|
15-01-2012 DE NIEUWE SCHEPPING
Alle dingen zijn nieuw geworden.
"Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is
voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden." (II Korinthe 5:17)
Inzicht in de waarheid die deze bovenstaande bijbeltekst bevat, is een grote
ondersteuning voor de gelovige, die naar een echt geestelijk leven verlangt.
Wij hebben tot dusver alleen de geboorte en de opstanding beschouwd, i.v.m. de deelname
van de gelovige aan het nieuwe leven door de Geest. Maar de termen geboorte en opstanding,
schieten tekort om de gehele betekenis van het nieuwe leven door de Geest weer te geven.
Een derde, namelijk die van de "schepping", moet er nog aan toegevoegd worden om
de beschrijving te voltooien.
De term "schepping" wordt i.v.m. de nieuwe geboorte en opstanding, meer dan
één keer gebruikt. Maar de term wordt ook i.v.m. de nieuwe hemel en de nieuwe aarde
(Jesaja 65:17) gebruikt, en tevens i.v.m. het bevrijdde Israël in de toekomst. Zij wordt
een nieuwe schepping genoemd (Psalm 102:16-18; Jesaja 65:18). In de Paulinische openbaring
heeft deze term een unieke betekenis, n.l. die van Christus en de leden van Zijn Lichaam.
Het is alleen de apostel Paulus, die door Gods Geest de term "nieuwe schepping"
uitsluitend in dit verband gebruikt.
Het Lichaam van Christus als nieuwe schepping
De betekenis van het bovengenoemde gedeelte in II Korinthe 5:17 is niet alleen dat
individuele gelovigen in Christus een nieuwe schepping geworden zijn (hoewel dat zo is),
maar ook dat zij nu behoren tot een glorieuze nieuwe schepping, die God in Christus tot
stand heeft gebracht.
Het laatste gedeelte van het bovengenoemde vers, leert ons dat met de vorming van de
nieuwe schepping een volkomen "nieuwe orde of programma" werd ingebracht. (Er
wordt vaak gedacht dat dit vers met name spreekt over de oude zondige gewoonten die uit
het leven van de individuele gelovige verdwenen zijn en nu vervangen zijn door een nieuwe
levenswijze (hoe waar dit ook moge of zou moeten zijn).
Dat dit de correcte betekenis van dit gedeelte is, wordt duidelijk uit de algemene
opmerkingen van Paulus over de nieuwe schepping, en uit de contekst in II Korinthe 5. In
het bijzonder wordt dit duidelijk uit het voorgaande vers, dat luidt:
"Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus
naar het vlees gekend hebben, nochthans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees."
(vers 16)
Het hele gedeelte in II Korinthe 5 heeft betrekking op het kennen van Christus van nu
af aan op een nieuwe en andere wijze, niet langer naar het vlees, maar als het Hoofd van
een nieuwe schepping. Ook kennen wij mensen niet langer meer naar het vlees, maar als
behorende tot de oude dan wel de nieuwe schepping in Christus.
De brief aan de Efeziërs heeft veel te zeggen over deze belangrijke waarheid van de
"nieuwe schepping". Nadat de apostel Paulus ons in Efeze 2:11-12 eraan
herinnert, dat wij als heidenen, vervreemd waren van God en van Zijn verbondsvolk, gaat de
apostel verder en zegt:
"Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden
door het bloed van Christus.
"Want Hij is onze vrede, Die deze beiden (Jood en heiden) één gemaakt heeft, en
de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,
"....opdat Hij die twee in Zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede
makende;" (Efeze 2:13-15)
In het derde hoofdstuk van zijn brief aan de Efeziërs maakt de apostel de openbaring
bekend "die in alle eeuwen niet bekend is geweest", dat gelovige heidenen nu
zijn:
"...medeërfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte
in Christus, door het Evangelie," (Efeze 3:6).
Deze "nieuwe schepping", deze "nieuwe mens", deze
"mededeelgenoot", geformeerd uit Joden en heidenen, één gemaakt in Christus,
wordt genoemd: "Zijn Lichaam, de vervulling van Hem, Die alles in allen vervult"
(Efeze 1:23).
De nieuwe schepping, het tegenovergestelde van de oude.
De nieuwe schepping van God in Christus, staat tegenover de schepping van God in Adam
in Genesis 5:2. Vóórdat God de vrouw aan de mens gaf, was zijn naam: "Adam"
(Genesis 2:18-20). Toen bracht God een diepe slaap op de mens, nam een deel uit zijn zijde
en formeerde hieruit de vrouw. Deze vrouw gaf God terug aan de mens opdat zij met hem
"één vlees" zou worden. "en Hij noemde hun naam Mens" (Genesis 5:2).
Op dezelfde wijze werd de Gemeente, die het lichaam van Christus is, door Zijn dood en
opstanding tot stand gebracht. Door Zijn dood en opstandingsleven, net als bij Eva worden
wij één lichaam met Degene Die leven geeft.
"Want gelijk het Lichaam één is, en vele leden heeft,....alzo ook Christus"
(I Korinthe 12:12).
Wij herhalen echter, dat de "nieuwe schepping", of de "nieuwe
mens", het tegenovergestelde is van "de Adam uit Genesis 5:2". Christus
Zelf werd niet zoals Adam geschapen, want wij lezen in I Korinthe 15:45,47:
"Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel;
de laatste Adam....tot een LEVENDMAKENDE GEEST."
"De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de HERE UIT DE
HEMEL."
Het historische begin.
Toen de uiteindelijke val van beiden, Jood en heiden, duidelijk was geworden, heeft God
de beiden als ongehoorzamen beschouwd opdat Hij Zijn ontferming aan allen zou kunnen
betonen (Romeinen 11:32):
"en opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de
vijandschap daaraan gedood hebbende." (Efeze 2:16)
De nieuwe schepping, het Lichaam van Christus, heeft een duidelijk begin in de
menselijke geschiedenis. Het lichaam begon bij de val van Israël (Handelingen 7) en de
bedeling van Gods genade die door Paulus bekend werd gemaakt.
De "oude dingen" die "voorbij zijn gegaan " (II Korinthe 5:17)
waren de voorwaarden en de vereisten van het Oude Verbond.
"Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar
een nieuw schepsel." (Galaten 6:15)
God zegt niet langer: "INDIEN gij Mijn stem waarlijk gehoorzaamt.....DAN zult gij
Mijn eigendom zijn...."(Exodus 19:5).
Maar: "Alle dingen zijn nieuw geworden (vers 17) en in deze nieuwe orde "Zijn
alle dingen van God,* Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus"
* van God te zijn. "Alle dingen", die nodig waren om gered te worden, kwamen
altijd "van God". Maar dit was nog niet als zodanig geopenbaard. Tijdens het
Oude Verbond en verder tot aan Paulus, werd mensen altijd voorgehouden dat zij iets
moesten doen om door God aangenomen te worden. Nu verklaart God, dat Hijzelf in alles
voorzien heeft wat nodig is en biedt redding aan, "aan hem die niet werkt, maar
gelooft in Hem" (Romeinen 4:5).
Voor ons is er geen voortdurend: "Indien". Wij, als leden van het
"lichaam van Christus", zijn er zeker van, dat wij door God geliefd zijn, omdat
wij één gemaakt zijn met Christus, Zijn geliefde Zoon (Efeze 1:6). Onmiddellijk nadat
wij geloofden, hebben wij de positie van "volwassen zonen" ontvangen (Galaten
4:1-7; Efeze 1:5,6)** Onze positie is gebaseerd "op genade, en niet op wet"
(Romeinen 6:14; Galaten 3:23-25; 4:6,7).
** De termen:"aanname tot zonen" en "aanname tot kinderen" (Gr.
Huiothesia) in deze gedeelten, dienen te worden weergegeven met: "geplaatst als
zonen". Het woord "Huiothesia" duidt op de ceremonie waarbij de jongen op
een bepaalde leeftijd, officieel tot "volwassen zoon" (vert. Hebr.: bar mitswa)
verklaard werd.
Gods oorspronkelijke bedoelingen.
De nieuwe schepping is door God al van tevoren voorbestemd. Maar het begin "in de
menselijke geschiedenis" vindt plaats bij de val van Israël en de roeping van de
apostel Paulus onder de nieuwe bedeling van de genade.
Zoals wij al eerder hebben gezien, gaat het bij de aankondiging van de nieuwe geboorte
alleen om een nieuw begin. Maar de leer van onze opstanding met Christus gaat in dit geval
verder. Er wordt wel rekening gehouden met de eerdere niet wedergeboren staat van de
persoon, als ook met het nieuwe leven, dat hij door geloof ontvangt. Want weder-opstanding
veronderstelt een eerder leven en een eerdere dood.
De leer van de nieuwe schepping in Christus, gaat ver terug naar de periode vóór onze
niet wedergeboren staat. Terug tot vóór de schepping van Adam, die de zonde in de wereld
bracht. Verder terug naar de schepping van het oude universum, dat werd geruneerd door de
zonde, tot "het eeuwig doel van God".
God was al vóór de eeuwigheid van plan om, wanneer de zonde van Adams kinderen haar
hoogte bereikt zou hebben, Israël zich in opstand bij de heidenen gevoegd zou hebben; en
beiden zich "gezet hebben tegen God en Zijn Gezalfde", een nieuwe schepping van
"verzoende" Joden en Heidenen te creeëren, samen met Christus, de tweede mens,
de laatste Adam, als Hoofd. Dat dit Gods eeuwige doelstelling was, wordt duidelijk geleerd
in de brieven van Paulus.
De nieuwe schepping en het christelijke leven.
Gods eeuwige doel in de schepping was o.a. dat zondaars, geschapen naar het beeld van
de gevallen Adam, zouden worden geconformeerd naar het beeld van Christus, Gods ****
zondeloze Zoon. Opdat zij goede in plaats van boze werken zouden voortbrengen, en leven
tot glorie van Zijn genade. De volbrenging van dit doel zal uiteraard plaatsvinden,
wanneer dit leven voorbij is (of eventueel wanneer wij opgenomen zijn, en een nieuw
lichaam hebben gekregen). Het wordt wel duidelijk uit de gedeelten, die hierover gaan, dat
God wil dat Zijn kinderen nog in dit leven door het geloof in de vreugde en kracht van
onze eenheid met Christus zullen ingaan. Dit staat duidelijk geschreven in de volgende
schriften:
"Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd HET
BEELD VAN ZIJN ZOON GELIJKVORMIG TE ZIJN..." (Romeinen 8:29)
"Zoals Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging van de wereld,
OPDAT WIJ HEILIG EN ONBERISPELIJK ZOUDEN ZIJN VOOR HEM."
"In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden
aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil" (Efeze 1:4,5 Nieuwe
Vertaling)
"Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke
God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen." (Efeze 2:10)
"Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad
heeft, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven;"
"OPDAT HIJ HAAR HEILIGEN ZOU, HAAR GEREINIGD HEBBENDE MET HET BAD DES WATERS DOOR
HET WOORD.
"OPDAT HIJ HAAR ZICHZELF HEERLIJK ZOU VOORSTELLEN, EEN GEMEENTE DIE GEEN VLEK OF
RIMPEL HEEFT, OF IETS DERGELIJKS, MAAR DAT ZIJ HEILIG ZOU ZIJN EN ONBERISPELIJK."
(Efeze 5:25-27)
"...te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens,
die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding.
"En dat gij zoudt vernieuwd worden in de geest van uw gemoed, en de nieuwe mens
aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid." (Efeze
4:22-24)
"Liegt niet tegen elkander, omdat gij uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken,
En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van
Hem, Die hem geschapen heeft.
"Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, Barbaar en Scyth,
dienstknecht en vrije; maar Christus is alles in allen" (Kolossensen 3:9-11)
Wellicht heeft de lezer al opgemerkt, dat gelovigen de nieuwe mens al hebben
"aangedaan" en in het licht van dit feit worden vermaand om als kinderen des
lichts te wandelen. Door het geloof in Christus hebben wij een positie bij God verkregen
als mensen die Christus al hebben AANGEDAAN. Daarom wil God ook dat onze geestelijke
ervaring als nieuwe mens in dat licht zal zijn.
Het zal u zijn opgevallen, dat in de laatste aangehaalde tekst duidelijk wordt verwezen
naar onze "positie in het lichaam", want de tekst spreekt over: "Waarin is
niet Griek en Jood...etc."
De nieuwe schepping en de Heilige Geest.
Wat zou de kennis van de volgende feiten diegenen, die oprecht verlangen om God
welgevallig te leven, kunnen helpen om hun positie bij God meer te waarderen! Te bedenken:
- dat wij werden uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld!
- dat God ons volledig geaccepteerd heeft in Zijn geliefde Zoon!
- dat Hij ons reeds - en voor eeuwig - verenigd heeft met Christus!
- dat ons één zijn met Christus, ons ook één gemaakt heeft met elkander!
- dat God ons een plaats heeft gegeven in Christus, aan Zijn Rechterhand - een positie
die wij "nu" reeds mogen innemen in het geloof!
Te bedenken: dat God met ons omgaat als met volwassen zonen, op basis van genade in
plaats van wet!
- dat Hij ons heeft gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in
Christus - zegeningen die wij "nu" bezitten door geloof! Wat kan als een groter
prikkel dienen om "de Here waardig" te wandelen, dan de kennis van deze feiten?
Wij menen niet, dat alleen een intellectuele kennis van deze feiten ons enige hulp kan
verlenen om waarlijk geestelijk te leven. Evenmin menen wij niet dat uitsluitend
intellectuele kennis ons zou kunnen redden. Het moet kennis zijn, gebaseerd op geloof in
het Woord van God, gewrocht door de Geest, Die het Woord schreef.
Wij moeten van het begin af aan niet vergeten dat het lichaam van Christus, de nieuwe
schepping, wordt gevormd uit gelovige Joden en Heidenen "door het werk van de
Geest": "Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt;
hetzij Joden, hetzij Grieken,...."( I Korinthe 12:13)
Veelmeer kunnen wij over de glorierijke waarheden over onze positie in Christus
begrijpen en ons erin verheugen, als de Geest onze ogen opent om de Schriften te verstaan.
Daarom bidt de apostel zo ernstig:
"Opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de
Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;
"Namelijk verlichte ogen van uw verstand, opdat gij moogt weten welke de hoop van
Zijn roeping is, en welke de rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis is in de heiligen;
"En welke de uitnemende grootheid van Zijn kracht is aan ons, die
geloven,...." (Efeze 1:17-19)
De apostel spreekt hier nadrukkelijk van "weten" van deze zaken door
"ervaring", niet slechts intellectueel. Wij moeten dus altijd op God zien om
deze waarheden voor ons reëel te maken door Zijn Geest, opdat het weten door geloof, moge
worden het weten door gezegende ervaring.
|
|