|
De
dingen die daarvan verschillen
H
O O F D S T U K X
DE ZOGENAAMDE GROTE OPDRACHT
Wat is de term "de
grote opdracht" toch ingeburgerd! Zij wordt over het algemeen gebruikt
voor de afscheidsinstructies die onze Heere gaf aan de elf zoals beschreven in
de vier Evangeliכn en de Handelingen (Matt.28:18-20; Mark.16:15-18;
Luk.24:46-48; Joh.20:21-23; Hand.1:7,8).
Deze zogenaamde "grote opdracht" wordt gewoonlijk gezien als
bevattende de "marsorders" van onze Heere voor Zijn kerk van vandaag.
Dit is echter gekomen, doordat dienaars van het Woord, in plaats van deze
instructies uit te leggen met het oog
op een getrouwe uitvoering ervan, ermee tevreden waren om er bepaalde gedeelten
uit te halen voor stichtelijke preken.
Alles wat de meeste kerkleden over de zogenaamde "grote
opdracht" horen, is het "Ga"
en het "Zie ik
ben met u" uit Mattheus, uit Markus: "de
gehele wereld" en "alle
creaturen", uit Lukas: "gij
zijt getuigen", uit Johannes: "gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden"
en uit Hand.: "Maar
gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal
".
HET KIEZEN VAN OPDRACHTEN
Zij die verder gaan en deze bepaalde gedeelten willen onderzoeken in de
context van het gehele verslag stuiten op grote moeilijkheden bij het accepteren
van "de grote opdracht" als onze
marsorders. De wettigheid van Matt.28:20 (vergelijk 23:1-3), de redding
door doop en de wondertekenen van
Mark.16:16-18, het "eerst Jerusalem"
uit Luk.24:47 en Hand.1:8, en de authoriteit
om zonden te vergeven in Joh.20:22,23, zijn allen zo onverenigbaar met het
evangelie van de genade van God, dat fundamentele Bijbelleraars genoodzaakt
werden om persoonlijke weergaven van de opdrachten als bindend te kiezen voor
deze bedeling, vanwege de reeks moeilijkheden die zij ervoeren bij het in
harmonie brengen van de verschillende bevelen met de tegenwoordige waarheid. Dit
heeft natuurlijk veel bijgedragen tot de ontstane verwarring onder de
fundamentalisten van vandaag.
Betrekkelijk weinig christenen zijn zich bewust van het feit dat onze
geestelijke leiders nimmer tot overeenstemming zijn gekomen welke van de vijf
bovengenoemde passages onze opdracht voor vandaag omvat, maar de onenigheid hierover was
sterk.
Dr.A.C.Gaebelein bijvoorbeeld, geloofde dat de opdracht uit Mattheus niet
onze opdracht is. Hij koos Luk.24:46-48 als "de opdracht voor de heidenen". De wijlen Dr.H.A.Ironside
echter, hield vast aan het verslag in
Mattheus als "onze marsorders",
terwijl Dr.I.M.Haldeman, aan de andere kant, de opdracht in Markus benadrukte.
Dr.Wm.L.Pettingill was het met hen allen oneens en schreef: "De
opdracht waaronder de Kerk vandaag wordt verondersteld te werken is die van
Hand.1:8."
Uit de geschriften van Dr.Ironside, de zgn. "aartsbisschop van het
fundamentalisme", en ongetwijfeld de meest populaire fundamentalistische
leider van de laatste kwart eeuw, kan worden aangenomen dat bijna alle
fundamentalisten ermee instemmen dat de opdracht uit Matteus 28 de onze is. In
zijn geschriften schijnt hij verbaasd te zijn over andere conclusies en
suggereert dat alleen aanhangers van Bullinger deze zaak zouden betwijfelen.
Verwijzend naar de opdracht uit Mattheus, zegt hij:
"Mensen die nog nooit het Bullingerisme en aanverwante systemen
hebben onderzocht zullen mij nauwelijks geloven wanneer ik zeg dat zelfs de
Grote Opdracht op grond waarvan de kerk reeds 1900 jaren heeft gehandeld, en die
nog steeds onze volmacht is voor wereldwijde zending, volgens deze leraren, een
opdracht is waarmee wij helemaal niets te maken hebben, en geen enkele
betrekking tot de kerk heeft...Niettemin is dit werkelijk hun leer" (Wrongly Dividing the Word of Truth, blz.17).
Later noemt hij deze uitleg in het zelfde boek "absurd", "grotesk" en "verkeerd"! (Wrongly dividing, blz.17,18).
Klaarblijkelijk
werd de "aartsbisschop van het fundamentalisme" zo in beslag genomen
door de "Bullingers", dat hij vergat dat velen van zijn collega's, met
inbegrip van Mr.J.N.Darby, de grondlegger van de "Broeders" (met wie
Dr. Ironside jarenlang verbonden is geweest), nadrukkelijk ontkenden dat de
Mattheusopdracht de onze zou zijn. Wij citeren uit enkele van hun geschriften:
Dr.James M. Gray: "Dit is de
Koninkrijksopdracht, zoals iemand anders het uitdrukt, niet de christelijke
opdracht...De uitvoering ervan is onderbroken, maar zal worden opgenomen voordat
de Heere komt om tenslotte Israel te verlossen." (Christian Worker's Commentary,p.313).
Dr.Wm.L.Pettingill: "Het evangelie van Markus, zowel als dat van
Mattheus en Lukas, is allereerst een Koninkrijk-boek, en het overtuigt mij
ervan, dat geen van deze de marsorders voor de Kerk bevat - zelfs niet de zgn.
'Grote Opdracht' in Matth.28:18-20" (Bible Questions Answered, p.100).
Dr.Arno C.Gaebelein: "Dit is de Koninkrijksopdracht...Er komt een tijd wanneer deze
grote opdracht zal worden uitgevoerd door een rest van Joodse discipelen
(Evangelie van Mattheus, Vol.2, p.323)".
Mr.J.N.Darby: "De uitvoering van de opdracht hier in Mattheus is
onderbroken...we vinden er geen voltooing van...voor de tegenwoordige tijd is er
in feite plaats gemaakt voor een hemelse opdracht, en voor de Gemeente van
God" (Collected Writings,
p.327).
Zo wordt er in het algemeen niet mee
ingestemd dat de opdracht uit Mattheus door ons dient te worden gehoorzaamd.
Maar het treurige feit is dat waar vele van Dr.Ironside's collega's het met hem
oneens zijn wat betreft de opdracht in Mattheus, zij het ook niet met elkaar
eens waren welke "grote opdracht", of welk verslag van de zgn.
"grote opdracht" dan wel onze marsorders
bevat. Zij leken echter overeen te stemmen in het afstand nemen van de opdracht
in Joh.20:21-23 omdat Rome, op grond van deze passage, de authoriteit neemt om
zonden te vergeven. De fundamentalistische kerk is er nog niet in geslaagd om
deze moeilijkheden op te lossen.
Bedenk eens! Dat na zo lange tijd, meer dan 1900 jaar nadat onze Heere
deze opdrachten gaf, de kerk het nog niet eens over wat God nu precies wil dat
Zijn volk zal doen en leren! Laten we onze ogen niet sluiten voor dit feit, maar
laat ons dit onder ogen zien zodat het verholpen zal worden, want hoe kunnen we
"marsorders" opvolgen, als we niet weten welke het zijn? "Want
als de bazuin een onzeker geluid laat horen, wie zal zich voor de strijd
toerusten?"
Zelfs onder hen die tot kennis van het geheimenis zijn gekomen zien we de
gevolgen van de fout van de veronderstelling dat onze Heere, in de korte periode
tussen Zijn opstanding en hemelvaart, dezelfde
mensen verschillende opdrachten
gaf, met de bedoeling dat anderen zouden
beginnen ייn of meer van deze opdrachten op
een toekomstig tijdstip uit te voeren - en dit alles zonder enige verklaring
hiervan in het verslag zelf!
Opgemerkt dat de apostelen nimmer verder gingen dan hun eigen volk, zover
het de Schriften betreft, concluderen zij, dat "het uiterste der
aarde" in Hand.1:8 weergegeven zou dienen te worden
als "het uiterste van het land (Israel)" en dat "alle
volkeren" in Matt.28:19 alleen
de heidense volkeren betekent.
Vandaar dat van deze twee opdrachten (zoals zij dat zien), beiden door de Heere gegeven aan de elf vףףr Zijn hemelvaart,
verondersteld wordt dat de ene in Hand.1:8 dient te worden gehoorzaamd, terwijl
wordt aangenomen dat de andere in Matt.28:19 niet door hen moest worden
opgevolgd, maar door anderen in de toekomst. Er wordt verder aangevoerd, dat
overeenkomstig Lukas'verslag (24:47),
"bekering en vergeving der zonden" gepredikt moest worden onder alle heidense
volkeren, "beginnende" van Jeruzalem.
Maar dit alles maakt een ingewikkeld probleem van een
eenvoudige zaak.
Het is waar dat het Griekse woord ge
in Hand.1:8 soms mag worden
weergegeven als land, maar in de meeste gevallen moet het
worden weergegeven als aarde, niet land.
Verder wordt een soortgelijke woordkeuze b.v. gevonden in Matt.12:42, waar we
lezen dat de koningin van Scheba van "de einden der aarde (ge) kwam, om de wijsheid van Salomo te horen, en in
Mark.13:27, waar ons wordt verteld dat engelen zullen worden uitgezonden om Gods
uitverkorenen "van de vier winden,
van het uiterste der aarde (ge) bijeen
te vergaderen". Natuurlijk reisde de Koningin van Scheba niet naar
Jeruzalem vanaf het uiterste deel van het land van Israel, evenmin kunnen
"de vier windstreken" mogelijk alleen dat ene land betekenen.
Het is ook waar dat de uitdrukking "de volkeren" dikwijls
verwijst naar de heidense volkeren,
speciaal wanneer het יne volk, Israel, apart wordt besproken. Dit is een
duidelijke zaak. Maar het is fout om te veronderstellen dat de uitdrukking
"de volkeren" altijd betrekking heeft op de heidense volken en nog groter is de fout om te veronderstellen dat
de uitdrukking "alle volkeren"
noodzakelijk moet slaan op de heidenvolken.
Wanneer we b.v. lezen, "de
Heere is hoog boven alle heidenen" (Ps.113:4), dat God "uit
יnen bloede het ganse geslacht der mensen heeft gemaakt "
(Hand.17:26), en want "alle volken zullen komen en voor U aanbidden" voor
Christus (Openb.15:4), kan dan Israel buiten gesloten zijn?
Israel is vast en zeker inbegrepen in "al de volken" in Matt.28:19
om de eenvoudige reden dat zij nog niet aan de voeten van de
Messias was gebracht. Zij is eveneens inbegrepen bij "alle volken" in
Luk.24:47 want, let wel, er staat hier geschreven: "beginnende (of begonnen) bij JERUZALEM", niet: "het
gehele land van Israel".
Misschien is in dit verband wel het meest opmerkelijke punt dat in de
opdracht in Mattheus onze Heere tot de elf apostelen zei: "GAAT DAN
HENEN" ("GO YE" in het engels) zoals Hij deed in Mark.16:15 en in
Hand.1:8. Door welke uitlegkunderegels of logica hebben wij het recht om bij de
interpretatie van deze opdracht diegenen
uit te sluiten aan wie Hij die opdracht gaf?
DE ONDUIDELIJKHEID BIJ KEUZE VAN OPDRACHTEN
Bij het oplossen van deze moeilijkheid (die men zelf heeft gemaakt) dient
eerst te worden opgemerkt dat al de
genoemde instructies werden gegeven aan dezelfde mannen binnen een periode van
veertig dagen, met geen enkele aanwijzing naar een verandering van het
programma, of dat bepaalde instructies toen moesten worden uitgevoerd, en andere
op een later tijdstip. De bewering dat sommige verslagen de koninkrijksopdracht bevatten, en anderen de heidenopdracht is dan
ook gemaakt en gezocht.
Het argument dat ייn of meer van deze verslagen alleen betrekking hebben op een toekomstige generatie is, zoals we reeds zeiden, eveneens gemaakt en
gezocht, want het is logisch niet mogelijk
bij de directe interpretatie van deze passages juist dםe personen uit te
sluiten aan wie Hij de instructies gaf. Terwijl zij hun opdracht niet hebben afgemaakt,
bedoelde Hij niettemin duidelijk toen Hij zei, "Gaat dan henen", dat zij zouden heengaan en Zijn orders zouden opvolgen. Het zou
inderdaad vreemd zijn als zij begrepen,
dat Zijn "Gaat dan henen" zou betekenen dat anderen later zouden gaan.
Opgemerkt dient te worden dat de wettigheid van Matt.28:20, de redding
door de doop, en de wondertekenen uit Mark.16:16-18, het "beginnende van
Jeruzalem" uit Luk.24:47 en Hand.1:8 en de instructies om zonden te
vergeven in Joh.20:22,23 allen overeenstemmen
met wat de apostelen werkelijk deden, zoals
beschreven in het boek Handelingen.
Er is geen aanwijzing van enige openbaring aan hen, dat de dood van
Christus hen had bevrijd van het onderhouden van de wet van Mozes. Zij bleven dagelijks ייndrachtig in de tempel (Hand.2:46) en
namen deel aan de eredienst (Hand.3:1), zorgvuldig toeziende dat zij niet een
nieuwe sekte stichtten gescheiden van het Judaisme, want zij, die de Messias hadden geaccepteerd, waren het ware Israel.
De persoon die Saulus van Tarsen doopte was "een
godvruchtig man naar de wet" (Hand.22:12), en later in Hand.21:20
vinden we Jakobus, die vermeldt "hoevele
duizenden van Joden er zijn die geloven; EN ZIJ ZIJN ALLEN IJVERAARS VAN DE
WET".
Niet eerder dan in de grote vergadering te Jeruzalem (Hand.15) stemden
ook de Joodse gelovigen ermee in dat de heidenen
niet onder de wet zouden zijn. Of de Joodse Gemeente te Jeruzalem al of niet
onder de wet zou blijven kwam zelfs niet ter discussie. Er werd duidelijk
aangenomen dat zij zo zouden blijven. Dit is zo, omdat aan de twaalven was
opgedragen om het onderhouden van de wet te leren, zoals wij gezien hebben.
Inderdaad zal in het Duizendjarig Rijk, waarvan Pinksteren een voorsmaak
was, de wet worden geleerd vanuit Jeruzalem, en Israel zal zich beijveren om te
horen en te gehoorzamen.
De apostelen leerden ook de redding door de doop uit Mark.16:16, want
Petrus vroeg bekering en doop tot
vergeving van zonden (Hand.2:38). Wat betreft de wondertekenen in
Mark.16:17,18, zal bij het vluchtig lezen van de eerste hoofdstukken Handelingen
duidelijk worden dat deze rijkelijk geschiedden. Het "beginnende van
Jeruzalem" uit Luk.24:47 en Hand 1:8 werd ook zorgvuldig nagekomen, en
zonden werden door (door middel van) mensen vergeven toen zij hen doopten die
geloofden (Hand.2:38, 22:16).
Alle vermeldingen van de zogenaamde "grote opdracht" stemmen
overeen met wat de apostelen werkelijk deden,
zoals weergegeven in Handelingen, zodat er geen reden is om te veronderstellen
dat bepaalde opdrachten door hen dienden te worden gehoorzaamd en andere weer
niet.
De opvatting dat de "formule" voor dopen in de opdracht uit
Mattheus verschilt van die welke door de apostelen gebruikt werd in Handelingen,
geeft hier geen moeilijkheden, want er is niet vastgelegd dat zij enige formule,
of woordenvorm zouden gebruiken bij het dopen. In Matt.28:19 is eenvoudig
gesteld dat zij dienden te dopen in de
naam van ( in de volmacht van) de
drieכnige God, terwijl we lezen in Handelingen dat zij doopten in de naam van
de Heere Jezus. Zij die geloven dat "in
Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont", zullen hier geen
moeilijkheden mee hebben. De moeilijkheid rijst alleen wanneer wordt
verondersteld dat de apostelen bepaalde woorden bij het dopen moesten herhalen.
Dit hele idee van een doopformule is
een diep gewortelde, maar volstrekt onbijbelse traditie.
Evenmin zal de belofte: "En
zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld" geen
enkele moeilijkheid opleveren, want bedenk dat deze tegenwoordige
bedeling een tussengevoegde periode van genade is, die destijds nog een
"in God verborgen" geheimenis was
(Efeze 3:9).
DRIE GROTE OPDRACHTEN
Teneinde een duidelijk begrip te verkrijgen van onze
grote opdracht, zullen we nu drie grote
opdrachten bekijken, opייnvolgend gegeven door onze Heere Zelf; ייn vףףr
Zijn kruisiging, een andere na Zijn opstanding, en een derde na Zijn hemelvaart.
EEN GROTE OPDRACHT
Veel nadruk is er gelegd op het "Gaat henen" van de zgn.
"grote opdracht", maar dit was niet de eerste keer dat onze Heere Zijn
apostelen had bevolen om "heen te gaan". Zijn eerste grote opdracht aan
de apostelen vinden wij in Matt.10:5-10:
"Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en en hun bevel
gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult
niet ingaan in enige stad der Samaritanen;
Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het
huis Israels.
En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der
hemelen is nabij gekomen.
Geneest de kranken, reinigt de melaatsen, wekt de doden
op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.
"Verkrijgt u noch van goud noch zilver noch kopergeld
in uw gordels,
Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen,
noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig"
Hieraan voegde onze Heere nog verdere instructies toe met betrekking tot
hun gedrag tegenover vrienden en
vijanden en voorspelde enkele van de moeiten die zij te verduren zouden krijgen.
Deze opdracht beslaat geheel Mattheus 10 (Zie 11:1).
Deze opdracht is zeker niet onze "grote
opdracht", maar als wij bij de twaalf apostelen waren geweest toen deze
aanwijzingen werden gegeven zouden wij ze zeker als een "grote
opdracht" hebben beschouwd.
Het bevel om hun bediening uitsluitend te beperken tot Israel kwam hen
niet vreemd voor, want dit was gebaseerd op het bekende verbond met Abraham, dat
door Abraham's vermenigvuldigde zaad de volkeren zouden worden gezegend
(Gen.22:17,18, Hand.3:25,26). Bovendien hadden de profeten herhaaldelijk
voorspeld dat de volkeren zegen en redding zouden ontvangen door een verlost Israel. Niet eerder dan als Israel gered was kon de zegen door haar tot de heidenen vloeien (Jes.59:20-60:3,
Zach.8:13).
Het was toen heel normaal dat onze Heere de apostelen eerst uitsluitend
tot het huis van Israel zond. Inderdaad had Hij aangaande Zijn eigen bediening
nadrukkelijk verklaard:
"...IK BEN NIET
GEZONDEN DAN TOT DE VERLOREN SCHAPEN VAN HET HUIS ISRAELS" (Matt.15:24).
Dit wordt ongetwijfeld toegegeven door hen die Israel erkennen als het
uitverkoren volk. De apostel Paulus, enkele jaren later terugziend, schreef:
"En ik zeg, dat JEZUS CHRISTUS EEN DIENAAR GEWORDEN IS DER
BESNIJDENIS vanwege de waarheid Gods, OPDAT HIJ BEVESTIGEN ZOU DE BELOFTEN DER
VADEREN. "EN DE HEIDENEN GOD
VANWEGE DE BARMHARTIGHEID ZOUDEN VERHEERLIJKEN, gelijk geschreven is: Daarom zal
ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. "En wederom zegt
Hij: Weest vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk" (Rom.15:8-10).
Let wel op de details van deze belofte voor het duizendjarig rijk. Het is
barmhartigheid voor de heidenen, maar
vervulling van beloften voor Israel.
De heidenen zullen inderdaad vrolijk zijn "met
Zijn volk", maar niet dan nadat Zijn
volk zelf zich is gaan verheugen in Hem. Dus de Heere was ten eerste gekomen
om "ZIJN VOLK te verlossen van hun zonden" (Matt.1:21), en Hij zond nu
de twaalf apostelen uit als Zijn medewerkers.
In overeenstemming met dit alles werd de twaalven opgedragen te
verkondigen dat het koninkrijk der hemelen "nabij" was en werd hen
macht gegeven om wonderen te doen als tekenen van de lang beloofde zegen (Jes.35:5,6).
Zeker zullen zij dit als een grote
opdracht hebben beschouwd.
Teneinde een vergelijking tussen deze opdracht en de twee die later
worden bekeken te vergemakkelijken, zullen we de bijzondere details op volgorde
zetten:
1. Onder deze
opdracht werden de apostelen uitsluitend tot
het volk Israel gezonden
(Matt.10:5,6,15:24 en Rom.15:8).
2. Onder deze
opdracht werd het koninkrijk verkondigd als zijnde "nabij" (Matt.10:7).
3. Onder deze
opdracht waren aan de apostelen wonderlijke
krachten gegeven (Matt.10:8).
4. Onder
deze opdracht dienden zij geen
voorzieningen te treffen voor de toekomst (Matt.10:8-10, 5:42,
Luk.12:32,33).
5.
Onder deze opdracht waren
bekering en doop vereist tot vergeving van zonden. Omdat waterdoop niet wordt genoemd in dit gedeelte, is het duidelijk uit het gehele verslag
dat onze Heere en Zijn apostelen, net als Johannes de Doper, het koninkrijk verkondigden en bekering en doop
vereisten tot vergeving van zonden (zie Mark.1:4 en Joh.4:1,2).
EEN GROTERE OPDRACHT
Na de dood en opstanding van onze Heere gaf Hij aan Zijn apostelen (met
uitzondering van Judas Iskariot) een grotere
opdracht. Deze werd foutief "de grote opdracht" genoemd, "de
laatste bevelen van onze Heere" en "onze marsorders". Uit deze
vergissing zijn vele van de bestaande geschillen over waterdoop, physieke en
politieke tekenen enz. ontstaan.
Deze nieuwe opdracht was in feite geen afwijking van het profetische
programma; het was een verdere
ontwikkeling ervan.
In de verslagen van de bevelen van onze Heere om heen te gaan en
"het evangelie" te prediken is er geen aanwijzing dat Hij een ander
evangelie bedoelde dan wat zij hadden gepredikt. En, denk er wel aan, hun
evangelie (goede nieuws) betrof de Messias en Zijn koninkrijk. Het wordt
specifiek en herhaaldelijk "het
evangelie van het koninkrijk" genoemd (Matt.4:23,9:35,24:14,Mark.1:14,Luk.9:2,6,
etc.).
Aan
te nemen
dat onze Heere nu deze apostelen zendt om "het
evangelie van Gods genade" te verkondigen is volstrekt
ongerechtvaardigd. In feite wordt "het
evangelie van Gods genade" niet gepredikt en zelfs niet genoemd voordat
Paulus is geroepen en uitgezonden om het te verkondigen (zie Hand.20:24, Rom.3:21-28,Ef.3:1-3).
Laat ons nu de opdrachten van voor- en na de opstanding van onze Heere
vergelijken, daarbij bedenkende dat beiden waren gegeven aan dezelfde groep
mannen.
1.
Zoals de apostelen uitsluitend naar ייn volk gezonden werden, zo werden
zij nu naar alle volkeren gezonden, te
beginnen bij Jeruzalem (Luk.24:47,Hand.1:8). Dit was geen afwijking van het
eerdere programma, maar een verdere ontwikkeling ervan, want onze Heere had
zodanig met Israel gehandeld dat zij een zegen zouden zijn voor alle volkeren.
Nu werd ervan uitgegaan dat Israel haar verrezen Messias zou accepteren
en dat het programma zou doorgaan.
2.
Onder deze opdracht werd het koninkrijk, tevoren aangekondigd als zijnde
"nabij", daadwerkelijk aangeboden
om door Israel te worden aangenomen (Hand.2:36-39, 3:19-26). Hier is opnieuw
een verdere ontwikkeling van hetzelfde
programma.
3.
Onder deze opdracht
werden aan de discipelen van Christus grotere
wonderkrachten gegeven dan daarvoor (Mark.16:17,18, Joh.14:12, begin Hand.).
Opnieuw een verdere voortgang van hetzelfde
programma.
4.
Onder deze opdracht had de gehele
Pinkstergemeente werkelijk alle dingen
gemeenschappelijk. Lees nauwkeurig, Hand.2:44,45, 4:32-37 en zie hoe dit ook
een verdere voortgang is van hetzelfde programma.
5.
Onder deze opdracht waren bekering en doop vereist tot
vergeving van zonden en daarop werd
de Heilige
Geest gegeven (Mark.16:16-18,
Hand.2:38). Weer een verdere voortgang van hetzelfde
programma.
Wat een vergissing om dit "de
grote opdracht" en "onze
marsorders" te noemen! Hoe aandoenlijk om te zien hoe oprechte
gelovigen tevergeefs trachten om deze opdracht en bevelen uit te voeren! Het
ergst van alles is de verwarring,
verdeeldheid en hartzeer die deze vergissing in de kerk heeft gebracht, om niet
te spreken van de indruk hiervan op de ongelovigen die er bijstaan en zich
verwonderen.
Als deze opdracht Gods programma voor vandaag bevat, hoe zullen we dan de
Zevende-dag-Adventist antwoorden wanneer hij wettigheid leert vanuit Matt.28:20
en Matt.23:2,3, of de zgn. "discipelen van Christus", wanneer zij de
reddende doop leren vanuit Mark.16:16, of de Pinkstergelovigen wanneer zij
volhouden vanuit Mark.16:17,18, dat wonderkrachten de tekenen zijn van waar
geloof, of Rome wanneer zij Joh.20:22,23 aanhaalt en staat op het recht om
zonden te vergeven?
DE GROOTSTE OPDRACHT
"Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij
ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochthans kennen wij Hem nu niet meer
naar het vlees.
"Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel;
het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.
"En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend
heeft door Jezus Christus, EN ONS DE BEDIENING VAN DE VERZOENING GEGEVEN HEEFT.
"Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun
zonden hun niet toerekenende; EN HEEFT HET WOORD VAN DE VERZOENING IN ONS
GELEGD" (2Cor.5:16-19).
Als de verslagen van de zogenaamde "grote opdracht" de
"laatste bevelen" van onze Heere zouden bevatten, zouden zij werkelijk
"onze marsorders" zijn, want de laatste commando's van de commandant
dienen te worden opgevolgd, maar het is geen
feit dat de "grote opdracht" de "laatste commando's" van
onze Heere bevatten. Na Zijn hemelvaart sprak de verworpen Christus opnieuw
vanuit Zijn ballingschap in de hemel, en gaf een andere en grotere opdracht aan
Paulus en aan ons. Telkens spreekt de apostel over de bedeling van genade die
hem toevertrouwd is door de verheerlijkte Heere Zelf.
Bij het onderzoeken welke van de opdrachten van onze Heere door ons dient te worden gehoorzaamd, moeten wij onszelf twee vragen
stellen:
1)
Waarom
riep God nog een apostel, Paulus,
enige tijd nadat Matthias overeenkomstig de Schriften was gekozen om het getal
van de twaalf vol te maken?
2)
Waarom bleven de twaalf
apostelen, nadat hen bevolen was om "de gehele wereld" in te gaan
(Mark.16:15) om discipelen te maken uit "alle volkeren" (Matt.29:19),
te Jeruzalem (Hand.8:1) en waarom stemden zij later, door hun leiders, ermee in
hun bediening te beperken tot Israel, terwijl Paulus naar de heidenen ging
(Gal.2:9)? Waren zij allen buiten de wil van God, of vond er een verandering van
bedeling plaats? Het antwoord kan alleen maar zijn, dat er een verandering van
bedeling plaats vond.
In het hart van de grote openbaring aan Paulus ligt Gods aanbod van verzoening,
gedaan aan een wereld in vijandschap met Zijn Zoon en Hemzelf. De verkondiging
van deze heerlijke boodschap is onze
grote opdracht want, zoals we hierboven gezien hebben, zegt de apostel:
"God...heeft aan ons het woord der verzoening toevertrouwd"
(2Cor.5:19).
Dit aanbod van verzoening door genade door geloof is het hart van
"het evangelie van de genade van God". Nadat de volkeren, en zelfs hיt volk, zich tegen God gekeerd hadden, deed Hij iets
merkwaardigs. Hij beantwoordde de ruwe moord op Stephanus met de redding van Saulus, de leider van de vervolging tegen de Pinkster
gemeente en de personificatie van Israels' (en 's werelds) geest van opstand.
Aldus "Waar zonde meerder geworden
is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest, OPDAT...GENADE ZOU
HEERSEN" (Rom.5:20,21).
De bekering van Saulus was de eerste stap naar de invoeging van de heerschappij van de genade, want hij schrijft geןnspireerd:
"Ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk
Christus Jezus, onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de
bediening gesteld hebbende,
"Die tevoren een godslasteraar was en een vervolger,
en een verdrukker; maar MIJ IS BARMHARTIGHEID GESCHIED, dewijl ik het onwetend
gedaan heb in mijn ongelovigheid.
"Doch DE GENADE ONZES HEEREN IS ZEER OVERVLOEDIG
GEWEEST, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus.
"Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig,
dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van
welke ik de voornaamste ben.
"MAAR DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT
JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU
BETONEN, TOT EEN VOORBEELD DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN
LEVEN" (1Tim.1:12-16).
Aldus demonstreerde God, toen het nooodzakelijk bleek Israel terzijde te
stellen, de rijkdom van Zijn genade door haar leider in de opstand te redden en
hem uit te zenden met een aanbod van genade aan alle mensen, overal. "De verwerping van hen (Israel)" en "de verzoening van de wereld" gaan samen (Rom.11:15).
"Want
God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU
BARMHARTIG ZIJN" (Rom.11:32).
De boodschap van verzoening ligt ook ten grondslag aan de waarheid met
betrekking tot het lichaam van Christus. Inderdaad, het is door de verzoening
van Joden en heidenen met God dat het lichaam is gevormd:
"
En opdat Hij die beiden met God in ֹֹN LICHAAM zou VERZOENEN door het kruis,
de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende" (Ef.2:16).
Hieruit volgt dat de boodschap van verzoening een vitaal onderdeel is van
het geheimenis, want de vorming van het lichaam was een geheim, totdat het werd
geopenbaard aan en door Paulus.
Het was Gods geopenbaarde bedoeling
om de wereld te zegenen door de opwekking
van Israel (Jes.60:1-3), en dit doel zal nog worden voltooid. Maar het was
Gods verborgen doel om de wereld te
zegenen door de val van Israel, en
dit wordt nu voltooid (Rom.11:11,12,15).
De heerlijke waarheid dat God een heerschappij van genade wilde invoegen
(Rom.5:21), alle onderscheid opzijzettend om gelovende Joden en heidenen te
redden (Rom.11:32), en om hen te verzoenen met God in ייn lichaam (Ef.2:16),
in Christus (Ef.2:15), gezeten in de hemelse gewesten (Ef.2:6), werd nimmer
geprofeteerd sinds de wereld begon, hoewel het werd bedoeld door God voor
de wereld begon (Ef.1:4-9).
De verkondiging van de heerlijke boodschap van verzoening, waardoor het
lichaam wordt gevormd, is onze grote
opdracht. Bij het vergelijken hiervan met de twee eerder genoemde opdrachten
aan de twaalf, dienen we het volgende op te merken:
1. Onder
deze opdracht worden wij, met Paulus, tot alle
mensen gezonden, zonder onderscheid
(2Cor.5:14-21).
2. Onder
deze opdracht wordt de wederkomst van Christus om te oordelen en te regeren
uitgesteld, en wordt overal verzoening aangeboden aan Gods vijanden
(2Cor.5:16,19, Rom.11:25, Hebr.2:8,9).
3. Onder
deze opdracht zijn de wonderlijke krachten ingetrokken (Rom.8:23, 2Cor.4:16,
5:1,2, 12:7-10, 1Tim.4:20).
4. Onder
deze opdracht is het "verkoop alles" en "verzamel niet"
opgeheven (2Cor.12:14, 1Tim.5:8). De apostel moest inderdaad collectes houden
voor hen die in Jeruzalem alles hadden verkocht en nu gebrek begonnen te lijden (zie Hand.4:34 en Hand.11:27-30, Rom.15:26,
1Cor.16:1-3).
5. Onder
deze opdracht is geloof alleen vereist
tot redding (2Cor.5:18-21, Rom.3:21,24-28, 4:5, Ef.2:8-10) etc.).
6.
Behalve dit alles, dient bijzondere aandacht te worden
gegeven aan de woorden:
"Zo dan, WIJ KENNEN VAN NU AAN NIEMAND NAAR HET
VLEES; EN INDIEN WIJ OOK CHRISTUS NAAR HET VLEES GEKEND HEBBEN, NOCHTANS KENNEN
WIJ HEM NU NIET MEER NAAR HET VLEES" (2Cor.5:16).
De woorden "van nu aan" zijn hier van grote betekenis. Het kan
niet worden ontkend dat hieraan voorafgaand mensen werden gekend of herkend naar
het vlees. Onze Heere had Zijn apostelen oorspronkelijk geןnstrueerd niet
naar de heidenen of de Samaritanen te gaan, maar uitsluitend te gaan naar
"de verloren schapen van het huis Israels" en stond erop dat Hij Zelf
tot niemand anders was gezonden dan tot "de verloren schapen van het huis
Israels" (Matt.10:6, 15:24). Zelfs onder deze tweede grote opdracht, na
Zijn opstanding, had onze Heere de apostelen geןnstrueerd om eerst de mensen
van het uitverkoren volk te bedienen, en Petrus werd ter verantwoording geroepen
wegens bediening aan het heidense huisgezin van Cornelius.
Wat betreft het kennen van Christus naar het vlees: hadden zij Hem niet
naar het vlees gekend toen zij zich om Hem verdrongen (Mark.5:31), toen Hij met
hen at (Luk.15:2), toen Hij hen aanraakte en genas? Kenden zij Hem niet naar het
vlees toen zij Hem aan het kruis nagelden? (Joh.19:16-18). Kenden zij Hem niet
naar het vlees toen Thomas gevraagd werd om de wonden in Zijn handen en in Zijn
zijde aan te raken? Getuigt niet Johannes dat zij Hem hadden "gezien"
met hun ogen, Hem hadden "aanschouwd" en Hem met "handen
getast" hebben? (1Joh.1). Kenden zij Hem
nog steeds niet naar het vlees zelfs na de hemelvaart, toen Petrus
verklaarde aan het huis van Israel, dat God Hem uit de doden had opgewekt om te
zitten op de troon van David? (Hand.2:30,31).
Maar nu verklaart Paulus door openbaring: "Hoewel
wij Christus naar het vlees hebben gekend, van nu af aan kennen wij Hem niet
meer". Duidt dit niet op een verandering van bedeling?
Wij kennen nu Christus als de ֹne in Wie al de volheid woont (Kol.1:19),
zelfs al de volheid der Godheid (Kol.2:9). Wij kennen Hem als de ֹne die
verhoogd is ver boven allen (Ef.1:20,21, Fil.2:9-11) en Die nu Zijn ambassadeurs
uitzendt om de rijkdommen van Zijn genade aan te bieden aan allen die willen
ontvangen.
De eerste twee grote opdrachten waren oorspronkelijk aan twaalf mannen
gegeven omdat de beloften aan Israel met haar twaalf stammen waren beoogd. De
derde grote opdracht werd oorspronkelijk gegeven aan ייn man, omdat het Eיn
God, ייn verloren wereld, ייn
Middelaar en ייn lichaam betrof.
Welk een hoge en heerlijke boodschap is dan toch de onze om het evangelie
van de genade van God en het aanbod van verzoening verkondigen! Hoe dienen wij
ons te beijveren om deze boodschap uit te dragen! Hoe dient de liefde van
Christus voor Zijn vijanden ons te dringen om mensen te smeken zich te laten
verzoenen, omdat het nu nog "welaangename tijd" is! (2 Cor.5:20,21).
VRAGEN
1. Wat wordt in het algemeen bedoeld met de term "grote opdracht"?
2. Welke invloed wordt gemeend dat deze opdracht op ons vandaag zal hebben?
3.
Hoe worden de verslagen van de
"grote opdracht" in het algemeen vanaf de kansel bezien?
4. Wat gebeurt er als deze verslagen worden bestudeerd
met de bedoelingom de "grote opdracht" uit te gaan voeren?
5.
Noem drie belangrijke christelijke leiders van de laatste generatie die niet
geloofden dat de opdracht vermeld in Mattheus onze opdracht is.
6.
Noem drie van zulke leiders die zich hielden aan andere verslagen van de
"grote opdracht" die door ons dienen te worden gehoorzaamd, en geef
weer welk verslag ieder koos.
7.
Wat is gezocht en ongewoon omtrent de visie dat bepaalde verslagen onze
opdracht bevatten en andere weer niet?
8.
Hoe zoudt u bewijzen dat alle
verslagen van de "grote opdracht" direct sloegen op hen die toen
leefden?
9.
Leg uit hoe alle verslagen van
de opdrachten van onze Heere in harmonie zijn met wat de apostelen werkelijk
deden zoals vermeld in het eerste gedeelte van Handelingen.
10. Tot
wie beval onze Heere de apostelen dat zij niet
moesten gaan in Zijn eerste grote
opdracht?
11. Tot
wie uitsluitend, zei onze Heere, dat Hij destijds Zelf gezonden was?
12. Waarom
was dit zo?
13.
Welk
evangelie moesten de twaalf onder deze eerste opdracht prediken?
14.
Noem
twee andere details van Christus' eerste grote opdracht aan de twaalf.
15. Wanneer
werd de volgende opdracht aan de apostelen gegeven?
16. Leg
uit waarom deze opdracht geen afwijking was van, maar eerder een verdere
ontplooiing van, de eerste grote opdracht.
17. Geef
een Schriftgedeelte dat onze grote opdracht toont.
18. Wanneer
en aan wie werd deze opdracht het eerst gegeven?
19. Welk
evangelie dienen wij te prediken onder deze opdracht?
20. Noem
drie punten van contrast tussen onze grote opdracht en de zgn. "grote
opdracht".
|