|
DE BLIJVENDE DRIE-EENHEID
GELOOF, HOOP EN LIEFDE
Door C.R. Stam
“De
liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieen, zij zullen te
niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij
kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en
wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen
zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.Toen ik
een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind,
overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo
heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. Want wij zien nu door
een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij
zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar
alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.En nu blijft geloof,
hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de
liefde.” ( 1 Korinthe
13:8-13)
DE
ALGEMENE INTERPRETATIE
Het bovenstaande
Schriftgedeelte van de apostel Paulus wordt over het algemeen als
volgt uitgelegd: “profetieën, tongen en kennis zullen verdwijnen,
maar geloof, hoop en liefde blijven, zelfs nadat dit leven voorbij
is. De dingen van onze kindertijd zullen op een dag te niet gedaan
worden, en vervangen worden door de dingen van onze toekomstige
volwassenheid. W a a r s c h i j n l i j k n e g e n v a n d
e t i e n Bijbelcommentaren geven deze opvatting weer.
DE JUISTE
INTERPRETATIE
De apostel Paulus behandelt in dit
geïnspireerde Schriftgedeelte drie onderwerpen:
-
Hetgeen dat te niet gedaan zou worden
-
Hetgeen dat als plaatsvervanger zou komen.
-
Hetgeen dat steeds zou blijven.
Ten eerste moet hier duidelijk begrepen
worden dat de dingen die “te niet gedaan worden*” en “zullen
ophouden” de GAVEN waren.
*Het woord dat in vers 8 vertaald wordt
als “te niet gedaan worden”, “verstommen” is “katargeo” in het
Grieks en het betekent “buiten werking stellen” of “doen ophouden”.
Dit Schriftgedeelte leert niet dat
profetieën niet zullen uitkomen, maar dat de gave van
profetie, die sommigen toen bezaten, zal ophouden. De Schrift leert
ook niet dat mensen niet meer zouden praten of dingen weten, maar
dat de gave van tongen en bovennatuurlijke kennis zal
“ophouden” en “te niet gedaan worden”.
Wat men duidelijk moet begrijpen is dat
deze gaven al tijdens het leven van de apostel Paulus moesten
ophouden. Deze gaven maakten deel uit van de overgangsperiode. De
overgang van het aardse programma met het volk Israël naar een
hemels en geestelijk programma met de gemeente HET LICHAAM VAN
CHRISTUS.
Deze gaven behoorden tot de kindertijd,
een Bijbelse tijd die tevens ook een overgangstijd was. In die tijd
werd de waarheid van het geheimenis van deze bedeling aan Paulus
geleidelijk geopenbaard. Hij ontving in die tijd nog steeds de
Goddelijke openbaringen aangaande de nieuwe bedeling, en er zouden
er ook nog meer volgen (Handelingen 26:16, 2 Korinthe 12:1). Daarom
zegt hij: “Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten
dele;…Want wij zien nu door een spiegel* in een duistere rede...”
Maar de openbaring zou gauw volmaakt worden (Kolossenzen 1:25),
en met deze volmaaktheid zou dat wat “kinderlijk” was en “ten
dele”, “teniet gedaan worden”.
*De spiegels van toen waren gepolijste
metalen vlakken, en gaven niet de heldere weerspiegeling van de
moderne spiegels.
Het wordt duidelijk in de brieven van
Paulus dat hij niet wilde wachten, of andere gelovigen laten wachten
tot wij in de hemel zijn, om van de kindertijd tot volwassenheid
over te gaan. Met recht berispte hij juist deze Korinthiërs voor hun
gebrekkige groei in de waarheid, en noemde hen “vleselijk” en “jonge
kinderen” (1 Korinthe 3:1-4). In Efeze 4:14 vermaant hij: “Opdat
wij niet meer kinderen zouden zijn…”. In Kolossenzen 1:24-29
spreekt hij opnieuw van zijn intensieve inspanning: “…opdat wij
zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus…” en
verwijst naar de vurige gebeden van Epafras dat de gelovige
Kolossenzen mochten staan: “…volmaakt* en volkomen in al den wil
Gods”. (Kol.4:12).
* Hetzelfde woord “teleios” wordt in de
volgende zin gebruikt: “Doch wanneer het volmaakte zal gekomen
zijn,” (1 Korinthe 13:10) en verwijst, niet naar de hemel, maar naar
de volledige openbaring van de waarheid die hun geestelijke groei
zou vergezellen.
POGINGEN OM DE
GAVEN IN DEZE TIJD TE HERSTELLEN
Uit dit alles blijkt duidelijk dat
behalve de beweringen van vele Bijbel-gelovigen, dat de “grote
opdracht” en het programma van Pinksteren met zijn wondertekenen, in
deze tijd niet uitgevoerd kunnen worden. Ook dat God dit onmogelijk
heeft gemaakt. Want deze bovennatuurlijke manifestaties zijn “te
niet gedaan” en “opgehouden”. Daarom zijn pogingen om ze te
herwinnen niet van God, maar van satan, die de Schriften wil
gebruiken om Gods kinderen van hun dierbaarste zegeningen te
beroven.
Zoals satan het Woord van God gebruikte
om de Heere Jezus te verzoeken, en later door hetzelfde Woord de
Galaten “van de genade te laten vervallen” naar het juk van de wet
van Mozes. Zo gebruikt hij het ook nu, verwijzend naar de Schriften
om oprechte gelovigen weg te trekken van een volledige waardering
van “alle geestelijke zegeningen in de hemel”, naar de zegeningen
uit een eerdere bedeling. Zegeningen die bestemd zijn voor het volk
Israël. Onze tegenstander is verheugd wanneer christenen zeggen:
“Als het in de Bijbel staat is dat voor mij voldoende”. Er zijn
echter twee Bijbelteksten waar hij de mensen nooit op attent zal
maken, namelijk Romeinen 11:13 en 2 Timotheüs 2:15, want als daar
acht op geslagen zou worden dan zou de verwarring en scheiding in de
Gemeente verdreven worden.
Het moet verder opgemerkt worden dat de
pogingen om in deze tijd de gaven te herwinnen, een duidelijk teken
van onvolwassenheid is. De gaven kwamen overvloedig voor in de
gemeente te Korinthe (1 Korinthe 1:7 en de hoofdstukken 12-14), en
de Korintiërs roemden hierin. Toch liet Paulus hen duidelijk weten
dat zij “jonge kinderen in Christus” waren (1 Korinthe 3:1), niet in
staat om vast voedsel te verdragen (vers 2) en hun “nijd, twist en
tweedracht”(vers 3) bewezen dat hij gelijk had.
Laat niemand uit de zgn.
Pinksterbeweging zich verbeelden dat zijn veronderstelde “gaven” van
genezing, of profetie, of tongen, tekenen zijn van geestelijkheid of
volwassenheid. De Korinthiërs bezaten al deze gaven; toch werden ze
eerder “vleselijk” genoemd dan geestelijk, eerder “kinderlijk” dan
volwassen. Bovennatuurlijke gaven waren op zich nooit een verwijzing
naar geestelijkheid. Ze waren eenvoudig tijdelijke tekenen die
samengingen met het Messias-zijn van onze Heere.
Er heerst veel verwarring en
onwetendheid in de plaatselijke gemeenten over de gaven van de
Geest. Een man staat op om in een “onbekende tong” te spreken. Een
ander volgt met een “verklaring”. Of een “profeet” staat op met de
één of andere bijzondere openbaring van de Heere. En wat zeggen zij?
Bieden zij enig verfrissend licht met betrekking tot het Woord van
God aan, of bespreken zij “de diepten Gods”? Nee, zij zeggen dingen
als: “De Heere is verheugd over deze samenkomst”, of “De Heere komt
spoedig en wij moeten gereed zijn”, of, “Er is een afvallige in ons
midden en de Heere wil dat hij weet dat als hij niet gauw het
aangezicht van God zoekt hij afgesneden zal worden”.
En wat geeft de grootste reactie van het
publiek? De spreker die tot het uiterste van fysieke of vocale
inspanning gaat, de suggestie dat de Heilige Geest op het punt staat
om in kracht neer te dalen, of de geringste vermelding van genezing.
Maar de “rijkdom der heerlijkheid” van Gods “verborgenheid onder de
heidenen”, “die God heeft willen bekend maken” (Kolossenzen 1:27),
en door welke de gelovigen bevestigd zijn, (Romeinen 16:25), is hen
volkomen onbekend.
De Korinthiërs hechtten een overdreven
waarde aan de gaven in een tijd waarin ze tenminste nog van
toepassing waren. Wat zullen wij zeggen van degenen, die er veel
waarde aan hechten, nadat God ze buiten werking heeft gesteld en te
niet gedaan heeft? Als de golven van emotie, de voortdurende nadruk
op de wonderen, het zelfbedrog en bedrog van anderen het niet
erkennen van Paulus als de door God aangewezen apostel van de
tegenwoordige bedeling, dit alles komt niet van God maar van de
tegenstander, satan.
DE
BLIJVENDE DRIE-EENHEID
“En
nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie…”
Het woord “nu” geeft weer dat er een
conclusie getrokken wordt. Het zou als volgt gebruikt kunnen worden:
“En zo blijven deze drie”. Terwijl sommige dingen voorbij zullen
gaan, om door andere vervangen te worden, zullen er bepaalde
fundamentele factoren blijven. Dit zijn GELOOF, HOOP en LIEFDE, en
met het voorbijgaan van de gaven geven deze volledig en voldoende
bewijs van een normaal en gezond christendom.
De drie zijn een drieëenheid. Hoewel de
apostel over één of twee of alle drie samen kan spreken, zijn ze
toch zo volkomen één dat de ene niet zonder de andere twee kan
bestaan. Bovendien zijn ze even belangrijk, ieder op zijn eigen
manier. De LIEFDE is de “voornaamste”, de kroon van deugdzaamheid.
Het is van het hoogste belang. Doch GELOOF is van primair belang.
Eerst moet GELOOF komen, want “zonder geloof is het onmogelijk Hem
te behagen”. En HOOP, of verwachting, is van eeuwigdurend belang.
Het ligt centraal in onze dagelijkse christelijke ervaring.
De apostel Paulus zocht naar deze drie
vormen van genade in elke gemeente. Hij oordeelde de echtheid van
hun belijdenis naar de mate van hun aan- of afwezigheid van geloof.
Hij vroeg nooit: “Hoeveel gedoopte bekeerlingen hebt u”? of “Hoeveel
van jullie bezitten de gaven”? Het programma luidde niet meer: “Die
geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden… en
dengenen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen”
( Markus 16:16,17).
Hij zocht altijd GELOOF, HOOP en LIEFDE.
Aan de Romeinen schreef de apostel:
“dat uw geloof verkondigd wordt in de
gehele wereld”. Maar werd hun geloof vergezeld met een gelijke
mate van hoop en liefde? Hij is nooit bij hen geweest en kan dit
niet precies weten omdat zij zo ver bij hem vandaan woonden. Maar
hij vertelt hen wel wat in dit opzicht nodig is, in het bijzonder in
Romeinen 5:1-5:
“Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het
GELOOF, hebben vrede bij God…”
en “de toeleiding door het GELOOF tot
deze genade, in welke wij staan”en meer, hoewel wij “de
heerlijkheid Gods derven” kunnen wij “roemen in de HOOP der
heerlijkheid Gods”.
“En de HOOP beschaamt niet, omdat de
LIEFDE Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest…”.
De Korinthiërs hadden zijn hart gebroken.
Met hun overdreven nadruk op de gaven, hadden zij GELOOF, HOOP en
LIEFDE verwaarloost. De apostel is zeer op zijn hoede in de beide
brieven die hij tot hen richt. Terwijl hij anderen prijst voor de
bewijzen van hun behoudenis, schrijft hij in het geval van de
Korinthiërs alleen: “Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege
de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus”. (1Korinthe
1:4) Zij droegen wel enig bewijs van GELOOF (1 Korinthe 1:4-6), en
iets van HOOP (vers 7), maar weinig van LIEFDE, en dit was van
invloed op zowel hun geloof als hun hoop (1 Korinthe 1:10-12). Zelfs
na de berisping in zijn eerste brief was het nog nodig om hen te
vermanen: “de oprechtheid uwer liefde beproevende”en
“Bewijst dan aan hen de bewijzing van uw liefde” (2 Korinthe
8:8,24).
Zo kunnen we Paulus in 1 Korinthe 13 de
nadruk zien leggen op hun behoefte aan alle drie, in het bijzonder
de liefde.
De gemeente te Galatië was een andere
bittere teleurstelling voor Paulus. Hun weggaan van de genade Gods,
zo snel nadat zij zich daarin hadden verheugd, had hem versteld en
bedroefd (Galaten 1:6-10). Bij de Galaten ging het voornamelijk om
geloof, maar dit betrof ook hun hoop, want hij vraagt hen: “Welke
was dan uw gelukachting”? (Galaten 4:15) en ook hun liefde, want
hij zegt: “Want de gehele wet wordt in één woord vervuld,
namelijk in dit; Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Maar
indien gij elkander bijt en vereet…” (Galaten 5:14,15).
Paulus waarschuwt hen dat onderwerping
aan de besnijdenis inhoudt dat Christus hen van “geen nut is”, en
dat Christus hen ijdel geworden is; en dat dit hen verplichtte zich
aan de gehele wet te houden. Dan brengt de apostel de drie uitingen
van genade weer samen als hij zegt:
“Want wij verwachten door den Geest, uit
het GELOOF, de HOOP der rechtvaardigheid…door de LIEFDE werkende”.
( Galaten 5:5,6)
De brief aan de Efeziërs was ongetwijfeld
een zendbrief die aan verscheidene gemeenten gezonden werd,
waaronder die van Efeze. Hij had over hen betere dingen te zeggen:
“Daarom ook ik, gehoord hebbende het
GELOOF in den Heere Jezus, dat onder u is, en de LIEFDE tot al de
heiligen, houd niet op voor u te danken…”(Efeze
1:15,16).
Wat hun HOOP betreft, herinnert hij hen
eraan dat zij toen zij gelovig werden, zijn verzegeld geworden
met den Heiligen Geest der belofte, Die het onderpand is van onze
erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner
heerlijkheid”. (Efeze 1:13,14). Maar hij wilde hen nu in een
grotere en wonderbaarlijker hoop bevestigen, en bidt:
“Opdat de God van onzen Heere Jezus
Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest der wijsheid en
der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws
verstands, opdat gij moogt weten, welke is de HOOP VAN ZIJN
ROEPING,”(Efeze 1:17,18). Hier
wordt uiteraard verwezen naar onze roeping tot de tegenwoordige
positie en tegenwoordige zegeningen in de hemelse gewesten.
Over deze heerlijke roeping schrijft
Paulus aan Timotheüs:
“Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen
met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen
voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór de
tijden der eeuwen;” (2
Timotheüs 1:9).
Elke gelovige behoort te weten en te
ervaren “welke hoop Zijn roeping wekt” of zoals Wymouth het zegt:
“de hoop die Zijn roeping u ingeeft”.
De gemeente te Filippi werd bedreigd met
scheuringen naar aanleiding van een persoonlijk misverstand dat
Paulus snel behandelde, maar in het geheel waren zij een
voortreffelijke groep. Dat zij een bijzondere plaats innamen in de
genegenheid van Paulus is duidelijk uit de eerste woorden van zijn
brief aan hen:
“Ik dank mijn God, zo dikwijls als ik
uwer gedenk (Allen tijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap
het gebed doende) (Filippenzen
1:3,4).
De standvastigheid van hun geloof werd
bewezen door hun gemeenschap met hem in het evangelie. “…van de
eerste dag af tot nu toe”(vers 5). Hun hoop was ook sterk, want zij
hadden zelfs met hem geleden (vers 7,29,30). Bovendien was hij er
van overtuigd dat God, die dit “goed werk” in hun is begonnen het
ook zal voltooien (vers 6). Wat hun liefde betreft: dit had tot op
zekere hoogte een ongunstige invloed op het misverstand dat ontstaan
was (4:2,3). Maar hij tracht hen weer stevig samen te binden, als
hij hen “allen” toespreekt (1:1), hen verzekert van zijn gebeden en
blijdschap voor hen “allen” (vers 4) en zijn vertrouwen in “allen”
(vers 7), en zijn verlangen naar “allen” (vers 8) . En ondanks dat
hij niet precies die
woorden gebruikt, groepeert hij weer
geloof, hoop en liefde samen in zijn slotvermaning:
“…staat alzo in den Heere”(4:1)
Dat is GELOOF
“…dat
zij eensgezind zijn den Heere…
(4:2)
Dat is LIEFDE.
“Verblijd
u in den Heere allen tijd…(4:4)
Dat is HOOP.
De Kolossenzen hadden ook hun
moeilijkheden, namelijk het binnensluipen van ketterij, doch zij
stonden op een hoog geestelijk niveau. Daarom schrijft de apostel
van zijn dankbaarheid en gebeden voor hen.
“Alzo
wij van uw GELOOF in Christus Jezus gehoord hebben, en van de
LIEFDE, die gij hebt tot alle heiligen. Om de HOOP, die u weggelegd
is in de hemelen…(1:4-5).
Hij
kon aan hen ook schrijven over de diepere, glorierijke waarheden die
verbonden zijn aan “het geheimenis”, zodat we in de brief aan de
Kolossenzen zelfs weer meegenomen worden naar de hoogten van
geestelijke waarheid.
De gemeente van de Thessalonicenzen
staat allang bekend als een “modelgemeente” en in de brieven die
Paulus aan hen schrijft (waarschijnlijk zijn allereerste brieven)
vinden wij geloof, hoop en liefde heel opvallend gegroepeerd. In hun
geval wordt in het bijzonder hoop het laatst genoemd, wat
overeenstemt met het feit dat deze brieven voornamelijk te maken
hebben met “de zalige hoop”, waarover zij onderricht nodig hadden.
In de eerste woorden van zijn eerste
brief aan hen herinnert de apostel hen aan het “werk uws GELOOFS, en
den arbeid der LIEFDE, en de verdraagzaamheid der HOOP”. (1 Thes.
1:3). Vervolgens herinnert hij hen “hoe gij tot God bekeerd zijt van
de afgoden”, daar is GELOOF “om den levenden en waarachtigen God te
dienen”, daar is LIEFDE, “en Zijn Zoon uit de hemelen te
verwachten”, daar is HOOP ( 1:9,10). Het gehele eerste hoofdstuk is
inderdaad in drieën verdeeld, de eerste helft heeft voornamelijk met
hun GELOOF te maken (vers 1-5), het tweede deel met hun LIEFDE (vers
6-8) en het derde deel met hun HOOP (vers 9-10).
Zelfs in het licht hiervan spoort de
apostel hen aan: “…aangedaan hebbende het borstwapen des GELOOFS
en der LIEFDE, en tot een helm, de HOOP der zaligheid”. (5:8).
Aan het begin van de tweede brief kunnen
we verheugd lezen hoe ze gegroeid waren nadat hij hen voor het
laatst geschreven had. De apostel zegt:
“…uw GELOOF zeer wast…”.
“…en dat de LIEFDE van een iegelijk van u
allen jegens elkander overvloedig wordt…”
“Alzo dat wij zelven van u roemen in de
gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en GELOOF in al uw vervolgingen
en verdrukkingen, die gij verdraagt;..
(2 Thessalonicenzen 1:3,4).
Dat deze uitingen van genade toch
overvloedig mogen zijn in ons, de leden van het lichaam van
Christus. De individuele gelovige in wie deze deugden overvloedig
zijn, heeft alles wat hij nodig heeft en alles wat God van hem
verwacht. Al het andere is met deze drie verbonden. Eveneens is de
kerk in welke ze overvloedig zijn, een complete kerk, of die nu uit
vijfentwintig of vijfentwintighonderd leden bestaat.
Offeranden, besnijdenis en de wet zijn
voorbijgegaan, de gaven hebben afgedaan, maar deze uitingen van
genade blijven als een blijvende drieëenheid en zullen voor eeuwig
blijven bestaan.
Een bekend lied luidt als volgt:
Geloof zal verdwijnen in zien.
Hoop zal ledig worden in verrukking.
Liefde in de hemel zal helderder
schijnen.
Daarom geef ons liefde.
Maar dit is niet helemaal waar. Terwijl
veel dingen die wij nu geloven dan gezien en geweten worden, volgt
daar nog niet uit dat ons geloof dan zal ophouden. Integendeel het
zal dan volmaakt zijn. Gelijkerwijs zullen de dingen waar we nu op
hopen dan gerealiseerd zijn, maar daar volgt niet uit dat hoop of
verwachting dan zal stoppen, want het toekomstig leven zal
voortschrijdend zijn met betrekking tot de heerlijkheden die het
ontvouwt. Liefde, de kronende genade van iedereen zal, natuurlijk,
ook in de hemel volmaakt zijn.
Wat een vooruitzicht voor ons! |