De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

                
15-01-2012

DE KENNIS VAN HET GEHEIMENIS

EN HET EFFECT DAARVAN OP ONS LEVEN

Door C.R. Stam

"Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; Aan wie God heeft willen bekend maken welke de rijkdom der heerlijkheid van deze verborgenheid is onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid. Hem verkondigen wij, vermanende een ieder mens, en lerende een ieder mens in alle wijsheid, opdat wij een ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus Jezus;" (Kolossensen 1:26-28).

 Het zou voor eenieder die de brieven van Paulus heeft gelezen, duidelijk moeten zijn, dat de boodschap die hij heeft verkondigd, de openbaring van een geheimenis was, welke "verborgen in God" was tijdens de voorgaande bedelingen. Zijn boodschap was geen vervulling van het profetische programma, maar juist een onderbreking daarvan. Als het volk Israël op de Pinksterdag Jezus als de Messias geaccepteerd zou hebben, en daarmee een zegen kanaal voor de volken geworden zou zijn, dan zou eenieder getuige zijn geworden, van de vervulling van het profetische woord onder de heidenen. Maar de tegenwoordige zegening van de heidenen door genade, is het gevolg van de val van Israël. Het hierboven aangehaalde Schriftgedeelte verklaart dat God aan Zijn heiligen "de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen" wilde bekendmaken. Mag God de dag bespoedigen, waarin mensen in grote getale tot de kennis en zegening van deze geweldige waarheid mogen komen!

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS OP LICHAMELIJK GEBIED

"...op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden." (Markus 16:18). "...En het gebed des geloofs zal de zieke behouden," (Jakobus 5:15).

"...op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden." (Markus 16:18). "...En het gebed des geloofs zal de zieke behouden," (Jakobus 5:15).

Velen maken tegenwoordig aanspraak op deze beloften. Oppervlakkig gezien lijkt het of tenminste enige van deze "genezingen" echt zijn. Maar toch zijn er veel onder degenen die "genezen" zijn die zichzelf moeten blijven overtuigen dat ze inderdaad genezen zijn. Intussen blijft het sterftecijfer onder die kerkleden hetzelfde.

De kennis van het geheimenis geeft ons ook inzicht in dit onderwerp en behoedt ons voor de onvermijdelijke ontgoocheling, die het gevolg is van het aanspraak maken op beloften, die niet voor ons bedoeld zijn.

Markus 16:18, het vers wat we hierboven aangehaald hebben, is een deel van de grote opdracht die onze Here aan Zijn elf apostelen gegeven heeft. Als het Koninkrijk wat zij prediken geaccepteerd zou zijn, dan zouden al degenen die genezen waren, verder leven in volmaakte gezondheid. Maar het Koninkrijk werd niet geaccepteerd. Daarom onderbrak God het profetische programma, en koos Paulus, een andere apostel uit, om verzoening te bieden aan Zijn vijanden, uit genade door geloof. In verband met deze onderbreking van het profetische programma, en de daarbij horende genezingen, maakt onze apostel iets bekend, wat we allemaal behoren te overdenken: "Want wij weten, dat het ganse schepsel tesamen zucht, en tesamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wij zelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam." (Romeinen 8:22-23).

De belofte in Jakobus 5:15 "en het gebed des geloofs zal de zieke behouden" geldt zeker niet voor ons, want het werd geschreven door Jakobus, en niet door Paulus, en was gericht aan "de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn" (Jakobus 1:1).

Deze belofte is ook zeker niet van toepassing op de Israëlieten van vandaag met al hun ongeloof, en de brief is duidelijk, niet geschreven aan de heidenen of het lichaam van Christus.

Maar Paulus "de apostel der heidenen" (Romeinen 11:13) en "de dienaar van het lichaam" (Kolossensen 1:24-25) maakt onomstotelijk duidelijk dat God in de tegenwoordige bedeling weliswaar vaak de zieke voor een tijd spaart, in antwoord op gebed, maar dat toch "de uitwendige mens verdorven wordt" (II Korinthe 4:16) en wij "die in deze tabernakel zijn, zuchten" (II Korinthe 5:4). Ja, met het oog op de slechtheid van "deze tegenwoordige boze wereld" (Galaten 1:4) en de daarmee samenhangende openbaring van Gods overvloedige genade (Romeinen 5:20), is het voor onze bestwil dat we lichamelijk "belast" worden.

Aan Paulus zelf werd "een scherpe doorn in het vlees gegeven" opdat hij "zich niet zou verheffen door de uitnemendheid der openbaringen" en daardoor zijn loon en bruikbaarheid zou verliezen (II Korinthe 12:7). Driemaal bad hij tot de Here of Deze de scherpe doorn weg wilde nemen (vers 8). Maar het antwoord was:"Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht." (II Korinthe 12:9).

Hoe waar blijkt dit ook te zijn in ons dagelijks leven! Door onze zwakheden leunen we meer op God en bidden we vaker. Zij dienen om ons nederiger te maken, en in nauwer contact met Hem te brengen, waar "volheid van vreugde" is. In de huidige omstandigheden brengt overwinning tijdens ziekte meestal een veel grotere zegen, dan verlossing van ziekte. Zelden kan ons een "goede gezondheid" toevertrouwd worden, zo snel zijn we dan geneigd om Hem die ons liefheeft te vergeten. Dat onze lezers dit mogen zien, en mogen wij in staat zijn om met heel ons hart te zeggen wat de apostel Paulus in dit verband heeft gezegd: "Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig." (II Korinthe 12:9-10).

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS OP MATERIEEL GEBIED

De kennis van het geheimenis heeft ook een groot effect op het beheer van onze materiële eigendommen, zowel groot als klein.

Hoe moeten Gods kinderen anders de opdrachten uitleggen die onmogelijk zijn om uit te voeren?

Tijdens Zijn aardse bediening zei de Here tot een toekomstige volgeling: "Eén ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij." (Markus 10:21).

Al twaalf mannen hadden alles verlaten wat ze hadden om Hem te volgen (Mattheüs 19:27, Mattheüs 4:18-22, Lukas 5:27,28 enz.). Later werden ze als Zijn apostelen uitgezonden met de volgende opdrachten: "Verkrijg u noch goud, noch zilver, noch kopergeld in uw gordels;" (Mattheüs 10:9).

En tot de "kleine schare", volgelingen van Hem, zei Hij: "Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen, u het Koninkrijk te geven. Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes." (Lukas 12:32,33).

In de Zaligsprekingen zei Hij: "Geeft hem, die iets van u bidt, en keert u niet af van hem, die van u lenen wil." (Mattheüs 5:42)

Uit deze en andere verzen blijkt duidelijk dat, van degenen die onze Here wilden volgen, werd verwacht, dat zij al hun aardse bezittingen zouden opgeven. Geldt dit nog steeds? Degenen die tot de kennis van de afgescheiden bediening van Paulus voor de tegenwoordige bedeling gekomen zijn, weten dat dat niet meer zo is, want onze door God aangestelde en geïnspireerde apostel zegt:"Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige." (I Timotheüs 5:8)

Maar hoe zit het dan met hen die Paulus niet erkennen als de apostel voor de tegenwoordige bedeling, noch het geheimenis begrijpen welke hij verkondigde; die veronderstellen dat zijn bediening alleen een vervolg was van hetgeen de twaalf al verkondigd hadden; hoe ontwijken zij deze duidelijke opdrachten van onze Here?

Sommigen van hen herinneren ons eraan dat, de Here met het oog op Israëls verwerping van Hem als Koning, net voor het kruis de vereisten om in te gaan in het Koninkrijk heeft ingetrokken. (Lukas 22:35-38). Maar dan herinneren wij hen aan het feit dat de Here aan het kruis bad voor vergeving van Zijn vijanden, en dat van die tijd ,af Zijn volgelingen met nog grotere ijver het programma hervatten. Op de Pinksterdag, na de "grote opdracht" en de uitstorting van de Heilige Geest, lezen we dat "En ALLEN, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden ze aan allen, naar dat elk van node had." (Handelingen 2:44,45). "...en niemand zeide, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware,...Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had;" (Handelingen 4:32-34).

Diegenen die geloven dat de Zaligsprekingen en de aardse opdrachten van onze Here behoren tot de tegenwoordige bedeling, of die tot ons zeggen: "terug naar Pinksteren", falen zeer in het in praktijk brengen van hun overtuigingen. Zij geven hun bezittingen niet weg tot nut van het algemeen welzijn. In plaats daarvan zwakken zij de duidelijke opdrachten van onze Here af, bijvoorbeeld door te zeggen dat we bereid moet zijn om alles op te geven; dat dit onze houding moet zijn.

Onze houding - zonder enige uiting of bewijs daarvan? De gelovigen op de Pinksterdag gingen heel anders om met de instructies van hun Meester. Zij namen Zijn ernstige slotwoorden van de Zaligsprekingen serieus: "Een ieder dan, die deze Mijn woorden hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; En er is slagregen neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een ieder, die deze Mijn woorden hoort en ze niet doet, die zal bij een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; En de slagregen is neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, en zijn val was groot." (Mattheüs 7:24-27).

Toch kunnen we wel begrijpen waarom de broeders waar naar verwezen werd, niet verkopen wat ze hebben om aan de armen te geven. Zij kunnen dit niet doen, omdat ze anders in financiële moeilijkheden komen en zo hun Here te schande maken. Zelfs in Jeruzalem viel deze orde in duigen toen Israël het aanbod van het Koninkrijk verwierp, en daarmee aan de zijkant werd gezet. Tevens konden de gelovigen daar alleen deze dingen zo in praktijk brengen, omdat zij allemaal door de Heilige Geest op een bovennatuurlijke wijze beïnvloed werden (Handelingen 2:4).

Hoe geruststellend is het dan om te weten, dat zulke opdrachten niet gegeven worden aan ons in deze "tegenwoordige boze wereld", en dat de instrukties die wel aan ons gegeven zijn, zo volmaakt passen in de omstandigheden waarin we leven. Wij behoren te zorgen voor "de onzen" en "voornamelijk voor onze huisgenoten" (I Timotheüs 5:8). Maar tegelijkertijd worden we gewaarschuwd dat "Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad...(I Timotheüs 6:9,10). Zo worden ook zij "die rijk zijn in deze tegenwoordige wereld" vermaand "dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten; Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;" (I Timotheüs 6: 17-18).

In de brieven van Paulus wordt niemand opgedragen al zijn eigendommen te verkopen en de opbrengsten te verdelen onder de broederen. Maar wel worden we herinnerd aan het feit, dat we overvloedig behoren te zijn in het geven (II Korinthe 8:3-7), om de oprechtheid van onze liefde te beproeven (vers 8), wetende "de genade van onze Here Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden." (vers 9). We worden geinstrueerd om systematisch te geven (I Korinthe 16:1,2) naar welvaren (vers 2), met vreugde (II korinthe 9:7), in gedachten houdende dat "het zaliger is te geven dan te ontvangen" (Handelingen 20:35), en dat "die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien." (II korinthe 9:6).

Het belangrijkste is wel, dat wij onszelf éérst aan de Here behoren te geven en aan Zijn werken (II korinthe 8:5), wetende dat alles wat we hebben, ons gegeven is door God, (I Korinthe 4:7). Dat we niet van onszelf zijn, maar dat we duur gekocht zijn, en met wat voor een prijs! (I Korinthe 6:19-20). Wat zou het werk van God snel vooruitgang boeken als deze dingen herinnerd,én gehoorzaamd zouden worden!

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS OP GEESTELIJK GEBIED

Hoewel de kennis van het geheimenis zoals geopenbaard door Paulus een groot praktisch effect heeft op onze levens, zowel wat lichamelijke als materiële aangelegenheden aangaat, het grootste effect heeft het toch wel op geestelijk gebied.

HOE HET ONZE STUDIE VAN DE BIJBEL BEÏNVLOEDT

De kennis van het geheimenis ontrafelt de wirwar van problemen die de theologen ons nagelaten hebben met betrekking tot Gods boodschap voor vandaag! Schriftgedeelten en leringen aangaande andere bedelingen komen op hun juiste plaats, wanneer ze beschouwd worden in het licht van dit geheimenis! Het is dé oplossing voor zoveel problemen, en dé sleutel voor zoveel deuren!

Na de opstanding van onze Here verscheen Hij aan Zijn apostelen en "opende hun verstand opdat zij de schriften verstonden", d.w.z. de Oud-Testamentische schriften, want dat was alles wat ze hadden op dat moment. Deze verklaring in Lukas 24:45 houdt niet in dat de apostelen nu ieder detail begrepen, en niets meer hoefden te leren, want onze Here bleef hen nog 40 dagen lang onderwijzen. Het houdt veeleer in dat zij nu het profetische plan begrepen en zo de sleutel in handen hadden gekregen om de dingen die rondom hen gebeurden te begrijpen. Zo is het ook met het geheimenis wat aan Paulus geopenbaard is door de verrezen Heer. Als we dit begrijpen, betekent het nog niet dat we elk detail van de Schrift zullen beheersen, of zelfs alle verzen zullen begrijpen die met de tegenwoordige bedeling te maken hebben. Het houdt veeleer een begrip in, van het lang verborgen gehouden plan van God, met betrekking tot zijn omgang met de mensen van alle tijden, maar vooral met degenen van "deze tegenwoordige boze wereld".

Er is eigenlijk maar één alternatief, naast het begrijpen en erkennen van de waarheid van het geheimenis om de Schrift uit te leggen: dat is het zogenaamde "vergeestelijken van de Oud-Testamentische profetieën en beloften. De hele "vergeestelijkings theorie" kwam tot stand vanwege het niet herkennen van "het geheimenis", zoals verkondigd door Paulus. Theologen zagen dat Oud-Testamentische profetiëen over Christus en Israël in vervulling begonnen te gaan in het Nieuwe Testament. Precies zoals was voorspeld, werd de Here geboren uit een maagd, in Bethlehem, groeide op in Nazareth en trok later rond om het evangelie te prediken en "goede werken" te doen. Maar ondanks dit alles en ondanks het feit dat Hij zowel in lichamelijk als wettelijk opzicht van David's koninklijke lijn afstamde, werd Hij gehaat, in een val gelokt en tot de dood veroordeeld. Hij werd gekruisigd en begraven, stond op uit de doden, voer ten hemel en zond de Heilige Geest, alles was een letterlijke vervulling van Oud-Testamentische profetie.

Maar vanaf dit punt schijnt de verdere letterlijke vervulling van profetie, zoals Christus' terugkomst naar de aarde om te regeren als Koning op de troon van David over het huis van Jakob in het land Kanaän, op te houden. Zodoende kwamen de theologen tot de conclusie dat de Heilige Geest iets anders zou bedoelen met wat Hij gezegd had in de latere profetieën. Zij concludeerden dat Hij met de "troon van David" de troon bedoelde, welke de Here nu innam aan de rechterhand van de Vader. Dat Kanaän de hemel betekende, dat de huidige gemeente "geestelijk Israël" is, en dat de voorspellingen over Zijn verhoging als Koning van Israël eigenlijk verwijzen naar Zijn tegenwoordige positie als Hoofd van de Gemeente.

DE GROOTSTE DWAALLEER

Maar zo'n willekeurige verandering van het duidelijke Woord van God, om het aan te kunnen passen aan een vooropgezet plan, mag nooit "vergeestelijking van de Schrift" genoemd worden. Er is niets geestelijks aan het feit, dat mensen God niet aan Zijn woord houden, en het is zeker niet geestelijk, maar vleselijk en aanmatigend, om het geschreven Woord van God te veranderen in iets wat God niet gezegd heeft.

Eigenlijk is de zogenaamde "vergeestelijking" van de Schrift de grootste dwaalleer. Het kwade van dit interpretatiesysteem schuilt in de volgende feiten:

1. Het levert ons over aan de theologen.

Als Oud-Testamentische profetieën niet bedoelen wat ze op duidelijke wijze lijken te zeggen, wie heeft dan de autoriteit om te beslissen wat ze wél bedoelen? Als een willekeurige theoloog "het land Kanaän", "de troon van David" en "het huis van Jakob" allemaal iets anders kan laten betekenen, en inderdaad dit is, wat theologen gedaan hebben, hoe kunnen we dan zeker zijn van een leer, hoe belangrijk dan ook? Hoe kunnen we er zeker van zijn dat Romeinen 4:5 en Efeze 2:8,9 niet op dezelfde "geestelijke" manier veranderd worden? Dan is behoudenis misschien uiteindelijk niet uit genade. Misschien juist wel uit werken. Misschien betekenen deze verzen ook werkelijk wat anders. En net zoals wij worden verondersteld geestelijk Israël te zijn, wie weet of een willekeurige andere groep niet geestelijk "ons" kan zijn!

Dus door de zogenaamde "vergeestelijking" van de Schrift, kunnen theologen van morgen verdraaien, wat theologen van vandaag overeengekomen zijn. En het zal ons dan ook niets opleveren, als we ons naar de Schrift keren voor verlichting, want de Schrift zou dan niet bedoelen wat er staat, en alléén getrainde theologen zouden dan de Schrift voor ons kunnen interpreteren.

2. Het beinvloedt de geloofwaardigheid van God.

Het is een aanval op Zijn eer. Neem bijvoorbeeld het verbond met Abraham. Het is zonder meer normaal dat, degene aan wie de belofte gedaan is, ook begrijpt wat de belofte inhoudt, of tenminste dat, de belofte hem niet zal misleiden zodat hij iets anders verwacht, want hij heeft het recht precies te vereisen, wat hem ook beloofd is.

Mozes maakte aanspraak op de belofte die God aan Abraham, Izak en Jakob gegeven had met betrekking tot het zaad. In Deuteronomium 1:8 lezen we dat Mozes tegen Israël zegt:"...gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de Heere aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou."

Maar als dit vers niet op zijn waarde geschat kan worden, als God niet bedoelde wat Hij zei, als Hij het zaad van Abraham iets liet verwachten wat Hij niet van plan was om te geven, was Hij dan wel eerlijk? Hoe kunnen we dan nog vertrouwen op Zijn beloften?

Petrus schrijft aan de gelovigen in de verstrooiing: "En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt,.." (II Petrus 1:19).

Maar geen enkele profetie is zeer vast als er iets anders mee bedoeld wordt dan wat er staat. Ja, zo'n gegeven is niets anders dan opzettelijke misleiding. Dus, terwijl aan de éne kant de willekeurige verandering door de mens van het duidelijke woord van God "vergeestelijking" van de Schrift genoemd wordt, wordt aan de ándere kant twijfel aan Gods integriteit veroorzaakt. Hierop kan maar één antwoord gegeven worden: "Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig;" (Romeinen 3:3-4).

3. Het steunt afvalligheid:

Wanneer bijvoorbeeld Lukas 1:32-33 wordt "vergeestelijkt" zegt de liberale gelovige: "Goed zo! De troon van David en het huis van Jakob moeten op een geestelijke manier beschouwd worden en zo ook de context. Christus is niet echt uit een maagd geboren. Deze beschrijving is alleen gegeven, om ons te imponeren met de reinheid van Zijn karakter."

En op dezelfde manier ontkent de liberale gelovige de opstanding. Overeenstemmend met de "vergeestelijker" dat Christus niet echt de troon van David zal innemen gaat hij verder met het argument: noch stond Hij echt op uit de doden! De verzen waar dat wel staat moeten anders uitgelegd worden.

En dan komen ons de leden van verschillende sekten in gedachten die zeggen, dat zij deel uitmaken van de 144.000 Israëlieten uit het boek Openbaringen. Vraag één van hen tot welke stam hij behoort en hij zal uitleggen, dat daar niet naar lichamelijke, maar naar geestelijke Israëlieten verwezen wordt!

En Rome volgt dezelfde gedachtengang. Zij probeert het Koninkrijk van Christus op aarde te bevestigen. Op het eerste gezicht lijkt het, of ze meer steunt op een letterlijke dan op een "geestelijke" uitleg van de profetie, maar dat is niet zo, want Christus zit nu niet op David's letterlijke troon, noch is de kerk van Rome letterlijk Israël. Dwaalleringen, de één na de ander, zijn opgekomen en hebben grote vooruitgang geboekt, niet door een ontkenning, maar door verdraaiing van het geschreven Woord van God, door er niet in te slagen zich aan Zijn Woord te houden, en het te veranderen, zodat het klopte met menselijke theorieën.

HET ENIGE ALTERNATIEF

Maar waarom hebben oprechte, goddelijke theologen, door de eeuwen heen, het eenvoudige Woord van God veranderd m.b.t. de Koninkrijksregering van Christus? Was het hun bedoeling om de Schrift te verdraaien? Dat geloven we niet. Hun oplossing was het enige alternatief naast een herkenning van "het geheimenis...van de tijden der eeuwen verzwegen" maar bekendgemaakt in de brieven van Paulus.

Als deze mensen geluisterd hadden naar het Woord van de Heilige Geest door Paulus, dan zouden zij het niet nodig gevonden hebben, om de Oud-Testamentische profetieën te veranderen zodat deze zouden overeenstemmen met de huidige bedeling. Zij zouden geleerd hebben dat toen alles, profetisch gezien, klaar was, voor de uitstorting van de toorn van God en Christus' terugkomst naar de aarde, om de natieën te richten en hen "in stukken te slaan" met een "ijzeren roede", toen alles profetisch gezien klaar was, voor Zijn terugkomst om recht te spreken en te regeren, dat God toen het profetisch programma onderbrak met iets wat Hij nooit eerder voorspeld had. Hij redde namelijk Saul van Tarsus, 's werelds leider van de opstand en gebruikte hem, om de "bedeling van genade van God" (Efeze 3:1-3) in te leiden, mét het daarbij behorende "evangelie der genade Gods" (Handelingen 20:24), door welke Joden én heidenen verzoend worden met God in één lichaam (Efeze 2:16), met Christus als hun levende Hoofd (Kolossensen 1:18) en daarmee een positie en vooruitzicht in de hemelen verkrijgen aan de rechterhand van God (Efeze 1:3, 2:6, Kolossensen 3:1-4).

Degenen onder de fundamentele Bijbelvaste gelovigen die de "vergeestelijking" methode afwijzen, maar het geheimenis en Paulus' afgescheiden bediening niet zien of erkennen, zijn in een konstante staat van verslagenheid. Om hun verwarde positie m.b.t. de "grote opdracht" en de waterdoop vast te houden zijn ze gedwongen, om eenvoudige verzen te veranderen op een manier die zij zelf niet "vergeestelijking" zouden durven noemen. (Markus 16:15-18, Handelingen 2:38 enz.) Dus het grote alternatief blijft hetzelfde: houdt God aan Zijn Woord, herkennende dat het profetisch programma onderbroken is (natuurlijk een geplande onderbreking) door de bedeling van genade of verdraai het Woord van God en doe God zo oneer aan. Zoals de "vergeestelijking" van de Schrift de grootste dwaalleer is, zo is "het geheimenis" zoals geopenbaard door Paulus, het antwoord op elke dwaalleer en de uitleg van Gods plannen en bedoelingen die Bijbelstudie zo verheugend kunnen doen zijn.

Toen in de dagen van Luther de waarheid van de rechtvaardiging uit genade door geloof alleen, werd herontdekt, riepen degenen die het ontvingen uit: "Wat verduidelijkt dit de Schrift!" Later, in de tijd van John Darby en anderen, toen de waarheid van de spoedige wederkomst van de Here herontdekt werd riepen degenen die het ontvingen uit: "Wat verduidelijkt dit de Schrift!" En vandaag, nu de waarheid van het geheimenis herontdekt is, roepen degenen die het ontvangen eveneens uit en zelfs met meer reden dan ooit: "Wat verduidelijkt dit de Schrift!"

Nooit tevoren is Bijbelstudie zo verheugend geweest voor degenen die verder willen gaan met de waarheid. Nooit tevoren was het zo'n uitdaging. Oh, als Gods kinderen maar een vaste wil hadden om Gods Woord te kennen en het bekend te maken! Als zij dát hadden, dan zouden zij ontdekken dat het geheimenis, geopenbaard door Paulus, hét antwoord in onze tijd is. Maar de onwetendheid over de Bijbel onder Christenen, en zelfs onder christelijke leiders, ja hun onverschilligheid t.o.v. het Woord, is verschrikkelijk. Laten wij hopen dat God nog een echte geestelijke opwekking aan ons verleent, een hernieuwde interesse voor wat Hij gezegd heeft, een hernieuwde wens om Zijn Woord te begrijpen en uit te dragen, voordat de gouden kans ons ontglipt is.

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS OP ONS GEBEDSLEVEN

Waarom maken oprechte gelovigen aanspraak op verzen als Mattheüs 21:22, Mattheüs 18:19 en Jakobus 5:15 met hun onverdeelde beloften van verhoord gebed? Als je het hen vraagt, zullen ze allen antwoorden: "omdat het in de Bijbel staat". Ze zien niet in, dat ze daardoor in gebreke blijven het Woord der waarheid recht te snijden, dat al deze verzen in het licht van het profetische plan zijn uitgesteld omdat Israël Christus verwierp, en dat we nú leven onder de bedeling van genade.

Met alle oprechtheid zullen zij toe moeten geven, dat zelfs het gebed des geloofs tegenwoordig niet altijd bevestigend beantwoord wordt, dat een afspraak tussen twee gelovigen op aarde niet automatisch een garantie is, voor alles wat ze zullen vragen, dat het gebed des geloofs niet altijd de zieke behoudt. Integendeel, tot op deze dag sterft de ene na de andere mens, zelden leeft men langer dan 100 jaar, een leeftijd die als jeugdig beschouwd zal worden tijdens de heerschappij van Christus. (Jesaja 65:20)

Voor allen, behalve de lichtgelovigen, zal het onvermijdelijke resultaat van dit aanspraak maken op zulke beloften teleurstelling en een geschokt geloof zijn,* (Zie voor verdere uitleg het boekje "Onverhoord Gebed" van D. Avnon).

Wat verandert dit alles als men tot de kennis van het geheimenis komt. De leringen van de brieven van Paulus slaan precies op de situatie waarin wij ons tegenwoordig bevinden.

Als we deze brieven bestuderen, dan danken we God dat Hij ons niet alles verleent wat we vragen, zelfs uit geloof, en laten het leiden van ons leven, met blijdschap over aan Hem.

In het donker van "deze tegenwoordige slechte wereld" herkennen we Romeinen 8:26, dat "wij niet weten wat wij bidden zullen gelijk het behoort". We erkennen Romeinen 8:28, dat "degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede". We brengen Filippensen 4:6 in praktijk, door "in geen ding bezorgd te zijn" en "al onze begeerten in alles door bidden en smeken met dankzegging bekend te laten worden bij God". En we ervaren Filippensen 4:7, "de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, die onze harten en onze zinnen bewaart in Christus Jezus."

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS OP ONS GEDRAG

Zoals we al eerder hebben gezegd, is het "geheimenis" niet alleen een geheim wat verborgen was voor degenen die voor Paulus leefden. Het is tevens het geheim van Gods goede nieuws en van Zijn omgang met de mensen van alle tijden.

Door de openbaring van het geheimenis weten we van Christus' identificatie met ons en onze identificatie met Hem. Hoe Hij eigenlijk één met ons werd en onze dood stierf, zodat wij één met Hem kunnen worden, en zo kunnen delen in Zijn leven. We kunnen dus met Paulus zeggen: "Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft." (Galaten 2:20)

Wat is het een zegening om te leven in de wetenschap, dat we dóór de Geest gedoopt zijn in de dood, begrafenis en opstanding van Christus; dat we inderdaad de "oude mens" als dood kunnen beschouwen, en hem kunnen vergeten, dat God ons al als in de hemel beschouwt, (Romeinen 6, Efeze 2). Deze kennis behoort ons gedrag te beïnvloeden en ons te motiveren om voor God te leven uit pure dankbaarheid.

Gelovigen die leefden onder de wet hadden ook veel om dankbaar voor te zijn; maar vergelijk hun situatie eens met de onze. Zij konden het verleden niet vergeten, of hun oude natuur als dood en begraven beschouwen. In hun offersysteem was de grote verzoendag de dag waarop "alle jaar weder gedachtenis der zonden" (Hebreeën 10:3) plaatsvond. Op deze dag mocht men niet werken, maar moest de tijd besteed worden aan het bedroeven van hun zielen met de zonden die ze begaan hadden, terwijl de Hogepriester een offer bracht ter verzoening, en "al de ongerechtigheden der kinderen Israëls en, al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden, en hij zal die op het hoofd van de (zonde) bok leggen," (Leviticus 16:9-,21,29-31). Maar het is duidelijk dat al deze offers "nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. Anderszins zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden," (Hebreeën 10:1,2).

Maar wij die nu leven, hoeven ons helemaal niet over te geven aan zelfbeschouwing. In de wetenschap dat voor al onze zonden, van de wieg tot het graf al betaald is, mogen en behoren we "te vergeten hetgeen dat achter is" en "te jagen naar het wit (doel) tot de prijs der roeping Gods," (Filippensen 3:13,14).

Dit zal of zou aan ons gedrag een bepaalde "grootte" moeten verlenen. Want alles is gebaseerd op genade en dankbaarheid. Er is geen plaats voor zelfbeschouwing of met zichzelf bezig zijn. Daarom zegt de apostel Paulus ook: "Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst." (Romeinen 12:1) "Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Here, dat gij wandelt waardig de roeping, met welke gij geroepen zijt;" (Efeze 4:1)

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS OP ONZE GETUIGENIS

Als we tot de kennis van het geheimenis en van Gods plan voor de huidige bedeling komen dan hebben we niet langer meer tot doel het bevestigen van het Koninkrijk van Christus op deze aarde, waarin bekering en waterdoop zo'n grote plaats innamen. We weten dat dit alleen zal plaatsvinden als Christus terugkomt. We prediken de wet niet meer, want "nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet". (Romeinen 3:21)

Ook proberen we niet meer de wereld te redden. We weten dat de wereld overgegeven is aan het oordeel, maar dat God een periode van genade heeft gegeven waarin individuele Joden en heidenen met God verzoend kunnen worden tot één lichaam, uit genade door geloof, op basis van het volbrachte werk van Christus.

Trachtende om niet het wrak te redden maar de mensen die op het wrak in gevaar verkeren, voeren we onze "grote opdracht" uit door mensen, in Christus' plaats te verzoeken zich met God te verzoenen. Want God heeft Christus tot zonde gemaakt voor ons, opdat wij rechtvaardigheid Gods in Hem zouden worden. (II Korinthe 5:18-21)

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS

OP ONZE OMGANG MET GELOVIGEN

De kennis van het geheimenis heeft ook invloed op onze omgang met gelovigen, want het leert ons dat "wij allen, door één Geest, tot één lichaam gedoopt zijn" (I Korinthe 12:13), dat ondanks verschillende geloofsovertuigingen er "één lichaam, één Here, één geloof, één doop" is. (Efeze 4:4,5)

Daarom hebben we de vrijheid, ja de wens om met alle kinderen van God omgang te hebben. Veel van onze broeders vragen zich af waarom we hen niet alleen laten, waarom we steeds hun aandacht vragen voor de leerstellingen van het geheimenis, met zijn "één lichaam" en "één doop". De reden hiervoor is dat hoewel zij in het algemeen ons niet beschouwen als één met hen, wij hen wel beschouwen als medeleden van het lichaam van Christus, de enige ware gemeente in deze huidige bedeling.

We kijken uit naar de dag wanneer, door Gods genade alle scheidingsmuren zullen vallen en wij allen van onze eenheid in Christus kunnen genieten. In de tussentijd zoeken we kontakt met diegenen die onze Here in waarheid liefhebben en vertrouwen, wat hun kerkelijke achtergrond ook is.

Maar er bestaat zeker een inniger kontakt tussen diegenen die zijn gekomen of beginnen te komen tot de kennis van het geheimenis, een kontakt dat met geen enkel kontakt op deze aarde te vergelijken is.

Wat werkte, streefde en bad Paulus voor de heiligen "opdat hun harten...samengevoegd zijn in de liefde" als zij de "volle verzekerdheid des verstands" verkregen door de "kennis (Grieks: epignosis) der verborgenheid" (Kolossensen 2:1,2). En inderdaad hoe voegt deze kennis onze harten samen! Geen enkele andere schrijver in de Bijbel heeft zoveel te zeggen over omgang met elkaar en over het kunnen genieten van elkaars gezelschap als Paulus. Degenen die deze meest gezegende relatie hebben leren kennen, verliezen het alleen in de mate waarin ze de leerstellingen van Paulus en de wonderbare waarheden van het geheimenis verlaten.

HET EFFECT VAN HET GEHEIMENIS

OP ONS LIJDEN VOOR CHRISTUS

Zelfs ons lijden voor Christus is geheiligd door een kennis van het geheimenis, hoewel slechts weinigen hier in Nederland echt veel lijden voor Degene Die voor ons gestorven is. Misschien zouden we dit voorrecht meer ervaren, als we getrouwer zouden zijn. In ieder geval moeten we ons de door de Geest geïnspireerde woorden van Paulus herinneren: "Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;" (Filippensen 1:29).

Maar wat heeft ons lijden, veel of weinig, te maken met het geheimenis geopenbaard door Paulus? Paulus schreef aan de gelovigen te Kolosse: "Die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de gemeente;" (Kolossensen 1:24).

De apostel bedoelde hiermee zeker niet dat het verlossingswerk van Christus nog niet voltooid was. Dit gedeelte kan alleen uitgelegd worden door het geheimenis, wat trouwens ook het onderwerp hier is. (zie vers 21-27).

Op het moment dat alles klaar was voor de terugkomst van Christus om te oordelen en te regeren, openbaarde de verworpen Here aan Paulus het geheim van Zijn eeuwige doel en genade. Volgens dit doel, zou de Here nog een periode wegblijven, waarin Hij uit genade verzoening aan zijn vijanden aanbood.

Dus, tot op deze dag is hij een Koninklijke Balling, nog steeds veracht en gelasterd in elke stad. Maar wie draagt nu het lijden van deze voortdurende verwerping? Hij is nu gezegend tot in alle eeuwigheid. Zijn lijden is over. Maar wij, zoals Paulus, staan nu in deze wereld "in Christus' plaats", en dragen Zijn schande, en bieden elk mens genade en vrede aan door Zijn volbrachte werk. Wij vervullen nu wat overgebleven is van Zijn verdrukking als verworpen Zoon van God. Geen wonder dat de apostel zegt dat het ons gegeven is, als een voorrecht, om voor Hem te lijden. Het was natuurlijk ook een voorrecht voor de Messiaanse gelovigen om voor hun verworpen Koning te lijden, en zo beleefden zij dat ook (Handelingen 5:4), maar ons lijden is op een speciale manier, Zijn lijden. De geestelijke gelovige in deze bedeling van genade zal met de apostel Paulus bidden: "Opdat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap van Zijn lijden, Zijn dood gelijkvormig wordende;" (Filippensen 3:10).

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011