|
DE NOODZAAK VAN EEN NIEUWE NATUUR
Door C.R. Stam
Wat de mens in de eerste plaats nodig heeft om waarlijk geestelijk te worden is een
nieuwe natuur, die alleen door Gods Geest te verkrijgen is. Om die reden stelde onze Here
het heel duidelijk toen Hij tot Nicodemus zei:
"Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat
is geest." (Johannes 3:6)
In deze tekst wordt de uitdrukking "vlees" niet zo zeer i.v.m. het fysieke
lichaam gebruikt maar i.v.m. de gevallen Adamsnatuur. Want bij de geboorte worden geest en
ziel, zowel als een lichaam voortgebracht.
Dienovereenkomstig is ook met de geest die geboren is uit de Geest. Er wordt hier niet
over de geest van de mens zelf gesproken. De mens: lichaam, ziel en geest, is geheel
"uit het vlees geboren". Het punt waarom het hier in Johannes 3 gaat is, dat de
mens moet worden geboren of voortgebracht, maar deze keer opnieuw "uit de
Geest", de Geest van God (vers 6-8).
Er is zoveel betrokken bij het deelhebben aan geestelijk leven voor de gelovige -
vooral met betrekking tot de huidige bedeling. God gebruikte drie uitspraken om dit te
bevestigen: "geboorte", "wederoprichting", en "schepping".
Niet één van deze kon het adequaat voortbrengen; alle drie zijn noodzakelijk.
Laat ons beginnen met de elementaire vorm van de nieuwe geboorte.
DE NIEUWE GEBOORTE
" Jezus antwoordde en zei tot
hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het
Koninkrijk Gods niet zien." (Johannes 3:3)
Het verwondert ons niet dat veel mensen die nog niet behouden zijn geen onderscheid
maken tussen de noodzaak tot wedergeboorte en de overtuigende kracht van de Heilige Geest.
Zelfs onder wedergeboren mensen, zijn er echter die vasthouden dat de nieuwe geboorte
alleen op Israël van toepassing is en niet op diegenen die in deze bedeling van genade
leven. Zij baseren deze conclusie op de stelling dat onze Heer sprak tot een Jood over de
Joden m.b.t. de nieuwe geboorte en dat Paulus het onderwerp niet noemt in zijn brieven.
Deze stelling is verkeerd en evenzo de conclusies die eruit getrokken worden.
Allereerst moeten we vaststellen dat onze Heer uitgebreid sprak tot Nicodemus over
"zien" en "ingaan" in het "Koninkrijk Gods". Hij gebruikte
niet de meer bepalende term "Koninkrijk des hemels", wat te maken heeft met de
vestiging van het Koninkrijk van God "op aarde" (zie Daniël 2:44; Matthes
5:3-5; 6:10). Dit omdat Hij verwees naar iets wat meer bevatte dan de ingang in het
duizendjarig Rijk. Dat gelovigen vandaag net zo zeker ingaan in het Koninkrijk Gods als
gelovigen in welke andere tijd of eeuw dan ook, wordt volstrekt duidelijk in de brieven
van Paulus (zie Romeinen 14:17; I Korinthe 4:20; 6:9,10; 15:50; Galaten 5:21; Efeze 5:5;
kolossensen 4:11; I Thessalonicensen 2:12; II Thessalonicensen 1:5).
Er dient ook aandacht gegeven te worden aan de wijze waarop onze Heer sprak,
bijvoorbeeld toen Hij zei dat het noodzakelijk is voor "de mens" om wedergeboren
te worden, om het Koninkrijk Gods in te gaan.
We nemen aan dat toen onze Heer tegen Nicodemus sprak, Hij niet "bedoelde"
dat het alleen voor een "Jood" nodig is om wedergeboren te worden om in het
"Koninkrijk der Hemelen" binnen te gaan.
Wil iemand beweren dat onze Heer alleen de Joden op het oog had, omdat Hij in die tijd
alleen aan Joden het evangelie verkondigde en hier een Jood aansprak? Dan moeten wij
vaststellen, dat de discussie van onze Heer met deze prominente Jood, hier speciaal wordt
weergegeven om te laten zien dat "alle mensen, in alle eeuwen" noodzakelijk
weder -, opnieuw -, geboren moeten worden om het Koninkrijk van God in te gaan.
Een ongelukkige hoofdstukverdeling heeft dit belangrijke feit verduisterd, want de
geschiedenis van Nicodemus in Johannes 3 is slechts een toonbeeld van een belangrijke
verklaring, welke gemaakt wordt aan het slot van hoofdstuk 2. Wij voegen de twee nu
tezamen om het verband aan te tonen.
"En toen Hij (Jezus) te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden
velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.
"Maar Jezus zelf vertrouwde hun Zichzelf niet, omdat Hij hen allen kende, "En
omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van de mens; want ijzelf wist, wat in
de mens was.
"En er was een mens uit de Farizeeën, wiens naam was Nicodemus, een overste der
Joden; "Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem....." (Johannes
2:23-3:2)
Om de noodzaak van wedergeboorte aan te tonen, koos God deze karaktervolle mens, een
overste van de Joden. Nicodemus was leraar van Israël, zeer intellectueel, moreel
hoogstaand, diep religieus, en klaarblijkelijk ernstig in zijn onderzoek betreffende
Christus.
Het moet wel een indrukwekkend gezicht geweest zijn; een eerwaardige Farizeeër, komt
bij een jongeman (naar het scheen) van 30 jaren en spreekt hem met "Rabbi" aan.
Nicodemus erkende Hem al bij het begin als "een leraar die van God is".
En toch was deze één van degenen waaraan de Heer Zichzelf niet toevertrouwde; één
van degenen die vanwege Zijn wonderen in Hem "geloofde". Nicodemus zelf zei het:
"...wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen
doen, die Gij doet, zo God met hem niet is." (Johannes 3:2)
Het geloof in dit feit kan een mens niet redden en zal dit ook nooit doen. De Here
Jezus haalde meteen de grond onder de voeten van Nicodemus weg en gaf het volgende
antwoord op de vraag wat hij - wat ieder mens - nodig heeft en dat is: "nieuw
leven". Zonder rekening te houden met al zijn intellect, moraal en godsdienst moet
hij wederom geboren worden, "uit God".
Laten we nu het argument bespreken dat de uitdrukking "opnieuw geboren
worden" niet in de Paulinische brieven voorkomt.
Ten eerste, dat argumenten van zwijgen zijn dikwijls verraderlijk en, op zichzelf,
bewijzen ze niets. Zelfs wanneer de brieven van Paulus niet verwijzen naar de nieuwe
geboorte, blijft de nieuwe geboorte een fundamentele noodzaak om in het Koninkrijk van God
in te gaan overeenkomstig de woorden van onze Heer. Ten tweede:de exacte term "nieuw
geboren" staat niet in de brieven van Paulus, maar de "leer" van de nieuwe
geboorte wordt duidelijk als in elk ander deel van de Bijbel geleerd.
In de eerste plaats wordt het geleerd door duidelijke betrokkenheid. Zich richtend tot
gelovigen, gebruikt de apostel de woorden "nepios": baby, of klein kind, en
"huios": volwassen zoon. Hij kijkt bij gelovigen vooral naar geestelijke
"groei".
Voor alle zekerheid: positioneel worden "alle" gelovigen erkend als
volwaardige zonen van God vanaf het moment dat zij gered zijn; met alle rechten en
privileges van het zoonschap (zie Galalaten 4:1-7). Maar in deze studies behandelen wij
niet de positie; wij beschouwen de "ervaring", de mededeling van geestelijk
"leven" aan de zondaar, en de vreugde hierover bij de heilige.
Het rechtstaan voor God, wat Christus voor alle mensen verwierf, is van geen nut voor
de zondaar, totdat deze wordt geaccepteerd in geloof. Op dezelfde manier worden de positie
van het zoonschap, die de onze is in Christus, en de zegeningen daaraan verbonden,
"toegeëigend" en "in blijdschap beleefd", alleen door het geloof.
Aldus berispt de apostel de Korinthiërs wegens hun vleselijkheid, hen noemende babies die
gevoed moeten worden met melk, omdat zij geen vast voedsel konden verdragen (I Korinthe
3:1,2) De joodse gelovigen werden eveneens terechtgewezen, omdat zij nog geestelijke
babies waren, hoewel zij naar de tijd dat zij gered waren, leraren hadden behoren te zijn
(Hebreeën 5:12-14).
Dienovereenkomstig wordt in Efeze 4:12-15 gezegd dat God aan de Gemeente apostelen,
profeten, herders, leraars en evangelisten gaf "tot volmaking der heiligen...".
"opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd
worden met alle wind der leer.... "Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins
zouden opwassen in Hem...." Verder schrijft Paulus in I Korinthe 16:13:
"Waakt, staat in het geloof, houdt (gedraagt) u mannelijk, weest sterk." Het
is zeker dat de apostel in deze teksten niet verwijst naar het kindzijn, de groei en de
volwassenheid van de natuurlijke mens. Hij doelt hier op het "nieuwe leven", dat
in oorsprong komt van de Geest.
De woorden "mens", "zonen", "babies", gebruikt voor het
geestelijk leven, veronderstellen duidelijk geestelijke "geboorte". De ervaren
mens is op een zeker tijdstip met zijn ervaring gekomen tot een positie van geestelijke
volwassenheid. Daarvóór was hij een baby. En dit houdt op zijn beurt in, dat hij is
"geboren", want er was een zeker moment waarop de baby ontstond.
In aanvulling op dit alles zijn er twee teksten in de brieven van Paulus, die ons de
nieuwe geboorte op positieve wijze leert. De eerste is Romeinen 8:16,17, waar de apostel
het woord "teknon" (Grieks): "geborene" gebruikt.
"Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen (geborenen) Gods zijn.
"En indien wij kinderen (geborenen) zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen
van God en medeërfgenamen van Christus......"
Is er iets dat duidelijker getuigenis draagt van het feit dat gelovigen, in de bedeling
der genade, opnieuw geboren zijn? Zeker is dat wij geen "borelingen" van God
worden door "natuurlijke" geboorte.
De andere tekst is Titus 3:5, waar we lezen:
"Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij
gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der WEDERGEBOORTE
(Gr.palingenesia) en vernieuwing van de Heilige Geest;"
In de 24 vertalingen van het Nieuwe Testament waar wij over beschikken, wordt dit woord
"palingenesia" weergegeven met "regeneratie" door 20, met "nieuwe
geboorte" door 3, en met "wedergeboorte" door 1. Geen enkele van hen gaat
echter uit van de basisgedachte van de nieuwe geboorte.
Tenslotte willen wij het feit benadrukken dat in "de kern van de zaak" de
mens, geboren uit Adam, herboren moet worden, opnieuw verwekt moet worden, om gered te
zijn. Er moet een nieuw en ander leven verkregen en begonnen worden. Het is waar, dat het
leven wat de gelovige ontvangt, "Christus" leven - "eeuwig leven" -
is, zonder begin; dat "in Christus" de gelovige onmiddellijk gerekend wordt als
volwassene. Maar dit is een diepere waarheid, die later beschouwd zal worden. Geestelijk
leven heeft een begin in de ervaring van iedere gelovige, en de noodzaak hiervan wordt met
evenveel nadruk vermeld in de brieven van Paulus als in de opgetekende woorden van
Christus op aarde. Zoals onze Heer bij Nicodemus de nadruk legde op het feit dat de mens
op zijn best niet in het Koninkrijk van God kan ingaan omdat "datgene wat geboren is
uit vlees, vlees is", zo ook zegt Paulus, door de Geest:
"Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven
kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet." (I Korinthe
15:50)
Het is waar dat onze Heer de nieuwe geboorte gedurende Zijn aardse bediening aan
Israël leerde, maar hier volgt niet automatisch uit dat dit onderwerp alleen het volk
Israël betrof. Wat onze Heer zei, betrof de gehele "mensheid" als zodanig,
ongeacht ras of tijd.
HOE DE ZONDAAR OPNIEUW GEBOREN KAN WORDEN
De vraag hoe het leven van de Geest is verwekt in, en ontvangen door, de gelovige, is
vanzelfsprekend van grote betekenis voor Adam's kinderen. En hier opnieuw, omdat het grote
geheimenis, geopenbaard door de verheerlijkte Heer aan Paulus, voorafgegaan is door de
fundamentele leer van de aardse Christus en Zijn twaalf apostelen over het onderwerp,
wordt dit in genen dele tegengesproken of ervan afgeweken.
De zondaar wordt opnieuw geboren en ontvangt het leven van de Geest, als de Geest het
Woord in zijn hart plant, zodat hij het door geloof accepteert; Jakobus 1:18:
"Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid...."
I Petrus 1:23: "Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit
onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God."
Galaten 3:2:" Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij de Geest ontvangen uit de
werken der wet, of uit de prediking des geloofs?"
Romeinen 10:17: "zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord
Gods."
Meer toegespitst; de zondaar wordt opnieuw geboren en ontvangt het leven van de Geest,
als hij Gods Woord gelooft m.b.t. Zijn Zoon en Hem vertrouwt tot zaligheid oftewel
behoudenis: Johannes 1:12: "Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht
gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;"
De apostel Paulus duidt inderdaad "het leven van Christus" aan als "wet
des Geestes", wanneer hij zegt in
Romeinen 8:2: "Want de wet van de Geestdes levens in Christus Jezus heeft mij
vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods."
De gelovige in Christus wordt dus niet alleen gerechtvaardigd voor God, maar ontvangt
evengoed "leven", want het is een vaststaande, onveranderbare "wet",
dat de Geest leven geeft aan hen, die in Christus geloven tot redding.
Wij zijn dus opnieuw geboren "door geloof in het Woord". Als wij het Woord
geloven, deelt de Geest het leven mede. Als we bovendien dan toenemen in kennis en geloof
in het Woord, groeien we naar geestelijke volwassenheid. Dit is het wat in I Petrus 2:2
wordt bedoeld met:
"En, als nieuwgeboren kinderkens, weest zeer begerig naar de redelijke onvervalste
melk, opdat gij daardoor moogt opwassen."
Dit is het ook waarnaar Paulus verwijst in Efeze 4:14,15, waar hij schrijft:
"Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd
worden met alle wind der leer,....
"Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen..."
DE NIEUWE GEBOORTE EN DE OPENBARING AAN PAULUS
Zoals gezegd, voert de openbaring van Paulus ons tot hogere, glorieuzer waarheden
m.b.t. zowel onze positie, als onze ervaring als gelovigen. Inderdaad is de nieuwe
geboorte zelf, als deze plaats vindt in de gelovige nu, direct verbonden met de heilige
doop, waardoor en waarin Christus en de gelovige één gemaakt zijn.
Hoe werd Christus één gemaakt met de mens? Hij werd "gedoopt" in het
menselijk ras. Hij kwam niet om uitsluitend "met" mensen "om te gaan".
Hij "werd mens". Hoe? Door geboorte in het menselijke ras. Geschiedde dit door
natuurlijke geboorte? Nee, door "bovennatuurlijke" geboorte.
Hij werd verwekt door de Heilige Geest. Maar Zijn doop in het menselijk wezen, eindigde
niet met Zijn geboorte en leven op aarde. Hij werd zo volledig één met de mens, dat Hij
zelfs de menselijke dood stierf aan het vloekhout. Hij werd "gedoopt" in de dood
(Lukas 12:50) en, zoals wij weten, in "onze" dood.
En het is daar, aan het kruis, dat wij één worden met Hem. Op het moment, dat men in
het geloof ziet op Golgotha, erkennende: "Ik ben de zondaar", Christus sterft
"mijn" dood", op dat moment wordt men "één met Christus";
gedoopt in de gekruisigde, opgestane Heer Zelf (Romeinen 6:3; Galaten 3:26,27), niet
alleen qua positie, gerekend vanuit God, maar "daadwerkelijk, door de Geest". En
zo wordt nieuw leven ontvangen. Door natuurlijke geboorte? Neen, door
"bovennatuurlijke" geboorte.
Hier gaat het beeld van "geboorte" over in dat van "opstanding",
want het leven dat de Geest mededeelt is "het leven van de opgestane Christus in
ons".
|