Het kan voorkomen dat men tijdens het bestuderen van de Schrift
"door de bomen het bos niet meer ziet", wat wil zeggen dat men zo in beslag
genomen kan worden door de details van Gods grote plan voor de eeuwen, dat men het
programma in zijn geheel niet meer begrijpt. Wij bieden u, in geloof, het volgende korte
overzicht van de Schriftelijke waarheid aan. Voor degenen die net beginnen met
Bijbelstudie is het een opvallend feit, dat God ongeveer de eerste tweeduizend jaar van de
geschiedenis van de mensheid in de eerste elf hoofdstukken van de Bijbel afhandelt.
De moord op Abel, de goddeloosheid ten dage van Noach en de opstand van
Babel, verwijzen naar het getuigenis van Paulus, aangaande de verdorvenheid van Adam's ras
en bevestigen zijn driedelige verklaring dat God "hen overgegeven had...hen
overgegeven had...hen overgegeven had" (Romeinen 1:24,26,28). God koos echter in
genade één man uit, Abraham (eerst genaamd Abram), opdat door hem en zijn zaad, de
gevallen mens verlost zou kunnen worden.
HET VERBOND MET ABRAHAM
Het dient nauwlettend opgemerkt te worden dat, noch vóór het verbond
met Abraham, noch in het verbond zelf, God enige belofte deed dat gelovigen naar de hemel
zouden gaan. Het uitzicht tot dusver was volkomen aards, wat wordt bewezen door de
volgende Schriftgedeelten, overgenomen uit dit grote verbond: "En Ik zal u tot een
groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!" (Genesis
12:2)"En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was; Hef uw ogen op,
en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en
westwaarts. Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in
eeuwigheid." (Genesis 13:14,15)
Aan Abram werd niet verteld om naar boven te kijken. En toen hem, bij
een andere gelegenheid (Genesis 15:5) wel werd gezegd naar boven te kijken, was dat alleen
om de sterren te zien, als een beeld van hoe zeer God zijn nageslacht zou
vermenigvuldigen. Te beweren dat God hem hier enige openbaring gaf betreffende een hemels
nageslacht of het Lichaam van Christus, is op openbaring vooruitlopen en de verklaring van
de Geest loochenen, dat de waarheid over het Lichaam een "geheimenis" was,
"verborgen in God", "eeuwen en geslachten lang" (Efeze 3:1-9,
Kolossensen 1:24-27).
De belofte
van
de Schrift kunnen blijven volharden in het veranderen van Gods duidelijke beloften
aangaande het Koninkrijk dat op de aarde gevestigd zal worden, in het bijzonder wanneer
wij in aanmerking nemen dat het karakter van dat Koninkrijk ons zo duidelijk is
beschreven. Zie bijvoorbeeld hoe Jesaja nauwkeurig de veranderde omstandigheden
beschrijft, die zullen heersen gedurende de regering van de Messias op aarde.
1. Christus zal verheerlijkt worden
"En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van
het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven
worden boven de heuvels, en tot hem zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen
heengaan en zeggen: Komt laat ons opgaan tot de berg des Heeren, tot het huis van de God
Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit
Sion zal de wet uitgaan, en het woord des Heeren uit Jeruzalem." (Jesaja 2:2,3)
2. De oorlog zal afgeschaft worden
"Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van
Isaï, en een Scheut uit zijn wortels zal Vrucht voortbrengen." (Jesaja 11:1)
"En Hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun
zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkels; het ene volk zal tegen het andere
volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren." (Jesaja 2:4)
3. De regering zal gezuiverd worden
"...en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal
ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen. Maar Hij zal de armen met gerechigheid
richten, en de zachtmoedigen des lands met recht-matigheid bestraffen; ...Want
gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel van Zijn
lendenen zijn." (Jesaja 11:3-5)
4. Wilde dieren zullen getemd worden
"En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de
geitenbok neerliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een klein
jongske zal ze drijven. De koe en de berin zullen tezamen weiden, hun jongen zullen
tezamen neerliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. En een zuigeling zal zich
vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de
kuil van de basilisk. Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner
heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren de bodem
der zee bedekken." (Jesaja 11:6-9)
5. de vloek van de plantenwereld zal weggenomen worden
"De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk
zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig
bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is
haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron..." "...want in de woestijn zullen
wateren uitbarsten, en beken in de wildernis." (Jesaja 35:1,2a en 6a)
6. Menselijke ziekten en zwakheden zullen weggedaan worden
"Alsdan zullen de ogen der blinden opengedaan worden, en de oren
der doven zullen geopend worden. Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong
van de stomme zal juichen;" (Jesaja 35:5, 6a).
7. Kommer en zorg zullen wegvlieden
"En de vrijgekochten des Heeren zullen weerkeren, en tot Sion
komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap
zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvluchten," (Jesaja
35:10).
Al deze getuigenissen en veel meer komen slechts uit één van de
profetische boeken van het Oude Testament. Nog veel meer zou toegevoegd kunnen worden uit
de andere boeken om te bewijzen dat de verbonden met Abraham en David precies datgene
betekenen wat ze zeggen; dat Christus en Zijn Koninkrijk eens zullen regeren over de natie
Israël op aarde, in het land Palestina, en dat het verloste Israël dan een zegen zal
worden voor alle naties. In Genesis tot Maleachi kan nergens een belofte gevonden worden
dat gelovigen naar de hemel zullen gaan. Het vooruitzicht is volkomen aards. Waar beginnen
we dan iets te leren van "de Gemeente die het Lichaam van Christus" is, en de
"hoop die voor ons is weggelegd in de hemelen"? In deevangelie-getuigenissen?
Laten we dit eens onderzoeken.
JOHANNES DE DOPER, CHRISTUS
&
DE TWAALF
Wat was het thema van de boodschap van Johannes de Doper? Rond welk
centraal onderwerp draaiden al zijn onderrichtingen? De heilige getuigenissen geven
duidelijk en eenvoudig antwoord op deze vraag: "En in die dagen kwam Johannes de
Doper, predikende in de woestijn van Judea, En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk
der hemelen is nabij gekomen." (Mattheüs 3:1,2)
Hoe kan een eerlijke Bijbelonderwijzer de achtergrond van deze
verkondiging negeren en het in verband brengen met alles behalve het langbeloofde
Koninkrijk van Christus op aarde, in het bijzonder omdat onze Heer op aarde verschenen
was? En maakt deze verklaring dan niet duidelijk dat dit Koninkrijk, dat nu "komende
was", hetzelfde Koninkrijk was dat verwacht werd? Wij zijn verbaasd dat oprechte
mensen van God deze verkondiging kunnen "vergeestelijken" en laten verwijzen
naar de Gemeente van deze bedeling wier positie en burgerschap met Christus zich in de
hemel bevindt. Let wel, Johannes verwijst niet naar een koninkrijk in de hemel, maar naar
het "Koninkrijk der hemelen"; het Koninkrijk waarover Daniël profeteerde:
"Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken,
dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden;..." (Daniël 2:44a).
Maar nu betreffende onze Heer zelf. Wat was het centrale thema van Zijn
boodschap? Opnieuw geeft het getuigenis een antwoord dat eenvoudig en duidelijk is:
"Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het
Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." (Mattheüs 4:17)
Niets meer dan dit? Jawel, maar dit was het centrale onderwerp, waar al
Zijn preken, gelijkenissen en verkondigingen om draaiden. Hij sprak over Zijn Vader in de
hemel, over schatten in de hemel en een beloning in de hemel, maar altijd in verband met
het Koninkrijk op aarde waarover Hij zou regeren. En wat betreffende de twaalf toen zij
tesamen met Hem dienden? Weer is het antwoord van de Schrift simpel en direct: "Deze
twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op
de weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen. Maar gaat
veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls. En heengaande predikt,
zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." (Mattheüs 10:5-7)
Opnieuw dezelfde boodschap; niet het kruis, maar de troon. Inderdaad
hadden deze twaalf een aandeel in dat Koninkrijk, want onze Heer beloofde hen later:
"...Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer
de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat gij ook zult
zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls." (Mattheüs 19:28)
Nu zijn er zeker geen "twaalf stammen", noch in de Gemeente, noch in de hemel.
Toen in die tijd, zagen de twaalf, evenals Johannes de Doper en onze Heer, uit naar de
oprichting van het langbeloofde Koninkrijk op aarde.
DE VRAAG DIE AAN DE ORDE IS
De grote vraag, die nu aan de orde blijft, is: veranderde dit alles met
de opstanding van Christus uit de doden en de komst van de Heilige Geest met Pinksteren?
De grote meerderheid van de getrouwe Bijbel-gelovigen is van mening dat met de zogenaamde
"Grote Opdracht" en Pinksteren de nieuwe bedeling begon waarvan Paulus
verklaarde dat het een geheimenis was. Zij zijn van mening dat het evangelie van Gods
genade het onderwerp is van de "Grote Opdracht" en dat het Lichaam van Christus,
de Gemeente van deze huidige bedeling, met Pinksteren begon.
Dit zien ze verkeerd. Nergens, in geen enkele vermelding van de
opdracht lezen we over redding door genade, door het volbrachte werk van Christus.
Inderdaad bleef de waterdoop nog steeds een vereiste voor redding (Markus 16:16 en
Handelingen 2:38) en moesten gelovigen nog steeds de wet gehoorzamen (zie Mattheüs 28:20
en 23:1-3). Bovendien gingen, evenals vóór het kruis (Mattheüs 10:8) wondertekenen met
hun bediening gepaard (Markus 16:17,18). Nergens in de gegevens over Pinksteren lezen we
iets over het Lichaam van Christus of een hemelse roeping of positie. Integendeel, het
onderwerp is nog steeds het Koninkrijk, dat op aarde zal worden gegrondvest.
DE PERIODE VAN PINKSTEREN
Met Pinksteren verklaarde Petrus dat God Christus uit de doden had
opgewekt om te zitten op de troon van David, (Handelingen 2:29,30). Inderdaad, met de
opstanding van onze Heer uit de doden en de hemelvaart, leek het Koninkrijk dichterbij,
want de profeten hadden voorspeld dat deze dingen moesten gebeuren vóór Zijn terugkomst
om te regeren, (Lukas 24:25,26, Handelingen 2:16-20, I Petrus 1:11). Aldus zien we Petrus
in Handelingen 3, duidelijk de terugkeer van Christus op aarde beloven, op voorwaarde van
Israëls berouw: "Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden,
wanneer de tijden der verkwikking zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, En
Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Die de hemel moet
ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de
mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw." (Handelingen 3:19-21)
EEN ANDERE APOSTEL
Pas nadat Israël hardnekkig daadwerkelijk het aanbod van het
Koninkrijk en de terugkomst van hun uit de doden opgestane en verheerlijkte Messias
verworpen had, hield God, in Zijn oneindige genade, Saulus, de leider van de opstand,
tegen en redde hem, om hem meteen tot een symbool en verkondiger te maken van de
verlossende genade door het volbrachte werk van Christus op Golgotha. Met deze nieuwe
apostel ving de bedeling der genade aan en begon het Lichaam van Christus. Niet eerder dan
bij Paulus lezen we iets over "het evangelie van de genade van God" (Handelingen
20:24) of "de bedeling van de genade van God" (Efeze 3:2).
Vóór Paulus stond niemand op om te zeggen: "Maar nu is de
rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet
en de profeten;" (Romeinen 3:21). Volgens het verbond met Abraham in Genesis, zou
zoals Petrus in Handelingen 3:24-26 ook verklaarde, de zegen naar de heidenen gaan door
verlost Israël. Pas bij Paulus lezen we: "...door hun val is de zaligheid voor de
heidenen geworden..." (Romeinen 11:11). Pas bij Paulus lezen we van de Jood en de
heiden, dat: "God hen allen onder de ongehoorzaamheid had besloten, opdat Hij hun
allen barmhartig zou zijn." (Romeinen 11:32) "En opdat Hij die beiden met God in
één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap daaraan gedood hebbende."
(Efeze 2:16)
Pas bij Paulus lezen we over de doop van de gelovigen in Christus en
Zijn lichaam door de Heilige Geest, (I Korinthe 12:13, Kolossensen 2:9-12), over onze
positie, opstanding en verheerlijking met Hem in de hemel (Efeze 2:4-6), en over onze
"geestelijke zegeningen" daar (Efeze 1:3). Pas bij Paulus leren wij van ons
"burgerschap...in de hemel" (Filippensen 3:20) en van de komst van onze Heer om
ons op te nemen om voor eeuwig met Hem te zijn, (I Thessalonicensen 4:16-18). Dit zijn de
bijzondere zegeningen van de huidige bedeling der genade.
WEER TERUG NAAR ISRAEL
Terwijl wij genieten van deze niet beloofde zegeningen, laten wij ons
echter ook verheugen over het feit dat "de gaven en roeping van God zonder berouw
zijn"; dat Hij Zijn verbondsbeloften nog aan Israël zal vervullen. Het is Paulus
zelf die, door inspiratie, zegt: "Want ik wil niet, broeders, dat u deze
verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een
deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo
zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en
zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun verbond van Mij,..."
(Romeinen 11:25-27).
Aldus zullen de verbondsbeloften letterlijk vervuld worden, nadat de
huidige bedeling der genade voorbij is. Dat al onze broeders deze bedeling van het
geheimenis konden zien, als Gods genadige onderbreking van het profetisch programma, door
de roeping van Paulus! Als zij dit zouden doen, dan zouden de hervormde en de
gereformeerde theologen geen reden meer vinden om de duidelijke woorden van de profetie te
veranderen, noch zouden de baptisten het nodig vinden om de duidelijke woorden van de
zogenaamde "grote opdracht" en Petrus' toespraak met Pinksteren te veranderen.
Het geheimenis dat door Paulus werd verkondigd is het antwoord op de verwarring die de
Gemeente zo lang in haar greep heeft gehouden, en de oplossing voor de meeste van de
schijnbare tegenstellingen in de Schrift, die zo vele oprechte gelovigen in onzekerheid en
vertwijfeling houden.