De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

             

EEN OVERZICHT VAN HET  PROGRAMMA VAN GOD

Door: C. R. Stam

Het kan voorkomen dat men tijdens het bestuderen van de Schrift "door de bomen het bos niet meer ziet", wat wil zeggen dat men zo in beslag genomen kan worden door de details van Gods grote plan voor de eeuwen, dat men het programma in zijn geheel niet meer begrijpt. Wij bieden u, in geloof, het volgende korte overzicht van de Schriftelijke waarheid aan. Voor degenen die net beginnen met Bijbelstudie is het een opvallend feit, dat God ongeveer de eerste tweeduizend jaar van de geschiedenis van de mensheid in de eerste elf hoofdstukken van de Bijbel afhandelt.

De moord op Abel, de goddeloosheid ten dage van Noach en de opstand van Babel, verwijzen naar het getuigenis van Paulus, aangaande de verdorvenheid van Adam's ras en bevestigen zijn driedelige verklaring dat God "hen overgegeven had...hen overgegeven had...hen overgegeven had" (Romeinen 1:24,26,28). God koos echter in genade één man uit, Abraham (eerst genaamd Abram), opdat door hem en zijn zaad, de gevallen mens verlost zou kunnen worden.

HET VERBOND MET ABRAHAM

Het dient nauwlettend opgemerkt te worden dat, noch vóór het verbond met Abraham, noch in het verbond zelf, God enige belofte deed dat gelovigen naar de hemel zouden gaan. Het uitzicht tot dusver was volkomen aards, wat wordt bewezen door de volgende Schriftgedeelten, overgenomen uit dit grote verbond: "En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!" (Genesis 12:2)"En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was; Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid." (Genesis 13:14,15)

Aan Abram werd niet verteld om naar boven te kijken. En toen hem, bij een andere gelegenheid (Genesis 15:5) wel werd gezegd naar boven te kijken, was dat alleen om de sterren te zien, als een beeld van hoe zeer God zijn nageslacht zou vermenigvuldigen. Te beweren dat God hem hier enige openbaring gaf betreffende een hemels nageslacht of het Lichaam van Christus, is op openbaring vooruitlopen en de verklaring van de Geest loochenen, dat de waarheid over het Lichaam een "geheimenis" was, "verborgen in God", "eeuwen en geslachten lang" (Efeze 3:1-9, Kolossensen 1:24-27).

De belofte "Zo zal uw nageslacht zijn", werd gemaakt in verband met de aansporing: "Tel de sterren, indien gij ze tellen kunt!". Aldus lezen we bij een latere gelegenheid dat God tot Abraham zegt: "Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan de oever der zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde..." (Genesis 22:17,18). Tot zover hebben we in de Schriften nog geen enkele belofte gevonden dat gelovigen naar de hemel gaan. Alles heeft betrekking op een land en een natie*, die een zegen voor de andere naties van de aarde zal blijken te zijn.

_________

* De lezer moet hier weer voorzichtig zijn om niet op de openbaring vooruit te lopen, door in Galaten 3:16 de belofte van Genesis te lezen. De belofte hier in Genesis 22:17,18 vermeldt duidelijk dat door Abraham's vermenigvuldigde zaad de andere naties gezegend zullen worden en vele volgende passages, zoals Zacharia 8:13,23, tonen duidelijk aan, dat dit inderdaad zo zal zijn. Galaten 3:16 laat eenvoudig zien dat God het woord "zaad" gebruikte met het oog op het geheimenis, wetende dat alleen in Christus, het enkele zaad, Israël, het vermenigvuldigde zaad, een zegen voor alle naties kon worden.

HET VERBOND MET DAVID

Ongeveer duizend jaar na Abraham maakte God een ander belangrijk verbond met David. Weer had dit niets te maken met de hemel, maar eerder met een Koning, een troon en een Koninkrijk, op te richten op aarde. In dit verbond met David verklaarde God: "Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lichaam voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid." (II Samuël 7:12,13) "Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid." (II Samuël 7:16) Deze belofte is bevestigd in Psalm 89:35-38: "Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo ik aan David lieg! Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de getuige in de hemel is getrouw."

Het is droevig dat sommige theologen deze grote beloften hebben "vergeestelijkt" door ze te laten verwijzen naar Christus als de Koning van de Gemeente van deze eeuw. Zij hebben gedaan, wat God in een eed heeft gezworen niet te doen. Zij hebben Zijn verbond "gewijzigd". Zij kunnen het de "vergeestelijking" van Zijn beloften noemen, maar is het geestelijk om het duidelijke Woord van God te wijzigen? Is dit niet eerder grove vleselijkheid? Dat de natuurlijke, duidelijke betekenis van het verbond met David de juiste is, wordt bewezen door honderden andere Schriftgedeelten die dit bevestigen, bv. Jeremia 23:5,6 waar gezegd wordt:

"Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël zal zeker wonen; en dit zal Zijn Naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID." Tot dusver is er in de openbaring van de Schrift niets gezegd over het naar de hemel gaan. Veelmeer lezen we over een land, een natie, een Koninkrijk en een Koning, of -over een Koning van een Koninkrijk om te regeren over een natie in een land.

HET KONINKRIJK BESCHREVEN

Het is verbazend dat de zogenaamde "vergeestelijkers" van de Schrift kunnen blijven volharden in het veranderen van Gods duidelijke beloften aangaande het Koninkrijk dat op de aarde gevestigd zal worden, in het bijzonder wanneer wij in aanmerking nemen dat het karakter van dat Koninkrijk ons zo duidelijk is beschreven. Zie bijvoorbeeld hoe Jesaja nauwkeurig de veranderde omstandigheden beschrijft, die zullen heersen gedurende de regering van de Messias op aarde.

1. Christus zal verheerlijkt worden

"En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvels, en tot hem zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt laat ons opgaan tot de berg des Heeren, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord des Heeren uit Jeruzalem." (Jesaja 2:2,3)

2. De oorlog zal afgeschaft worden

"Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortels zal Vrucht voortbrengen." (Jesaja 11:1) "En Hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkels; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren." (Jesaja 2:4)

3. De regering zal gezuiverd worden

"...en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen. Maar Hij zal de armen met gerechigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met recht-matigheid bestraffen; ...Want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel van Zijn lendenen zijn." (Jesaja 11:3-5)

4. Wilde dieren zullen getemd worden

"En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok neerliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein jongske zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, hun jongen zullen tezamen neerliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. En een zuigeling zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken." (Jesaja 11:6-9)

5. de vloek van de plantenwereld zal weggenomen worden

"De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron..." "...want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis." (Jesaja 35:1,2a en 6a)

6. Menselijke ziekten en zwakheden zullen weggedaan worden

"Alsdan zullen de ogen der blinden opengedaan worden, en de oren der doven zullen geopend worden. Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong van de stomme zal juichen;" (Jesaja 35:5, 6a).

7. Kommer en zorg zullen wegvlieden

"En de vrijgekochten des Heeren zullen weerkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvluchten," (Jesaja 35:10).

Al deze getuigenissen en veel meer komen slechts uit één van de profetische boeken van het Oude Testament. Nog veel meer zou toegevoegd kunnen worden uit de andere boeken om te bewijzen dat de verbonden met Abraham en David precies datgene betekenen wat ze zeggen; dat Christus en Zijn Koninkrijk eens zullen regeren over de natie Israël op aarde, in het land Palestina, en dat het verloste Israël dan een zegen zal worden voor alle naties. In Genesis tot Maleachi kan nergens een belofte gevonden worden dat gelovigen naar de hemel zullen gaan. Het vooruitzicht is volkomen aards. Waar beginnen we dan iets te leren van "de Gemeente die het Lichaam van Christus" is, en de "hoop die voor ons is weggelegd in de hemelen"? In deevangelie-getuigenissen? Laten we dit eens onderzoeken.

JOHANNES DE DOPER, CHRISTUS

&

DE TWAALF

Wat was het thema van de boodschap van Johannes de Doper? Rond welk centraal onderwerp draaiden al zijn onderrichtingen? De heilige getuigenissen geven duidelijk en eenvoudig antwoord op deze vraag: "En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea, En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." (Mattheüs 3:1,2)

Hoe kan een eerlijke Bijbelonderwijzer de achtergrond van deze verkondiging negeren en het in verband brengen met alles behalve het langbeloofde Koninkrijk van Christus op aarde, in het bijzonder omdat onze Heer op aarde verschenen was? En maakt deze verklaring dan niet duidelijk dat dit Koninkrijk, dat nu "komende was", hetzelfde Koninkrijk was dat verwacht werd? Wij zijn verbaasd dat oprechte mensen van God deze verkondiging kunnen "vergeestelijken" en laten verwijzen naar de Gemeente van deze bedeling wier positie en burgerschap met Christus zich in de hemel bevindt. Let wel, Johannes verwijst niet naar een koninkrijk in de hemel, maar naar het "Koninkrijk der hemelen"; het Koninkrijk waarover Daniël profeteerde: "Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden;..." (Daniël 2:44a).

Maar nu betreffende onze Heer zelf. Wat was het centrale thema van Zijn boodschap? Opnieuw geeft het getuigenis een antwoord dat eenvoudig en duidelijk is: "Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." (Mattheüs 4:17)

Niets meer dan dit? Jawel, maar dit was het centrale onderwerp, waar al Zijn preken, gelijkenissen en verkondigingen om draaiden. Hij sprak over Zijn Vader in de hemel, over schatten in de hemel en een beloning in de hemel, maar altijd in verband met het Koninkrijk op aarde waarover Hij zou regeren. En wat betreffende de twaalf toen zij tesamen met Hem dienden? Weer is het antwoord van de Schrift simpel en direct: "Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op de weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen. Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls. En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." (Mattheüs 10:5-7)

Opnieuw dezelfde boodschap; niet het kruis, maar de troon. Inderdaad hadden deze twaalf een aandeel in dat Koninkrijk, want onze Heer beloofde hen later: "...Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls." (Mattheüs 19:28) Nu zijn er zeker geen "twaalf stammen", noch in de Gemeente, noch in de hemel. Toen in die tijd, zagen de twaalf, evenals Johannes de Doper en onze Heer, uit naar de oprichting van het langbeloofde Koninkrijk op aarde.

DE VRAAG DIE AAN DE ORDE IS

De grote vraag, die nu aan de orde blijft, is: veranderde dit alles met de opstanding van Christus uit de doden en de komst van de Heilige Geest met Pinksteren? De grote meerderheid van de getrouwe Bijbel-gelovigen is van mening dat met de zogenaamde "Grote Opdracht" en Pinksteren de nieuwe bedeling begon waarvan Paulus verklaarde dat het een geheimenis was. Zij zijn van mening dat het evangelie van Gods genade het onderwerp is van de "Grote Opdracht" en dat het Lichaam van Christus, de Gemeente van deze huidige bedeling, met Pinksteren begon.

Dit zien ze verkeerd. Nergens, in geen enkele vermelding van de opdracht lezen we over redding door genade, door het volbrachte werk van Christus. Inderdaad bleef de waterdoop nog steeds een vereiste voor redding (Markus 16:16 en Handelingen 2:38) en moesten gelovigen nog steeds de wet gehoorzamen (zie Mattheüs 28:20 en 23:1-3). Bovendien gingen, evenals vóór het kruis (Mattheüs 10:8) wondertekenen met hun bediening gepaard (Markus 16:17,18). Nergens in de gegevens over Pinksteren lezen we iets over het Lichaam van Christus of een hemelse roeping of positie. Integendeel, het onderwerp is nog steeds het Koninkrijk, dat op aarde zal worden gegrondvest.

DE PERIODE VAN PINKSTEREN

Met Pinksteren verklaarde Petrus dat God Christus uit de doden had opgewekt om te zitten op de troon van David, (Handelingen 2:29,30). Inderdaad, met de opstanding van onze Heer uit de doden en de hemelvaart, leek het Koninkrijk dichterbij, want de profeten hadden voorspeld dat deze dingen moesten gebeuren vóór Zijn terugkomst om te regeren, (Lukas 24:25,26, Handelingen 2:16-20, I Petrus 1:11). Aldus zien we Petrus in Handelingen 3, duidelijk de terugkeer van Christus op aarde beloven, op voorwaarde van Israëls berouw: "Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden der verkwikking zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Die de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw." (Handelingen 3:19-21)

EEN ANDERE APOSTEL

Pas nadat Israël hardnekkig daadwerkelijk het aanbod van het Koninkrijk en de terugkomst van hun uit de doden opgestane en verheerlijkte Messias verworpen had, hield God, in Zijn oneindige genade, Saulus, de leider van de opstand, tegen en redde hem, om hem meteen tot een symbool en verkondiger te maken van de verlossende genade door het volbrachte werk van Christus op Golgotha. Met deze nieuwe apostel ving de bedeling der genade aan en begon het Lichaam van Christus. Niet eerder dan bij Paulus lezen we iets over "het evangelie van de genade van God" (Handelingen 20:24) of "de bedeling van de genade van God" (Efeze 3:2).

Vóór Paulus stond niemand op om te zeggen: "Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten;" (Romeinen 3:21). Volgens het verbond met Abraham in Genesis, zou zoals Petrus in Handelingen 3:24-26 ook verklaarde, de zegen naar de heidenen gaan door verlost Israël. Pas bij Paulus lezen we: "...door hun val is de zaligheid voor de heidenen geworden..." (Romeinen 11:11). Pas bij Paulus lezen we van de Jood en de heiden, dat: "God hen allen onder de ongehoorzaamheid had besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou zijn." (Romeinen 11:32) "En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap daaraan gedood hebbende." (Efeze 2:16)

Pas bij Paulus lezen we over de doop van de gelovigen in Christus en Zijn lichaam door de Heilige Geest, (I Korinthe 12:13, Kolossensen 2:9-12), over onze positie, opstanding en verheerlijking met Hem in de hemel (Efeze 2:4-6), en over onze "geestelijke zegeningen" daar (Efeze 1:3). Pas bij Paulus leren wij van ons "burgerschap...in de hemel" (Filippensen 3:20) en van de komst van onze Heer om ons op te nemen om voor eeuwig met Hem te zijn, (I Thessalonicensen 4:16-18). Dit zijn de bijzondere zegeningen van de huidige bedeling der genade.

WEER TERUG NAAR ISRAEL

Terwijl wij genieten van deze niet beloofde zegeningen, laten wij ons echter ook verheugen over het feit dat "de gaven en roeping van God zonder berouw zijn"; dat Hij Zijn verbondsbeloften nog aan Israël zal vervullen. Het is Paulus zelf die, door inspiratie, zegt: "Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun verbond van Mij,..." (Romeinen 11:25-27).

Aldus zullen de verbondsbeloften letterlijk vervuld worden, nadat de huidige bedeling der genade voorbij is. Dat al onze broeders deze bedeling van het geheimenis konden zien, als Gods genadige onderbreking van het profetisch programma, door de roeping van Paulus! Als zij dit zouden doen, dan zouden de hervormde en de gereformeerde theologen geen reden meer vinden om de duidelijke woorden van de profetie te veranderen, noch zouden de baptisten het nodig vinden om de duidelijke woorden van de zogenaamde "grote opdracht" en Petrus' toespraak met Pinksteren te veranderen. Het geheimenis dat door Paulus werd verkondigd is het antwoord op de verwarring die de Gemeente zo lang in haar greep heeft gehouden, en de oplossing voor de meeste van de schijnbare tegenstellingen in de Schrift, die zo vele oprechte gelovigen in onzekerheid en vertwijfeling houden.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011