De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

                      
15-01-2012

 

VASTHOUDEN AAN DE WAARHEID VAN HET EVANGELIE

door Fred Wisniewski

"Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid." - (2 Cor.13:8)

Bovenstaande tekst van de apostel Paulus moet zeer zeker hoog staan in de doelstelling van een ieder die Gods woord verkondigdt n.l. het evangelie van Gods genade als de boodschap voor deze boze tijd. In de geest van 2 Tim.2:15, trachten wij het pand "te bewaren wat (ons) is toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdelroepen, en van de tegenstellingen der valselijk genaamde wetenschap; dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken" (1 Tim.6:20,21).

Zoals de apostel, zijn ook wij betrokken bij de ware leer van het evangelie, opdat de gedachten van gelovigen "niet worden bedorven, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is". Met dit in gedachten geeft de schrijver de hiervolgende studie door, met de vraag of u, net als de wijze Bereërs van vroeger deden, zich wilt voegen bij de onderzoekers van de Schriften, om te zien of deze dingen zo waren.

WAT IS WAARHEID? Op een vreselijke dag in de menselijke geschiedenis stelde de Romeinse stadhouder van Judea, Pontius Pilatus, deze vraag kortweg, toen hij in de rechterstoel zat voor de Here Jezus Christus. Verraden door Judas, daarna gearresteerd, vals beschuldigd en veroordeeld door de Joodse oversten, stond onze Here nu in de Romeinse rechtzaal, en Pilatus, pogend een reden te vinden om Hem te veroordelen, vroeg Hem of Hij de Koning der Joden was. Jezus antwoordde dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld was. Pilatus spitste zich op het punt: "Zijt Gij dan een koning?"

Jezus antwoordde: "Gij zegt dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem" (Joh.18:37). Pilatus zeide: "Wat is waarheid?" en hiermede keerde hij zijn rug naar DE Waarheid, kwam tegemoet aan de wensen van de Joodse oversten, en veroordeelde Jezus tot de dood door kruisiging.

 "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden" (1 Cor.15:20). Gedurende bijna 2000 jaren heeft de Christelijke wereld Jezus Christus beleden als de auteur van onze redding (Hebr.5:9) en de openbaring van de waarheid en genade van God (Joh.1:17). Het Christendom heeft zich echter zowel in de verkondiging als in het leren van de waarheid van het evangelie van Christus, verdeeld bevonden voor wat betreft de juiste uitlegging en begrip van die waarheid. In de vraag "Wat is waarheid?" met betrekking tot het evangelie van Christus hebben velen van de leraren en theologen van het Christendom dit zo veranderd, gekleurd, verkeerd overgebracht, verzwakt, verdraaid, of zijn op een of andere wijze van de waarheid van het evangelie afgedwaald, dat het schijnt of de waarheid ten dode is gedoemd.

Dan is het niet verwonderlijk dat in de geschriften van de Apostel Paulus de lezer getroffen wordt door de overtuiging waarmee hij de waarheid van het Evangelie van Christus naar voren brengt en verdedigt. Toegewijd als hij was aan de verkondiging van het evangelie, was Paulus er speciaal op uit te zorgen dat het verkondigd werd in waarheid. Omdat hem de openbaring en het verzorgen van het evangelie was toevertrouwd was Paulus de meest geschikte om de uitzaaingen van verwarring en valse weergaven die de waarheid van het evangelie van Christus aantasten, te onderkennen.

Paulus' zorg voor de zuiverheid van het evangelie komt sterk naar voren in zijn brieven aan de eerste gemeenten. In de tweede brief aan de Corinthiërs spreekt hij zijn vrees uit dat zijn lezers zullen worden afgeleid van de eenvoud en zuiverheid van het evangelie dat hij hen verkondigde (2 Cor.11:3 en volgende verzen). In de brief aan de Galaten verwondert hij zich dat de Galatische gelovigen "zo haast weken van degene, die hun in de genade van Christus geroepen heeft, en overgebracht werden tot een ander evangelie; daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het evangelie van Christus willen verkeren. Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt" (Gal.1:6-8).

In beide brieven maakte de apostel een uitgesproken verschil tussen het evangelie van Christus dat hij verkondigde, en "een ander evangelie" en "een andere Jezus" die hij niet predikte. Hij stelde dat het "andere evangelie" was: IEDERE afwijking van het evangelie zoals het hem door Christus was geopenbaard.

De apostel benadrukte dat het evangelie dat hij ontving en verkondigde, in de plaats kwam van al het andere goede nieuws dat er aan vooraf ging, en dat alleen zijn evangelie sloeg op de Gemeente van God in deze bedeling, de bedeling van Gods Genade (zie Eph.3). Zijn evangelie was uniek, en mocht niet worden verdraaid door aan het bijzondere karakter als bedeling, toe te voegen, of er van af te doen.

Bijvoorbeeld onderscheidde Paulus in het bijzonder zijn evangelie van het evangelie dat door de Here Jezus Christus aan de twaalven was opgedragen.

"Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis; (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan" (Gal.2:7-9).

Wij kunnen uit deze passage in de Schriften duidelijk drie feiten naar voren halen:

1. De Here Jezus Christus gaf aan de apostel Paulus een apostolische opdracht, gescheiden en los van die, welke werd gegeven aan de twaalf apostelen.

2. Paulus' opdracht bevatte de verkondiging van het evangelie van de onbesnedenheid. Paulus noemde het bij deze naam om het te onderscheiden van het evangelie dat aan Petrus werd opgedragen. Het is klaarblijkelijk het evangelie van de Genade van God, de prediking van het kruis, het geheimenis van Christus, dat verklaart dat alle mensen overal in aanmerking komen voor verontschuldiging van de straf voor hun zonden, uitsluitend op basis van Gods Genade, door geloof in Jezus Christus als hun Here en Redder. De verschillen tussen Jood en heiden zijn weggedaan door het bloed van de Here Jezus Christus (Eph.2:8 en volgende verzen). De verbonds-eisen zoals besnijdenis en onderhouden van de Mozaïsche Wet, zijn niet langer noodzakelijk om een aanvaardbare status voor God te verkrijgen of te handhaven (Gal.2:16; 6:15). Allen die geloven hebben deel aan een nieuwe schepping, de Gemeente, het Lichaam van Christus, en onze gezamenlijke opdracht is, om de bediening die Paulus begon, "het betuigen van het evangelie van Gods Genade", voort te zetten (Hand.20:24).

3. De opdracht van Christus aan Paulus om het evangelie tot de heidenen te brengen verving Zijn opdracht aan Petrus en de andere apostelen om "te gaan in de gehele wereld en het evangelie te prediken aan alle kreaturen" (Gal.2:7-9 cf.Mark.16:15).

Paulus verpersoonlijkte het evangelie dat hij door openbaring van Jezus Christus ontving door dit "mijn evangelie" te noemen (Rom.16:25). Veel van de te onderscheiden kenmerken van zijn evangelie zijn duidelijk naar voren gebracht in zijn brief aan de Ephesiërs.

Een eerste voorbeeld van Paulus' ijver voor de waarheid van het evangelie staat opgetekend in Hand 15 (cf.Gal.2). Enige tijd nadat hij en Barnabas waren teruggekeerd naar Antiochië van hun eerste zendingsreis, ontstond een dispuut in die gemeente tussen Paulus en Barnabas aan de ene kant, en zekere Joodse Christenen aan de andere kant, die leerden dat "indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden" (Hand.15:1 cf.15:5). "En als daarover grote twisting geschiedde" werden Paulus en Barnabas met een delegatie naar Jeruzalem gezonden om met de gemeente daar in raadszitting bijeen te komen en de zaak op te lossen. Het resultaat was, na uitvoerig debat, geleid door Jakobus, de broeder van de Here, dat de heidenen niet verplicht waren om de wet van Mozes te onderhouden teneinde gered te worden, net als Paulus had geleerd.

De echte overwinning van de Raad te Jeruzalem was de erkenning van Petrus dat God "geen onderscheid heeft gemaakt tussen ons (Joodse gelovigen) en hen (gelovigen uit de heidenen), gereinigd hebbende hun harten door het geloof" en dat wij geloven, "door de genade van de Here Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij". Dat Petrus echt de waarheid van het evangelie begreep gaf dat hij hier te kennen gaf wordt gezien door zijn gedrag zoals dit is beschreven in Gal.2:11-13. Hier gebeurde het dat Petrus en andere Joodse gelovigen in gemeenschap met de Christenen uit de heidenen in Antiochië zelfs met hen aten, want hij zeide dat God "geen onderscheid tussen ons en hen heeft gemaakt...". Hoe ongelukkig dat toen zij hoorden dat een door Jakobus gezonden delegatie op bezoek kwam, zij zich terugtrokken van de gelovigen uit de heidenen, "vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren".

Want omdat Jakobus en de Raad met Paulus instemden dat gelovigen uit de heidenen niet onder de wet waren, was er het tekortschieten van het besluit van de Raad, dat Joodse gelovigen niet in de toepassing ervan werden inbegrepen. Paulus sloot hen wel in "zijn" evangelie in, en wel nadrukkelijk, maar de Raad deed dat niet. De Joodse gelovigen bleven "ijveraars van de wet" (Hand.21:20) en leefden onder haar juk, welk juk, zoals Petrus verklaarde, "hun vaderen noch zij hebben kunnen dragen" (Hand.15:8-11). Door zo te doen vereeuwigden en versterkten zij het onderscheid tussen het evangelie van de besnijdenis en dat van de onbesnijdenis. Dit zou bijdragen tot Paulus' voortdurend conflict met de Judeërs, en zijn daaruit volgende confrontatie met Petrus, zoals we die beschreven vinden in Gal.2:11-21.

Let op Paulus' strenge reactie op Petrus' huichelachtig (d.i. hypocriet, voorgewend) gedrag in die passage. Toen Paulus "zag dat [Petrus en de andere Joodse Christenen in Antiochië] niet oprecht wandelden naar DE WAARHEID VAN HET EVANGELIE", "wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was". Waarom was Petrus te bestraffen? Omdat n.b. hij, van alle Joodse Christenen (met uitzondering van Paulus en Barnabas) het best een van de meest fundamentele waarheden van het evangelie van Gods Genade moest kennen, dat Christus "de scheidsmuur (tussen Joden en heidenen) verbroken had...dat Hij beiden mocht verzoenen met God in één lichaam door het kruis, daarbij de vijandschap teniet gedaan hebbend...", zodat nu beiden medeburgers waren van de hemel en huisgenoten Gods (Eph.2:14-19 cf.Hand.10:1-11:18 en 15:1-11).

Zoals eerder vermeld trok Petrus, blijkbaar bevreesd voor kritiek van de Christenen uit de besnijdenis uit Jeruzalem, zich beschaamd terug en scheidde zich af van de gemeenschap met de Christenen uit de heidenen, steunend op de bijval van zijn mede-Joden in deze zaak, waardoor hij de gemeente in Antiochië in verkeerd daglicht stelde. Dit bracht Judaïsme met zich in het evangelie, want zij verplichtten de heidenen om "te leven als de Joden" als zij met hen gemeenschap in de Here wilden (Gal.2:14). Te leven als de Joden betekende te worden besneden en de wet van Mozes onderhouden (Hand.15:1,5) in tegenstelling tot de waarheid van het evangelie van Christus. Dit was nu juist het verdraaide evangelie wat Paulus zo heftig aanviel in deze brief aan de Galaten: redding door geloof in Christus plus de werken van de wet of andere menselijke pogingen. Dit was de antithese van het evangelie van Gods Genade.

Elders geeft de apostel Paulus zijn lezers de raad om op te passen voor deze en soortgelijke invloeden, hoe subtiel ook, die trachten tot in onze dagen de waarheid en de eenvoud van het evangelie van Christus te verdraaien. In zijn brief aan de Colossenzen, hoofdstuk 2, waarschuwt Paulus de heiligen: "Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus" (Col.2:8). Wat Paulus hier en in de volgende verzen doorgaf waren de klassieke vormen van religieus syncretisme: de verdraaiing van de waarheid van het evangelie door te pogen om het in harmonie te brengen met bepaalde philosofische overwegingen, of door de mens ingebrachte tradities, of wettelijke vereisten, of ascetische beperkingen.

Sta hier een ogenblik stil en kijk eens naar het Christendom van vandaag, zoals het zich na bijna 2000 jaren heeft ontwikkeld. Onder de milliarden mensen die zich Christenen noemen zult u elke mogelijke verdraaiing van de waarheid vinden waarvoor Paulus waarschuwde, en nog meerdere. De grootste fout, de oorzaak van al de andere, is de leer van de rechtvaardiging door geloof EN werken, oftewel menselijke verdienste. Dit heeft tot resultaat de leer dat wij IN CHRISTUS NIET HELEMAAL VOLMAAKT zijn. Een der redenen voor deze beschamende conditie is het falen van vele Christelijke leidslieden om het Woord der waarheid recht te snijden, zoals Paulus aanbeval in 2 Tim.2:15. Dit is wat veel van deze leidslieden, van de vroegere kerkvaders tot de moderne theologen van deze tijd, nagelaten hebben; onderscheid te maken tussen de waarheid van het evangelie van Gods Genade voor deze bedeling, en de verschillende andere evangelische waarheden zoals deze in Gods Woord alleen voor Israel zijn geopenbaard. Het resultaat is, om het met Paulus' woorden te zeggen, "Die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen" (2 Tim.3:7)

Binnen de geschiedenis van het Christendom zien we een spoor van bloedvergieten in talloze godsdienstoorlogen, in vervolgingen, in de Inquisitie en zelfs in de Holocaust, alles ten slotte verbandhoudend met het falen van de mens om de waarheid van het evangelie in stand te houden. Onlangs riep een voorname leidsman van de Rooms-Katholieke Kerk Christenen op om in het openbaar schuld te belijden voor de rol van de Kerk bij de Jodenvervolging door de eeuwen heen. Hierbij voerde hij de oorzaak van het anti-Semitisme terug tot de eerste dagen van de Kerk, MET VERMELDING van Schriftgedeelten die Joden en het Judaïsme aantasten, in het bijzonder in het evangelie naar Johannes. Is dit wel zinvol? Is dit het Woord van God recht snijden? Inspireerde de Geest van God de Apostel Johannes om zijn eigen volk te smaden en de anti-Semitische gedragingen bij Christenen te bevorderen, zo dat zij de Joden zouden vervolgen wegens "vermoorden van de Messias"? Nee, de Schriften zijn geen probleem. Het probleem is dat de kerk hielp deze houding te koesteren door eigen onbekwaamheid of onwil om de waarheid van het Evangelie van Christus vast en hoog te houden.

Het antwoord van Paulus op deze ketterijen van binnen uit, die de eenheid van de Kerk zo verscheurde, is heel eenvoudig en aanwijsbaar: Gods Woord als zodanig toereikend tot geloof en praktijk (2 Tim.3:14-17), maar wij MOETEN het Woord der waarheid recht snijden (2 Tim.2:15). Geestelijke waarheid MOET geestelijk worden onderscheiden (1 Cor.2:6-16). Alles in de Bijbel is waarheid, maar de waarheid voor Zijn Gemeente is speciaal geopenbaard in het evangelie van Paulus (zie Gal.1:11,12; Rom.16:25), en alleen gepersonifieerd in de verheerlijkte Here (Eph.4:20,21). In Christus "zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen...in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk." "En GIJ ZIJT IN HEM VOLMAAKT, Die het Hoofd is van alle overheid en macht" (Col.2:3,9,10). Hij is ons alles in allen (Eph.1:23).

Elke versie van het evangelie die niet strookt met het evangelie van Paulus is een verdraaiing van het evangelie (Gal.1:6,7). Het is bijvoorbeeld fout om de waarheid van het evangelie te niet te doen door bedekking met leringen en overleveringen van mensen (Eph.4:14; Col.2:8-22; Zie ook Matt.15:1-9, waar de Here hetzelfde probleem aansnijdt m.b.t. de Wet). Het is dwaalleer om de leer van redding door genade door geloof PLUS werken te leren (Rom.11:6; 2 Tim.1:9 cf. Eph.2:8-10). Om kort te gaan, elke poging om de waarheid van het evangelie, op welke manier ook, te verdraaien b.v. door wet en genade of werken en genade, of ook zonde en genade (zoals in Rom.3:8; 6:1), is tegen de waarheid en niet vóór de waarheid. Voordat u iemands woorden aanneemt als "evangelische waarheid", verzeker u ervan dat hij "het Woord der waarheid recht snijdt" (2 Tim.2:15).

Laten wij ons toch voegen bij de apostel Paulus door getrouw de waarheid van het evangelie hoog te houden, "opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind van leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen; maar de waarheid betrachtende IN LIEFDE, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus" (Eph.4:14,15).

^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011