"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

Pascha

Exodus 12:1-20 Een nieuw begin!

Exodus 12:21-36 Theorie en praktijk

Hebreeכn 9:1-14 Het Oude Testament roept om de Heere Jezus!

Johannes 20:1-10 Het lege graf.

Een ander leven

1 Korintiכrs 5 : 8 Ook ons Paaslam, Christus, is geslacht

Filippenzen 3:2-11Geloven is: vertrouwen op de opgestaande Heere Jezus.

Een van de drie grote feesten van Israכl. Het woord pascha is Grieks, pesach is de Hebreeuwse vorm. Het duidt allereerst het lam aan, waarvan het bloed met een hysopstengel aan de bovendorpel en de deurpost van de Israכlitische woningen gestreken werd, opdat de verderver die Egypte doortrok, aan Israכl zou voorbijgaan. De naam pesach is gevormd van het werkwoord pasach, voorbijgaan, sparen. In afwachting van de uittocht moest het vlees van dit lam in de huizen in reisvaardige toestand gegeten worden (Ex. 12  vgl. de toespelingen in Jes. 26:20 en 31:5 ). Het pascha is eigenlijk een soort offer (Ex. 12:27 ).

Hoe het Paasfeest in de woestijn gevierd werd, weten we niet. De eerste wetten bevatten ten aanzien van het pascha twee bepalingen: 

1. "het vet van mijn vlees zal niet blijven tot de morgen" (Ex. 23:18 ), met als parallel in Ex. 34:25  "Het slachtoffer van het Paasfeest zal niet blijven tot morgen". Dit betekent dat de op het altaar komende vetstukken van de lammeren voor het aanbreken van de morgen in vlammen moeten zijn opgegaan. 

2. De wet op de drie voornaamste feesten waarop alle mannen (Ex. 23:14-17 ) aanwezig moesten zijn, maar niet met lege handen, dus met vrijwillige offers.

Josefus Ant. 3.10.15 zegt terecht: "Op het Paasfeest volgt het feest van de ongezuurde broden". In Matt. 26:17 ; Marc. 14:12  heet de dag waarop het pascha geslacht en gegeten werd echter "de eerste dag van de ongezuurde broden". Deze dag wordt ook in Ex. 12:18  als eerste feestdag beschouwd.

De mazzen moesten aan de haast van de uittocht herinneren.

In Num. 28  wordt de Lev. 23:10-14 verordende aanbieding van de garf op de tweede dag van het Mazzoth-feest verondersteld. Eיn van de eerste garven van het koren moest voor de HEERE bewogen worden, vergezeld van een brandoffer.

De regels in Deuteronomium kunnen niet begrepen worden zonder kennis van de oudere wetgeving. Deut. 16:1 noemt bijvoorbeeld wel de paasmaand, maar niet de dag van het Paasfeest. Deuteronomium maakt van de zeven Mazzoth-dagen alleen de zevende tot feestdag (16:8 ), net als Ex. 13:6. Maar in Ex. 12:16> en Num. 28:18,25 ) worden de eerste en de zevende dag genoemd.

Na de eerste vijf boeken lezen we het volgende over vieringen van het paasfeest: eerst het Paasfeest in Gilgal onder Jozua, nadat de Israכlieten besneden waren (Joz. 5:10 ). Het Paasfeest onder Hizkia (2 Kron. 30 ) laat vrijheid van de letter van de wet zien: het werd in de 2e maand gevierd omdat men in de 1e maand niet gereed was; ook werden er zeven extra feestdagen aan toegevoegd. De schrijver zegt in vs. 26  dat een Pascha sedert Salomo niet gevierd was! De lammeren door de Levieten namens de gemeente geslacht (30 vs.17).

Daarna was er het Paasfeest onder Josia (2 Kon. 23; 2 Kron. 35 ). Ook de viering van dit Paasfeest is niet helemaal volgens de regels: De Levieten slachtten; zij vingen (evenals onder Hizkia) het bloed van de lammeren op en trokken het vel van de lammeren af. Ook bij het Paasfeest van de teruggekeerde Joden (Ezr. 6:19-22 ) werden de lammeren door de Levieten geslacht.

De paaswet van Ezechiכl (Ez. 45:21-24) staat helemaal op zichzelf. Aan de ene kant sluiten de uitdrukkingen nauw aan bij Num. 28:16-25, maar toch eist zij andere offers en is het de vorst die ze moet brengen. Het paaslam en de paasmaaltijd worden in vs. 21  stilzwijgend verondersteld. De reden voor de veranderingen is misschien dat de vorst voor zichzelf en voor het volk een zondoffer moest brengen. De vreugde kreeg daardoor een ernstige achtergrond.

In Joh. 18:28  staat dat de Joden het praetorium niet binnengingen om niet verontreinigd te worden, waarna zij het Pascha niet zouden mogen eten. De dag waarop Jezus veroordeeld en gedood werd, was volgens de vier Evangelisten een vrijdag (Joh. 19:31,42 maar ook een "rustdag van het Pascha" (19:14 ), zod