

Evenals het koninkrijk van Christus het onderwerp is van de profetische Schriften, zo is het lichaam van Christus het onderwerp van het grote geheimenis, geopenbaard aan en door de apostel Paulus.

De apostel definiëert dit "geheimenis", door openbaring aan hem bekend gemaakt  (Efeze 3:3), als volgt:

"Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus door het Evangelie" (Efeze 3:6). */[6]

Er zijn, zoals we hebben gezien, vele aspecten van het geheimenis, maar de grote centrale waarheid is, dat God van gelovige Joden en heidenen één lichaam heeft geformeerd in Christus

Het zal reeds duidelijk geworden zijn dat deze heerlijke waarheid betreffende het lichaam vanzelf volgt op de openbaring betreffende de evangeliën van de voorhuid  en van de verzoening. Inderdaad wijst de apostel er zelf op dat het éne lichaam het product is van de verzoening van Joden en heidenen met God. Verklarende hoe God "de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende", gaat hij voort door te zeggen dat dit was gedaan:

"...OPDAT HIJ DIE TWEE  IN ZICHZELVEN TOT ÉÉN NIEUWEN MENS ZOU SCHEPPEN, VREDE MAKENDE,

"EN OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN ÉÉN LICHAAM ZOU VERZOENEN DOOR HET KRUIS, DE VIJANDSCHAP AAN HETZELVE GEDOOD HEBBENDE.

"EN KOMENDE, HEEFT HIJ DOOR HET EVANGELIE VREDE VERKONDIGD U DIE VERRE WAART EN DIEN DIE NABIJ WAREN.**/[7]

"WANT DOOR HEM HEBBEN WIJ BEIDEN DE TOEGANG DOOR ÉÉN GEEST TOT DEN VADER". (Efeze 2:14-18).

We hebben er reeds op gewezen dat er vóór de brieven van Paulus geen enkel woord te vinden is over dit grote geheimenis of enige ermee verband houdende geheimenissen. Maar dit betekent niet dat het een late inval van Gods kant was, want bij het verkondigen van het geheimenis neemt de apostel ons terug tot vóór David en Abraham, vóór Abram en Adam, tot God, Die het alles heeft gepland.

Hoewel de meest geestelijke gelovige in Jeruzalem niet heeft kunnen weten wat God zou doen wanneer Israel Zijn verrezen, verheerlijkte Zoon zou afwijzen, had God vanaf het begin, een genadig, glorierijk plan in gedachten. Hij zegt eenvoudig, dat "die van de tijden der eeuwen VERZWEGEN IS GEWEEST" (Rom.16:25), "welke in andere eeuwen den kinderen der mensen NIET IS BEKEND GEMAAKT" (Ef.3:5), dat het " die van alle eeuwen VERBORGEN is geweest in God" (Ef.3:9), dat het "VERBORGEN is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (Kol.1:26), maar in dit alles maakt Hij het zeer duidelijk dat het hele plan was:

"NAAR HET EEUWIGE VOORNEMEN, DAT HIJ GEMAAKT HEEFT IN CHRISTUS JEZUS, ONZEN HEERE" (Ef.3:11).

Wat zouden wij ons moeten verheugen, dat de (tijdelijke) verwerping van Israel, het aanbod van rechtvaardiging zowel aan Jood als heiden, en de verzoening van beiden, Joden en heidenen met Zichzelf in één lichaam, Gods wonderbaar plan was vanaf het begin; het geschenk van Zijn genade, dat zou worden geopenbaard wanneer de zonde tot haar hoogtepunt zou zijn gerezen! Hoe zouden wij Hem moeten aanbidden,

 "Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; NIET NAAR ONZE WERKEN, MAAR NAAR ZIJN EIGEN VOORNEMEN EN GENADE, DIE ONS GEGEVEN IS IN CHRISTUS JEZUS, VóóR DE TIJDEN DER EEUWEN" (2Tim.1:9).

BASIS-VERBANDEN EN VERSCHILLEN                      TUSSEN DEZE EVANGELIËN

Het zal u zijn opgevallen op voorgaand kaartschema dat de twee delen die het evangelie van het koninkrijk en het evangelie van de besnijdenis bedekken grijs zijn aangegeven. Dit is gedaan omdat deze twee evangeliën nauw met elkaar verbonden zijn.

1.     Beiden werden gebaseerd op verbonden en openbaarden niet "de uitnemende  rijkdom van God's genade", zoals het goede nieuws van Paulus deed.

2.   Beiden waren verbonden met profetie, niet met het geheimenis.

3.      Beiden waren verbonden met inzettingen en tekenen. Besnijdenis was het teken van het verbond met Abraham (Gen.17:11). Waterdoop was het teken van het  verbond met David (Ex.29:4, vgl.Ex.19:5,6, Jes.61:6, Matt.3:1-6).

4. Deze twee evangeliën werden verkondigd door Johannes de Doper en de twaalf.

5.     Matt.1:1 introduceert Christus als "de Zoon van David, de Zoon van Abraham", en het verbond met Abraham is voor wat het volk betreft natuurlijk nauw verbonden    met het verbond met David, voor wat betreft de Koning die over dat volk zal  regeren. De overige drie boodschappen (op het schema de buitenste drie) zijn eveneens nauw  met elkaar verbonden.

1. Deze drie zijn gebaseerd op "genade alleen", niet op verbonden of beloften.

2. Alle drie werden tevoren geheim gehouden, niet voorspeld.*/[8]

 3.     Geen van de drie had enige relatie met inzettingen of tekenen.**/[9] Wij zijn  besneden en gedoopt in Christus (1Cor.6:11, Fil.3:3, Col.2:9-12).

4.    Alle drie de boodschappen werden eerst aan Paulus toebetrouwd.

5.     Deze evangeliën zijn onlosmakelijk verbonden als één voortschreidende openbaring. Daarom spreekt de apostel Paulus over "mijn evangelie"  (Rom.2:16, 16:25, 2Tim.2:8) en gebruikt de algemene term "het evangelie van de genade van God", als hij verwijst naar zijn gehele christelijke bediening  (Hand.20:24).

Verder kan worden opgemerkt dat Johannes de Doper, Christus, en de twaalf, in hun verkondigingen van het bijzondere naar het algemene gingen, terwijl Paulus van het algemene naar het bijzondere ging. Dit kwam doordat het geprofeteerde programma  van het toneel verdween op hetzelfde moment dat het programma van het geheimenis verscheen.     

Zo is Christus Zelf eerst aangekondigd in de evangeliën; dan wordt Zijn Messiasschap verkondigd in "het evangelie van het koninkrijk", en na Zijn kruisiging wordt Israels gelegenheid om een zegen te worden voor de wereld benadrukt in  "het evangelie van de besnijdenis". Of, om het anders te zeggen: Christus, de Zoon van David, werd allereerst voorgesteld; dan wordt het verbond met David van het koninkrijk herroepen en, na het kruis, het bredere verbond met Abraham.

Omgekeerd, toen Israel bleef bij haar afwijzing van Christus, begon de apostel Paulus met het brede "evangelie van de voorhuid", als een basis voor de boodschap van verzoening, waarbij zowel Joden als heidenen één lichaam in Christus zouden worden. Zo begon hij met wat de Schrift duidelijk had voorzien (doch niet voorzegd) en eindigde met de verborgenheid zelf, "die van de tijden der eeuwen VERZWEGEN IS GEWEEST".

Het bovenstaande zou kunnen worden geïllustreerd met het volgende schema:

                                                  VRAGEN

1.        Wat is er misleidend in de term: "De vier Evangeliën"?

2.        Waartoe was het nodig dat we vier afzonderlijke verslagen van de aardse bediening van onze Heere hebben?

3.        Wat is er verkeerd in de gedachte dat er slechts één evangelie in de Bijbel staat ?

4.        Waarom is het bijzonder nodig om de contekst in gedachten te houden wanneer we de eenvoudige uitdrukking "het evangelie" lezen?

5.        Teken uit het hoofd het schema van de vijf  evangeliën dat in dit hoofdstuk word besproken.

6.        Hoe werd het koninkrijk verkondigd vóór het kruis?

7.        Welke twee Schriftgedeelten vertellen ons dat het koninkrijk zou worden "weggenomen van" de leiders van Israel en "gegeven aan" het "kleine kuddeke" van de volgelingen van Christus?

8.        Welke passage bevat de belofte van onze Heere dat de twaalf op twaalf tronen zullen zitten in het koninkrijk?

9.        Wanneer werd het koninkrijk voor het eerst aan Israel aangeboden?

10.      Op welk grote verbond werd het "evangelie van de besnijdenis" gebaseerd?

11.      Leg uit hoe de evangeliën van het koninkrijk en van de besnijdenis met elkaar verbonden waren.

12.      Op welke belangrijke feiten was "het evangelie van de voorhuid" gebaseerd?

13.      Waar lezen we dat "het evangelie van de voorhuid" in 't bijzonder aan Paulus was toebetrouwd?

14.      Waar wordt bij verzoening vanuit gegaan, of wat wordt verondersteld?

15.      Waar vinden we dat de boodschap van verzoening is verbonden met de verwerping van Israel?

16.      Om welke twee mannen draait de boodschap van verzoening hoofdzakelijk?

17.      Verklaar het belang van het feit dat volgens 2Cor.5, de verkondiging van de verzoening niet een belofte is, maar een smeekbede.

18.      Leg uit hoe de vorming van het lichaam verbonden is met de verkondiging van de verzoening.

19.      Geef drie Schriftplaatsen die bewijzen dat "het geheimenis" niet eerder werd geopenbaard dan door Paulus.

20.      Toon aan hoe de evangeliën van de voorhuid en het geheimenis met elkaar verbonden  zijn.                                                                           

 

    [1]/Voetnoot: Omdat wij uitdrukkingen zoals "het evangelie van verzoening", of "het evangelie van het geheimenis" niet in de Schrift vinden, zijn niettemin deze beide grote boodschappen gebracht als goed nieuws, en zijn ook beschreven als evangeliën. Zie Col.1:21-23; Rom.16:25.

    [2]*/Voetnoot: Er is geen letterlijke rechtsgrond voor deze uitdrukking: "het evangelie van de besnijdenis", niettemin verandert dit niet de essentiële bedoeling van Gal.2:7.

    [3]*/Voetnoot: Rom.1:16 spreekt dit in geen geval tegen. De moeilijkheid is, dat sommigen die deze tekst uit de contekst lichten, veronderstellen dat Paulus hier leert, dat het evangelie nog steeds eerst naar de Jood moet gaan, terwijl de gehele passage (Rom.1:13-16) een verweer is van zijn gaan naar de heidenen, daar het evangelie eerst naar de Joden is gegaan. Omdat Gods goede nieuws nu is: alles door genade, is er nu geen "eerst" meer. Dit zal verder worden besproken in een later hoofdstuk.

    [4]*/Voetnoot: Enige jaren geleden was er een Joodse papierhandelaar van wie wij hoeveelheden papier kochten voor ons maandblad Berean Searchlight. Op zekere dag, toen wij "discussieerden" over de prijs van een kist papier, riep hij uit: "Als je me nog iets lager brengt, ga ik bankroet!" Ik antwoordde grappend, dat als ooit de tijd zou komen dat ik een zoon van Abraham in zaken overtroeven zou, ik mezelf een goede zakenman zou vinden, eraan toevoegend: "Zeg, Sam, zijn jij en ik bloedverwanten?" Hij scheen tamelijk verrast bij deze vraag, maar antwoordde met een sprankel in zijn oog: "Nee, ik ben een zoon van Abraham". Ik dwong hem verder, en zei: "Dat weet ik, maar vertel me eens, ben je wel gerelateerd aan Adam?" Hierop krabde hij op zijn hoofd en aarzelde enkele ogenblikken. Hij kende het Oude Testament tamelijk goed. Ten laatste antwoordde hij: "Deze keer heb jij mij!" Hij wist dat wij beiden zonen van Adam waren.

    [5]8/Voetnoot: "Onderaardse dingen" zijn hier weggelaten.

    [6]*/Voetnoot: De Authorized Version geeft, jammer genoeg, het voorwoord su (mede- of samengevoegd) op drie verschillende manieren in één vers.

    [7]**/Voetnoot: Hier wordt Israel niet langer beschouwd als "nabij" God.

    [8]*/Voetnoot: Gal.3:8 zegt: "En de Schrift voorzag", niet voorspelde.

    [9]**/Voetnoot: Hoewel verordeningen en tekenen eerst werden erkend als deel van het programma, hetgeen toen aan het voorbijgaan was.