De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

                               

DE BLIJVENDE DRIE-EENHEID

GELOOF, HOOP EN LIEFDE

Door C.R. Stam

 “De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieen, zij zullen te niet  gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij  zal te niet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele  is, te niet gedaan worden.Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind,  overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb  ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan  zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele,  maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze  is de liefde.”  ( 1 Korinthe 13:8-13)

 DE ALGEMENE INTERPRETATIE

 Het bovenstaande Schriftgedeelte van de apostel Paulus wordt over het algemeen als volgt uitgelegd: “profetieën, tongen en kennis zullen verdwijnen, maar geloof, hoop en liefde blijven, zelfs nadat dit leven voorbij is. De dingen van onze kindertijd zullen op een dag te niet gedaan worden, en vervangen worden door de dingen van onze toekomstige volwassenheid. W a a r s c h i j n l i j k   n e g e n   v a n   d e   t i e n   Bijbelcommentaren geven deze opvatting weer.

 DE JUISTE INTERPRETATIE

 De apostel Paulus behandelt in dit geïnspireerde Schriftgedeelte drie onderwerpen:

  1. Hetgeen dat te niet gedaan zou worden
  2. Hetgeen dat als plaatsvervanger zou komen.
  3. Hetgeen dat steeds zou blijven.

 Ten eerste moet hier duidelijk begrepen worden dat de dingen die “te niet gedaan worden*” en “zullen ophouden” de GAVEN  waren.

 *Het woord dat in vers 8 vertaald wordt als “te niet gedaan worden”, “verstommen” is “katargeo” in het Grieks en het betekent “buiten werking stellen” of “doen ophouden”.

 Dit Schriftgedeelte leert niet dat profetieën niet zullen uitkomen, maar dat de gave van profetie, die sommigen toen bezaten, zal ophouden. De Schrift leert ook niet dat mensen niet meer zouden praten of dingen weten, maar dat de gave van tongen en bovennatuurlijke kennis zal “ophouden” en  “te niet gedaan worden”.

 Wat men duidelijk moet begrijpen is dat deze gaven al tijdens het leven van de apostel Paulus moesten ophouden. Deze gaven maakten deel uit van de overgangsperiode. De overgang van het aardse programma met het volk Israël naar een hemels en geestelijk programma met de gemeente HET LICHAAM VAN CHRISTUS.

Deze gaven behoorden tot de kindertijd, een Bijbelse tijd die tevens ook een overgangstijd was. In die tijd werd de waarheid van het geheimenis van deze bedeling aan Paulus geleidelijk geopenbaard. Hij ontving in die tijd nog steeds de Goddelijke openbaringen aangaande de nieuwe bedeling, en er zouden er ook nog meer volgen (Handelingen 26:16, 2 Korinthe 12:1). Daarom zegt hij: “Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;…Want wij zien nu door een spiegel* in een duistere rede...” Maar de openbaring zou gauw volmaakt worden (Kolossenzen 1:25),  en met deze volmaaktheid zou dat wat “kinderlijk” was en  “ten dele”, “teniet gedaan worden”.

*De spiegels van toen waren gepolijste metalen vlakken, en gaven niet de heldere weerspiegeling van de moderne spiegels.

Het wordt duidelijk in de brieven van Paulus dat hij niet wilde wachten, of andere gelovigen laten wachten tot wij in de hemel zijn, om van de kindertijd tot volwassenheid over te gaan. Met recht berispte hij juist deze Korinthiërs voor hun gebrekkige groei in de waarheid, en noemde hen “vleselijk” en “jonge kinderen” (1 Korinthe 3:1-4). In Efeze 4:14 vermaant hij: “Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn…”.  In Kolossenzen 1:24-29 spreekt hij opnieuw van zijn intensieve inspanning: “…opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus…” en verwijst naar de vurige gebeden van Epafras dat de gelovige Kolossenzen mochten staan: “…volmaakt* en volkomen in al den wil Gods”. (Kol.4:12).

* Hetzelfde woord “teleios” wordt in de volgende zin gebruikt: “Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn,” (1 Korinthe 13:10) en verwijst, niet naar de hemel, maar naar de volledige openbaring van de waarheid die hun geestelijke groei zou vergezellen.

POGINGEN OM DE GAVEN IN DEZE TIJD TE HERSTELLEN

Uit dit alles blijkt duidelijk dat behalve de beweringen van vele Bijbel-gelovigen, dat de “grote opdracht” en het programma van Pinksteren met zijn wondertekenen, in deze tijd niet uitgevoerd kunnen worden. Ook dat God dit onmogelijk heeft gemaakt. Want deze bovennatuurlijke manifestaties zijn “te niet gedaan” en  “opgehouden”. Daarom zijn pogingen om ze te herwinnen niet van God, maar van satan, die de Schriften wil gebruiken om Gods kinderen van hun dierbaarste zegeningen te beroven.

 Zoals satan het Woord van God gebruikte om de Heere Jezus te verzoeken, en later door hetzelfde Woord de Galaten “van de genade te laten vervallen” naar het juk van de wet van Mozes. Zo gebruikt hij het ook nu, verwijzend naar de Schriften om oprechte gelovigen weg te trekken van een volledige waardering van “alle geestelijke zegeningen in de hemel”, naar de zegeningen uit een eerdere bedeling. Zegeningen die bestemd zijn voor het volk Israël. Onze tegenstander is verheugd wanneer christenen zeggen: “Als het in de Bijbel staat is dat voor mij voldoende”. Er zijn echter twee Bijbelteksten waar hij de mensen nooit op attent zal maken, namelijk Romeinen 11:13 en 2 Timotheüs 2:15, want als daar acht op geslagen zou worden dan zou de verwarring en scheiding in de Gemeente verdreven worden.

Het moet verder opgemerkt worden dat de pogingen om in deze tijd de gaven te herwinnen, een duidelijk teken van onvolwassenheid is. De gaven kwamen overvloedig voor in de gemeente te Korinthe (1 Korinthe 1:7 en de hoofdstukken 12-14), en de Korintiërs roemden hierin. Toch liet Paulus hen duidelijk weten dat zij “jonge kinderen in Christus” waren (1 Korinthe 3:1), niet in staat om vast voedsel te verdragen (vers 2) en hun “nijd, twist en tweedracht”(vers 3) bewezen dat hij gelijk had.

 Laat niemand uit de zgn. Pinksterbeweging zich verbeelden dat zijn veronderstelde “gaven” van genezing, of profetie, of tongen, tekenen zijn van geestelijkheid of volwassenheid. De Korinthiërs bezaten al deze gaven; toch werden ze eerder “vleselijk” genoemd dan geestelijk, eerder “kinderlijk” dan volwassen. Bovennatuurlijke gaven waren op zich nooit een verwijzing naar geestelijkheid. Ze waren eenvoudig tijdelijke tekenen die samengingen met het Messias-zijn van onze Heere.

 Er heerst veel verwarring en onwetendheid in de plaatselijke gemeenten over de gaven van de Geest. Een man staat op om in een “onbekende tong” te spreken. Een ander volgt met een “verklaring”. Of een “profeet” staat op met de één of andere bijzondere openbaring van de Heere. En wat zeggen zij? Bieden zij enig verfrissend licht met betrekking tot het Woord van God aan, of bespreken zij “de diepten Gods”? Nee, zij zeggen dingen als: “De Heere is verheugd over deze samenkomst”, of “De Heere komt spoedig en wij moeten gereed zijn”, of, “Er is een afvallige in ons midden en de Heere wil dat hij weet dat als hij niet gauw het aangezicht van God zoekt hij afgesneden zal worden”.

 En wat geeft de grootste reactie van het publiek? De spreker die tot het uiterste van fysieke of vocale inspanning gaat, de suggestie dat de Heilige Geest op het punt staat om in kracht neer te dalen, of de geringste vermelding van genezing. Maar de “rijkdom der heerlijkheid” van Gods “verborgenheid onder de heidenen”, “die God heeft willen bekend maken” (Kolossenzen 1:27), en door welke de gelovigen bevestigd zijn, (Romeinen 16:25), is hen volkomen onbekend.

De Korinthiërs hechtten een overdreven waarde aan de gaven in een tijd waarin ze tenminste nog van toepassing waren. Wat zullen wij zeggen van degenen, die er veel waarde aan hechten, nadat God ze buiten werking heeft gesteld en te niet gedaan heeft? Als de golven van emotie, de voortdurende nadruk op de wonderen, het zelfbedrog en bedrog van anderen het niet erkennen van Paulus als de door God aangewezen apostel van de tegenwoordige bedeling, dit alles komt niet van God maar van de tegenstander, satan.

 DE BLIJVENDE DRIE-EENHEID

 “En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie…”

Het woord “nu” geeft weer dat er een conclusie getrokken wordt. Het zou als volgt gebruikt kunnen worden: “En zo blijven deze drie”. Terwijl sommige dingen voorbij zullen gaan, om door andere vervangen te worden, zullen er bepaalde fundamentele factoren blijven. Dit zijn GELOOF, HOOP en LIEFDE,  en met het voorbijgaan van de gaven geven deze volledig en voldoende bewijs van een normaal en gezond christendom.

De drie zijn een drieëenheid. Hoewel de apostel over één of twee of alle drie samen kan spreken, zijn ze toch zo volkomen één dat de ene niet zonder de andere twee kan bestaan. Bovendien zijn ze even belangrijk, ieder op zijn eigen manier. De LIEFDE is de “voornaamste”, de kroon van deugdzaamheid. Het is van het hoogste belang. Doch GELOOF is van primair belang. Eerst moet GELOOF komen, want “zonder geloof is het onmogelijk Hem te behagen”. En HOOP, of verwachting, is van eeuwigdurend belang. Het ligt centraal in onze dagelijkse christelijke ervaring.

De apostel Paulus zocht naar deze drie vormen van genade in elke gemeente. Hij oordeelde de echtheid van hun belijdenis naar de mate van hun aan- of afwezigheid van geloof. Hij vroeg nooit: “Hoeveel gedoopte bekeerlingen hebt u”? of “Hoeveel van jullie bezitten de gaven”?  Het programma luidde niet meer: “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden… en dengenen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen”

( Markus 16:16,17).

Hij zocht altijd GELOOF, HOOP en LIEFDE.

Aan de Romeinen schreef de apostel:

dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld”. Maar werd hun geloof vergezeld met een gelijke mate van hoop en liefde? Hij is nooit bij hen geweest en kan dit niet precies weten omdat zij zo ver bij hem vandaan woonden. Maar hij vertelt hen wel wat in dit opzicht nodig is, in het bijzonder in Romeinen 5:1-5:

“Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het GELOOF, hebben vrede bij God…” en “de toeleiding door het GELOOF tot deze genade, in welke wij staan”en meer, hoewel wij “de heerlijkheid Gods derven” kunnen wij “roemen in de HOOP der heerlijkheid Gods”.

“En de HOOP beschaamt niet, omdat de LIEFDE Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest…”.

De Korinthiërs hadden zijn hart gebroken. Met hun overdreven nadruk op de gaven, hadden zij GELOOF, HOOP en LIEFDE verwaarloost. De apostel is zeer op zijn hoede in de beide brieven die hij tot hen richt. Terwijl hij anderen prijst voor de bewijzen van hun behoudenis, schrijft hij in het geval van de Korinthiërs alleen: “Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus”. (1Korinthe 1:4) Zij droegen wel enig bewijs van GELOOF (1 Korinthe 1:4-6), en iets van HOOP (vers 7), maar weinig van LIEFDE, en dit was van invloed op zowel hun geloof als hun hoop (1 Korinthe 1:10-12). Zelfs na de berisping in zijn eerste brief was het nog nodig om hen te vermanen: “de oprechtheid uwer liefde beproevende”en “Bewijst dan aan hen de bewijzing van uw liefde” (2 Korinthe 8:8,24).

Zo kunnen we Paulus in 1 Korinthe 13 de nadruk zien leggen op hun behoefte aan alle drie, in het bijzonder de liefde.

De gemeente te Galatië was een andere bittere teleurstelling voor Paulus. Hun weggaan van de genade Gods, zo snel nadat zij zich daarin hadden verheugd, had hem versteld en bedroefd (Galaten 1:6-10). Bij de Galaten ging het voornamelijk om geloof, maar dit betrof ook hun hoop, want hij vraagt hen: “Welke was dan uw gelukachting”? (Galaten 4:15) en ook hun liefde, want hij zegt: “Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit; Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Maar indien gij elkander bijt en vereet…” (Galaten 5:14,15).

Paulus waarschuwt hen dat onderwerping aan de besnijdenis inhoudt dat Christus hen van “geen nut is”, en dat Christus hen ijdel geworden is; en dat dit hen verplichtte zich aan de gehele wet te houden. Dan brengt de apostel de drie uitingen van genade weer samen als hij zegt:

“Want wij verwachten door den Geest, uit het GELOOF, de HOOP der rechtvaardigheid…door de LIEFDE  werkende”. ( Galaten 5:5,6)

De brief aan de Efeziërs was ongetwijfeld een zendbrief die aan verscheidene gemeenten gezonden werd, waaronder die van Efeze. Hij had over hen betere dingen te zeggen:

“Daarom ook ik, gehoord hebbende het GELOOF in den Heere Jezus, dat onder u is, en de LIEFDE tot al de heiligen, houd niet op voor u te danken…”(Efeze 1:15,16).

Wat hun HOOP betreft, herinnert hij hen eraan dat zij toen zij gelovig werden, zijn  verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid”. (Efeze 1:13,14). Maar hij wilde hen nu in een grotere en wonderbaarlijker hoop bevestigen, en bidt:

“Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke is de HOOP VAN ZIJN ROEPING,”(Efeze 1:17,18). Hier wordt uiteraard verwezen naar onze roeping tot de tegenwoordige positie en tegenwoordige zegeningen in de hemelse gewesten.

Over deze heerlijke roeping schrijft Paulus aan Timotheüs:

“Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór de tijden der eeuwen;” (2 Timotheüs 1:9).

Elke gelovige behoort te weten en te ervaren “welke hoop Zijn roeping wekt” of zoals Wymouth het zegt: “de hoop die Zijn roeping u ingeeft”.

De gemeente te Filippi werd bedreigd met scheuringen naar aanleiding van een persoonlijk misverstand dat Paulus snel behandelde, maar in het geheel waren zij een voortreffelijke groep. Dat zij een bijzondere plaats innamen in de genegenheid van Paulus is duidelijk uit de eerste woorden van zijn brief aan hen:

“Ik dank mijn God, zo dikwijls als ik uwer gedenk (Allen tijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende) (Filippenzen 1:3,4).

De standvastigheid van hun geloof werd bewezen door hun gemeenschap met hem in het evangelie. “…van de eerste dag af tot nu toe”(vers 5). Hun hoop was ook sterk, want zij hadden zelfs met hem geleden (vers 7,29,30). Bovendien was hij er van overtuigd dat God, die dit “goed werk” in hun is begonnen het ook zal voltooien (vers 6). Wat hun liefde betreft: dit had tot op zekere hoogte een ongunstige invloed op het misverstand dat ontstaan was (4:2,3). Maar hij tracht hen weer stevig samen te binden, als hij hen “allen” toespreekt (1:1), hen verzekert van zijn gebeden en blijdschap voor hen “allen” (vers 4) en zijn vertrouwen in “allen” (vers 7), en zijn verlangen naar “allen” (vers 8) . En ondanks dat hij niet precies die

woorden gebruikt, groepeert hij weer geloof, hoop en liefde samen in zijn slotvermaning:

“…staat alzo in den Heere”(4:1)

Dat is GELOOF

 “…dat zij eensgezind zijn den Heere… (4:2)

 Dat is LIEFDE.

 “Verblijd u in den Heere allen tijd…(4:4)

Dat is HOOP.

 De Kolossenzen hadden ook hun moeilijkheden, namelijk het binnensluipen van ketterij, doch zij stonden op een hoog geestelijk niveau. Daarom schrijft de apostel van zijn dankbaarheid en gebeden voor hen.

 “Alzo wij van uw GELOOF in Christus Jezus gehoord hebben, en van de LIEFDE, die gij hebt tot alle heiligen. Om de HOOP, die u weggelegd is in de hemelen…(1:4-5).

 Hij kon aan hen ook schrijven over de diepere, glorierijke waarheden die verbonden zijn aan “het geheimenis”, zodat we in de brief aan de Kolossenzen zelfs weer meegenomen worden naar de hoogten van geestelijke waarheid.

 De gemeente van de Thessalonicenzen staat allang bekend als een “modelgemeente” en in de brieven die Paulus aan hen schrijft (waarschijnlijk zijn allereerste brieven) vinden wij geloof, hoop en liefde heel opvallend gegroepeerd. In hun geval wordt in het bijzonder hoop het laatst genoemd, wat overeenstemt met het feit dat deze brieven voornamelijk te maken hebben met “de zalige hoop”, waarover zij onderricht nodig hadden.

 In de eerste woorden van zijn eerste brief aan hen herinnert de apostel hen aan het “werk uws GELOOFS, en den arbeid der LIEFDE, en de verdraagzaamheid der HOOP”. (1 Thes. 1:3). Vervolgens herinnert hij hen “hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden”, daar is GELOOF “om den levenden en waarachtigen God te dienen”, daar is LIEFDE,  “en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten”, daar is HOOP ( 1:9,10). Het gehele eerste hoofdstuk is inderdaad in drieën verdeeld, de eerste helft heeft voornamelijk met hun GELOOF te maken (vers 1-5), het tweede deel met hun LIEFDE (vers 6-8) en het derde deel met hun HOOP (vers 9-10).

 Zelfs in het licht hiervan spoort de apostel hen aan: “…aangedaan hebbende het borstwapen des GELOOFS en der LIEFDE, en tot een helm, de HOOP der zaligheid”. (5:8).

 Aan het begin van de tweede brief kunnen we verheugd lezen hoe ze gegroeid waren nadat hij hen voor het laatst geschreven had. De apostel zegt:

“…uw GELOOF zeer wast…”.

“…en dat de LIEFDE van een iegelijk van u allen jegens elkander overvloedig wordt…”

“Alzo dat wij zelven van u roemen in de gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en GELOOF in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt;..

(2 Thessalonicenzen 1:3,4).

 Dat deze uitingen van genade toch overvloedig mogen zijn in ons, de leden van het lichaam van Christus. De individuele gelovige in wie deze deugden overvloedig zijn, heeft alles wat hij nodig heeft en alles wat God van hem verwacht. Al het andere is met deze drie verbonden. Eveneens is de kerk in welke ze overvloedig zijn, een complete kerk, of die nu uit vijfentwintig of vijfentwintighonderd leden bestaat.

Offeranden, besnijdenis en de wet zijn voorbijgegaan, de gaven hebben afgedaan, maar deze uitingen van genade blijven als een blijvende drieëenheid en zullen voor eeuwig blijven bestaan.

Een bekend lied luidt als volgt:

Geloof zal verdwijnen in zien.

Hoop zal ledig worden in verrukking.

Liefde in de hemel zal helderder schijnen.

Daarom geef ons liefde.

Maar dit is niet helemaal waar. Terwijl veel dingen die wij nu geloven dan gezien en geweten worden, volgt daar nog niet uit dat ons geloof dan zal ophouden. Integendeel het zal dan volmaakt zijn. Gelijkerwijs zullen de dingen waar we nu op hopen dan gerealiseerd zijn, maar daar volgt niet uit dat hoop of verwachting dan zal stoppen, want het toekomstig leven zal voortschrijdend zijn met betrekking tot de heerlijkheden die het ontvouwt. Liefde, de kronende genade van iedereen zal, natuurlijk, ook in de hemel volmaakt zijn.

Wat een vooruitzicht voor ons!

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011