De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

DE VERBORGENHEID VAN HET EVANGELIE

Door: C.R. Stam

"En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; waarvoor ik een gezant ben in een keten, opdat ik daarin vrijmoedig moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken." (Efeze 6:19-20)

"En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; waarvoor ik een gezant ben in een keten, opdat ik daarin vrijmoedig moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken." (Efeze 6:19-20)

In het algemeen verstaat men onder het woord "evangelie": "goed nieuws". Zo wordt dat woord ook meestal gebruikt. Maar veel mensen zijn zich er niet van bewust dat het woord "verborgenheid" in het Nieuwe Testament eenvoudigweg "geheim" betekent. In het Grieks gebruikt men dit woord, zoals wij in het Nederlands het woord "geheim" gebruiken. Namelijk om te verwijzen naar iets wat verborgen wordt gehouden voor anderen, of naar iets wat alleen begrepen wordt door ingewijden, een sleutel of clou. In het laatste geval bijvoorbeeld kunnen we spreken over het "geheim" van iemands succes.

PAULUS' EVANGELIE WAS HET GEHEIMENIS

Uit veel gedeelten in de brieven van Paulus, waarin hij verwijst naar "het geheimenis", blijkt dat hij hiermee zijn evangelie bedoelt. Niet een bepaald, specifiek onderdeel van zijn boodschap, maar zijn gehele boodschap. In Romeinen 16:25 bijvoorbeeld zegt hij: "...mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest; Maar nu geopenbaard is..."

In zijn brief aan de Galaten (één van zijn eerste brieven) geeft hij als het ware het getuigschrift weer van zijn autoriteit als apostel in deze zaak, en het unieke van zijn boodschap als zodanig. "Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus." (Galaten 1:11,12)

Sommigen beweren dat Paulus tenminste twee evangelieën verkondigde: een Joodse Koninkrijksboodschap voor zijn gevangenschap en zijn boodschap voor het lichaam van Christus vanaf zijn gevangenschap, (dit ondanks het feit, dat zijn eerste brieven geschreven zijn zelfs voordat hij naar Rome ging, en veel bevatten over het geheimenis. Het wordt niet minder dan vijf maal zo aangeduid). Dit betekent dat de tegenwoordige bedeling, volgens deze theorie, begint bij of na Handelingen 28. Deze zienswijze is niet alleen onschriftuurlijk, maar het veroorzaakt zelfs meer verwarring dan de zienswijze dat de tegenwoordige bedeling begint bij Handelingen 2.

Jaren geleden probeerde een vooraanstaande Bijbelleraar deze theorie te bewijzen, door een beroep te doen op Handelingen 26:22. We halen hier de woorden aan die Paulus sprak tot Agrippa: "Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou:"

Op een dramatische manier werd Paulus door hem (de Bijbelleraar fungeerde nu als ondervrager) aan een "kruisverhoor" onderworpen. Hij vroeg Paulus wat hij predikte, en daarop antwoordde Paulus (de ondervrager fungeerde nu als verdediger):"Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou:"

Door vanuit elke mogelijke hoek vragen te stellen, probeerde de "ondervrager" de apostel onder druk te zetten, maar het lukte hem niet om Paulus te bewegen van zijn bewering dat hij tot op die dag niets anders gepredikt had, dan wat Mozes en de profeten gesproken hadden, wat geschieden zou, af te brengen.

Na de dienst vroegen een aantal voorgangers en christelijke leiders aan de Bijbelleraar, waarom hij niet het volgende vers aangehaald had. Daar wordt namelijk Paulus' verklaring aangeduid, en het vers laat zien dat zijn prediking dat "de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen, aan dit volk, en aan de heidenen" niets anders was dan wat de profeten en Mozes al lang voorspeld hadden.

De omringende groep critici noemden daarna het ene na het andere punt op wat Paulus gepredikt had vóór die tijd, en welke niet voorspeld was door de profeten of Mozes. Bijvoorbeeld de behoudenis van de heidenen door de val van Israël, de vorming van het ene lichaam uit gelovige Joden en heidenen, de bovennatuurlijke doop van de gelovige in Christus enz. Allemaal zaken die Paulus gepredikt had vóór zijn verhoor door Agrippa. Nu werd de "ondervrager" verhoord, en hij bleek niet succesvol. Uiteindelijk trok hij zijn jas aan, en met de woorden "laten we gaan jongens" vertrok hij naar zijn auto.

De schrijver heeft een soortgelijke ervaring gehad met misschien wel de vertegenwoordiger van de "Handelingen 28-theorie" in Groot Brittannië van de afgelopen generatie. In een brief aan deze broeder vroegen wij hem waarom hij in een boek over de positie van Handelingen 28 (The Dispensational Frontier, Charles H. Welch, page 4) alleen Handelingen 26:22 aanhaalde, en niet vers 23, om te bewijzen dat het geheimenis niet aan Paulus geopenbaard was vóór zijn gevangenschap in Rome. We ontvingen een antwoord hierop wat erop neerkwam dat het altijd gemakkelijk is om zulke vragen te stellen. Maar onze vraag bleef onbeantwoord. We schreven hem daarom weer, en deelden hem mee dat onze vraag, gesteld in alle oprechtheid, eerlijk beantwoord diende te worden. Op deze brief ontvingen we geen antwoord.

In aansluiting op de gedeelten die we al aangehaald hebben, zijn er ook anderen die zeer overtuigend bewijzen dat "het geheimenis" zowel vóór als na de gevangenschap van Paulus in Rome zijn evangelie was.

Niemand zal twijfelen aan het feit dat Paulus opgedragen werd "het evangelie van de genade van God" te verkondigen. Maar sommigen missen het feit dat Paulus in Handelingen 20:24 deze boodschap bestempelde als dat ene evangelie welke hij gepredikt had vanaf het begin van zijn bediening tot op die dag, en hoopte het getrouw te prediken tot het einde."...opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade van God."

Dat dit evangelie het geheimenis was, geopenbaard aan hem door de verheerlijkte Heer, maakt de apostel kristalhelder in Efeze 3:1-4: "Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt. Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid (gelijk ik met weinige woorden tevoren geschreven heb; waaraan gij, dit lezende kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus,)"

Het spijt ons altijd dat er mensen zijn die veronderstellen dat het geheimenis gewoonweg een onderdeel is van Paulus' belangrijke boodschap zoals bijvoorbeeld de waarheid over het ene lichaam, de hemelse positie van de gelovige, zijn doop in Christus, of een ander onderdeel, terwijl hiermee in feite de volledige grootse boodschap van de apostel bedoeld wordt, namelijk, de verrassing dat een God van liefde naar een wereld kwam die gedoemd was om geoordeeld te worden.

Hiermee bedoelen we niet dat de apostel nooit iets noemde wat de profeten al voorspeld hadden - dat doen wij ook - maar dat de boodschap, die hij van God gekregen had, en onze boodschap "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis" (Romeinen 16:25) is. De apostel benadrukt dit sterk.

We moeten niet vergeten dat op de Pinksterdag "de laatste dagen" al begonnen waren (Handelingen 2:16-21). Dat het toneel voor God al klaar was om Zijn toorn uit te gieten, over een wereld die Christus verworpen had. Maar juist op dat moment onderbrak God, uit oneindige genade, het profetische programma, redde Saul van Tarsus, en zond hem uit om "het evangelie van genade van God" te verkondigen, een boodschap die in feite verborgen was gehouden totdat het geopenbaard werd aan en door Paulus.

DE HIERAAN VERBONDEN GEHEIMENISSEN

Niettemin, het is duidelijk uit de brieven van Paulus, dat het geheimenis verschillende aspecten had, die in verschillende termijnen aan hem geopenbaard werden, en die op zichzelf belangrijk waren. We zouden ze de "hieraan verbonden geheimenissen" kunnen noemen. Deze, tezamen met het geheel, waren geheim gehouden totdat ze door de apostel Paulus geopenbaard werden. We vinden een duidelijk bewijs van dit feit in I Korinthe 4:1,2, waar de apostel zegt: "Alzo houde ons een ieder mens voor dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods. En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden wordt."

Talrijke boeken zijn geschreven over "de geheimenissen van God". Zij bevatten "de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen", "het geheimenis van de zeven sterren", "het geheimenis van Babylon" enzovoort, goddelijke geheimenissen die op geen enkele manier in verband staan met het grote geheimenis welke door Paulus geopenbaard is. Dit is een vergissing, omdat in I Korinthe 4 (zie boven) de apostel duidelijk verklaart dat het zijn wens is dat hijzelf en diegenen die met hem verbonden waren, bekend mochten staan als "uitdelers der verborgenheden Gods", en dat zij als zodanig "getrouw bevonden mochten worden". Dit is moeilijk toe te passen op de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen, of de zeven sterren, of Babylon.

Voordat we meer gedetailleerd ingaan op de verschillende geheimenissen die door Paulus geopenbaard zijn, is het belangrijk om in gedachten te houden dat de door de Heilige Geest geïnspireerde apostel ons maant om volgelingen van hem te zijn: "Weest mijn navolgers, gelijk ook ik van Christus" "Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op hen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt". (I Korinthe 4:16, 11:1, Filippensen 3:17).

Hij zei dat hij graag bekend zou staan als een dienaar van Christus, en als een uitdeler der verborgenheden van God. Wat zijn er weinig mensen van God die ook als zodanig bekend willen staan!

Laten wij dan, als mensen die zich verantwoordelijk weten voor het "rentmeesterschap", sommige verschillende aspecten van het belangrijke geheimenis zoals geopenbaard door Paulus, in detail gaan beschouwen.

ROMEINEN 11:25

"Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn."

Het brengen van de heidenen in de gunst van God, terwijl Israël verblind is, wordt hier "deze verborgenheid" genoemd, en de apostel verklaart dat hij wil dat dit niet onbekend zal zijn bij de gelovigen.

Eerder in hetzelfde hoofdstuk, laat hij zien hoe "door hun val de zaligheid voor de heidenen geworden is" (vers 11), hoe "hun val", de "rijkdom der wereld" geworden is, en "hun vermindering" "de rijkdom der heidenen" (vers 11,12). Inderdaad, hij spreekt over "hun verwerping" in verband met "de verzoening der wereld" (vers 15). De heidenen zouden volgens profetie - en zo zullen zij in de toekomst - gezegend worden door de opkomst van Israël en niet door haar val. Jesaja beschrijft dit schouwspel in indrukwekkende taal:

"Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de Heere opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan." (Jesaja 60:1-3)

Gelovigen behoren niet onwetend te zijn van het feit dat de zegening van de heidenen door de opkomst van Israël behoort tot profetie, terwijl de zegening van de heidenen door de val van Israël in deze tegenwoordige bedeling "deze verborgenheid" wordt genoemd (Romeinen 11:25). Nadat hij "deze verborgenheid" besproken heeft, verwijst de apostel weer naar profetie, en verzekert ons: "alzo zal geheel Israël zalig worden, gelijk geschreven is." (vers 26)

KOLOSSENSEN 1:24-27

"Die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de gemeente; Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods; Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; Aan wie God heeft willen bekend maken, welke de rijkdom der heerlijkheid van deze verborgenheid is onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid."

Hier lezen we voor de tweede keer de uitdrukking "deze verborgenheid", "deze verborgenheid onder de heidenen" (vers 27). Dit staat duidelijk in verband met "de verborgenheid die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (vers 26).

Wat is dan "deze verborgenheid onder de heidenen"? Om dit te begrijpen gaan we het vergelijken met de Oud-Testamentische profetie met betrekking tot de heidenen.

In Romeinen 15:8-12 verklaart de apostel Paulus zelf: "En ik zeg, dat Jezus Christus een Dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen; En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is; Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw naam lofzingen." (vers 8,9). Dit verwijst duidelijk naar het duizendjarig vrederijk, wanneer de beloften aan Israël vervuld zullen worden, en de heidenen God zullen verheerlijken vanwege Zijn barmhartigheid. Dan vervolgt de apostel met het citaat uit Deuteronomium 32:43 en Jesaja 11:10 waar we lezen:"Juicht, gij heidenen met Zijn volk!" en "...die opstaat om over de heidenen te gebieden, op Hem zullen de heidenen hopen."

Dit alles zal, wanneer het plaats zal vinden, een vervulling van profetie onder de heidenen zijn, en verwijst duidelijk niet naar de tegenwoordige tijd van genade. Vandaag verblijden de heidenen zich niet met Israël, en zij genieten niet van het koninkrijk op aarde waar Christus als Koning regeert.

Maar de heidenen worden in deze tijd behouden, geheel apart van deze beloften en alleen uit de genade van God, door Christus Die voor onze zonden gestorven is. Zij gaan niet naar Joodse synagogen om Christus te vinden. Zij hebben Christus leren kennen geheel apart van Israël. Zij bezoeken gemeentesamenkomsten die bijna alleen uit heidenen bestaan, en daar aanbidden zij de God van Israël en haar Messias (natuurlijk als Hoofd van het "ene lichaam"). Wat betekent dit? Zeker is dit niet de vervulling van profetie met betekking tot de heidenen. Maar veeleer is het datgene wat Paulus noemt "deze verborgenheid onder de heidenen", een werk van genade, nooit beloofd of voorspeld, maar als eerste bekendgemaakt door openbaring aan en door de apostel Paulus (zie Kolossensen 1:24-27). Dus de woorden "Christus onder u" verwijzen niet naar Christus in de individuele gelovige, maar in het lichaam van gelovigen.

Hoe diep dankbaar behoren wij "heidenen naar het vlees" te zijn dat we het voorrecht hebben om elkaar elke week te ontmoeten en Israëls Messias te aanbidden als onze God en onze Heer, het Hoofd van "de Gemeente welke is Zijn lichaam"! De Gemeente van vandaag is natuurlijk een lichaam samengesteld uit gelovige Joden en heidenen, maar praktisch gezien is het een werk onder de heidenen, daar er maar weinig Joden onder hen zijn. "De zaligheid is uit de Joden", zei onze Heer toen Hij op aarde was - Johannes 4:22 - maar na Zijn verwerping door Israël zei Paulus tot de Joden te Rome: "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods tot de heidenen gezonden is, en dezen zullen horen." (Handelingen 28:28) En hoe nederig behoren wij te zijn ten opzichte van de rijke zegeningen van genade die tot ons gekomen zijn door de val van Israël.

EFEZE 3:6-9

"Namelijk dat de heidenen medeërfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie; Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht. Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid is, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;"

Voordat we meer gedetailleerd ingaan op dit gedeelte, moet opgemerkt worden dat het Griekse voorzetsel "su" of "sun" drie keer in dit vers voorkomt. Dit voorzetsel heeft de betekenis van het Nederlandse "mede", zodat het vers als volgt weergegeven kan worden: "Namelijk dat de heidenen medeërfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus door het Evangelie;" (vers 6).

De gezegende waarheid van "hetzelfde lichaam" (zie ook: I Korinthe 12:13) met de daartoe behorende zegeningen is ook één van de "verbonden geheimenissen" die Paulus verkondigde. Het is zelfs één van de kernthema's, want onmiddellijk nadat Paulus had bekendgemaakt dat zijn "goede nieuws van de genade van God" een geheimenis was, aan hem geopenbaard (vers 1-5), behandelt hij dit aspect daarvan, en voegt eraan toe dat zijn wens is: "En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid is, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God.."(vers 9)

I KORINTHE 15:51-53, I THESSALONICENSEN 4:16-18

"Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen."

"Want de Here Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Here wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden."

De hoop die Israël werd voorgespiegeld in het Woord van God was, natuurlijk, de wederkomst van Christus naar de aarde om deze slechte wereld te oordelen, en als Koning te regeren in de stad Jeruzalem, (Jeremia 23:5-8).

Toen onze Here op aarde was, heeft Hij nooit aan Zijn apostelen of discipelen de belofte gegeven dat zij opgenomen zouden worden om eeuwig met Hem te zijn. Dit is duidelijk de "gezegende hoop" van de leden van de "Gemeente die Zijn lichaam is". Het was een "verborgenheid" als eerste geopenbaard aan Paulus "door het Woord des Heren".

Voordat God de zonden en moeilijkheden van deze wereld zal toestaan om tot een hoogtepunt te komen, en de volkeren zal oordelen in Zijn toorn; voordat Hij de oorlog verklaart aan Zijn vijanden, (Psalm 2:4-9) zal Hij Zijn ambassadeurs terugroepen (II Korinthe 5:20, I Thessalonicensen 4:16-5:10). Dit is onze "gezegende hoop".

Wanneer zal dit plaatsvinden? Niemand weet dat. Geen teken is gegeven om de komst hiervan aan te kondigen. Elke dag is een dag van genade, pure genade. De gelovigen in Thessalonica "wachtten" op de komst van de Here, (I Thessalonicensen 1:10) evenals de Korinthiërs "verwachtende de openbaring van onze Here Jezus Christus", (I Korinthe 1:7). De Filippensen werden opgedragen om "de Zaligmaker te verwachten", (Filippensen 3:20), en Titus werd verteld dat gelovigen behoorden te "verwachten de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus;" (Titus 2:13).

Bovendien realiseerde Paulus zich dat de Here ook kon komen om Zijn mensen tot Zich te nemen, tijdens zijn eigen leven, zoals de "wij" van I Korinthe 15:51-52 en I Thessalonicensen 4:17 aanduidt.

Dit alles leert ons een belangrijke les: de waarheid van de opname van de Gemeente om met Christus te zijn, is niet gebaseerd op profetie, maar op de openbaring van het geheimenis, zoals geopenbaard door Paulus. Niet op een verbond, maar volledig op genade. Wat de geschreven openbaring betreft: de Here had de bedeling van genade kunnen sluiten, en de Zijnen tot Zich kunnen roepen tijdens of vlak na de verkondiging van genade door Paulus of op elk moment vanaf die tijd tot op deze huidige dag.

Uit tedere genade heeft onze Here de dag van genade verlengd, en Zijn komst uitgesteld tot nu toe. Maar laat geen enkel mens dit uitleggen als een reden om te veronderstellen dat Hij nog wel langer zal wachten om de bedeling van genade tot een einde te brengen. Want dit terugroepen van Zijn ambassadeurs is beloofd, en dit alles zal plaatsvinden in "een punt des tijds" (I Korinthe 15:52). Degenen die Zijn genade geweigerd hebben, zullen achtergelaten worden tot hun oordeel, (II Thessalonicensen 2:7-12). We kunnen beter de woorden van Paulus goed in ons opnemen. Hij vermaande de mensen:

"En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben. Want Hij zegt: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid!" (II Korinthe 6:1,2)

Op deze basis behoren gelovigen acht te slaan op zijn vermaning: "Ziet dan, hoe gij voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen. De tijd uitkopende, daar de dagen boos zijn. Daarom, weest niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heren is." (Efeze 5:15-17)

Hoe belangrijk is het dan, dat we het onderwerp wat we besproken hebben, serieus beschouwen, zodat we een verstandig begrip krijgen van Gods wil en doel.

EFEZE 1:9,10

"Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelf. Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in de hemel is, en wat op de aarde is;"

"Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelf. Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in de hemel is, en wat op de aarde is;"

We komen nu bij het hoogtepunt van de grote verborgenheid die geopenbaard is aan Paulus, want de vorming van "hetzelfde lichaam" vandaag (Efeze 3:6-9), is niet hetzelfde als de vergadering van alles wat in de hemel en op de aarde is "in de bedeling van de volheid der tijden". Ja, het is zelfs moeilijk om te begijpen hoe het feit dat alles in Christus vergaderd zal worden zowel wat in de hemel als op de aarde is, kan behoren tot het geheimenis wat aan Paulus geopenbaard is, totdat we het feit herkennen dat God nu het lichaam van Christus aan het vormen is om te laten zien dat ware eenheid alleen in Christus bestaat. (Merk op dat wat onder de aarde is niet genoemd wordt, noch in Efeze 1:10, noch in Kolossensen 1:20. Dus algemene verzoening wordt niet geleerd in deze gedeelten. Wat onder de aarde is, wordt wel genoemd in Filippensen 2:10, maar daar is algemene onderwerping het thema.)"Alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden." (Romeinen 12:5)

Onderstreep de woorden "in Christus" in dit gedeelte, en u zal de essentie van de eenheid van Gods kinderen vinden.

Wij zijn zeker geografisch gezien niet één, want sommigen van ons wonen in San Francisco, Rotterdam, Shanghai, en sommigen in de hemel. Noch zijn we lichamelijk één. Want in tegenstelling tot de delen van het menselijk lichaan die zo sterk met elkaar in verband staan, zijn wij allemaal aparte individuen, met persoonlijke gedachten, harten en wil. Noch zijn we theologisch gezien één, want zelfs tussen de oprechtste gelovigen bestaan veel leerstellige verschillen. Noch zijn we één in hart en ziel zoals de gelovigen met Pinksteren. Met uitzondering van deze korte periode in de geschiedenis, toen al Gods kinderen "vervuld waren met de Heilige Geest", is het een zeldzaamheid geworden om zelfs twee mensen te vinden die waarlijk en volledig "één van hart en ziel zijn".

Op welk terrein zijn gelovigen dan waarlijk één? Het antwoord is: in Christus. Ware eenheid bestaat nergens anders. Wij zijn als gelovigen "gedoopt in Christus". Door geloof "gedoopt in Zijn dood", (Romeinen 6:3), toen we het feit erkenden dat onze Here niet voor Zijn eigen zonden op Golgotha is gestorven, maar voor onze zonden. Op dat moment stierf Hij eigenlijk onze dood. Zoals Hij één met ons werd op Golgotha uit oneindige genade, zo zijn wij één met Hem geworden uit eenvoudig geloof: de genade wordt toegewezen op grond van geloof. Wat een gezegende eenheid!

Adam's eerste twee kinderen oefenden hun wil uit in tegengestelde richtingen, zodat de beschrijving van de val begint met een wrede moord. De bladzijden van zowel de "geestelijke" als de wereldse geschiedenis staan vol van ongelukkige weergaven van de verdeelde wil van de mens. Tot nu toe zijn er miljarden mensen geweest, die elk een eigen wil hadden. Als God niet een "naijverig God" was die erop toe blijft zien dat Hij in het centrum van alles blijft staan, zou het universum al snel uit balans geraken en uit elkaar vallen. Daarom kwam God de Zoon, onze Here Jezus Christus, naar deze wereld zodat we ware eenheid in Hem zouden vinden. En omdat alleen in Christus ware eenheid gevonden wordt, kunnen we deze eenheid alleen waarderen als we dit feit erkennen.

Net zoals voor de spaken in het wiel, geldt ook voor ons dat hoe dichter we qua ervaring bij Christus zijn, hoe dichter we bij anderen zullen staan die ook dicht bij Christus leven. Onze eenheid is alleen te vinden in Christus.

Twee mannen zaten naast elkaar in een stoel op het dek van een groot schip. De ene man stond op om een rondje over het dek te lopen. Toen hij terugkwam, ging hij aan de railing staan om de oceaan te bekijken. Een andere man kwam langs, bleef bij hem staan, en begon een gesprek. Binnen korte tijd waren ze gewikkeld in een druk gesprek, drukten elkaars handen, klopten elkaar op de rug, en lachten. Het leek erop of ze elkaar graag mochten. Toen de eerste man uiteindelijk naar zijn stoel terugkeerde, zei zijn buurman: "Ik zag dat je een dierbare, oude vriend bent tegengekomen. Wat een leuke verrassing!" "Oh nee", antwoordde de ander, "Ik heb hem nog nooit eerder gezien", Dit verbaasde zijn buurman en hij begon gelijk veel vragen te stellen. Alle vragen werden echter beantwoord toen de eerste man zei: "Kijk, zie je, we zijn allebei christenen". Het antwoord van de buurman hierop: "Wel heb ik van mijn leven! Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!" En hoe waar is dit! Er kan sprake zijn van een vereniging, incorporatie, vermenging, broederschap, commune, kerkelijke gezindte, gilde, partij, genootschap, bond, verbond, coalitie, of combinatie, maar toch niet van ware eenheid, want dit vindt men alleen in Christus.

Alle gelovigen uit alle tijden die nu nog maar gedeeltelijk deze eenheid ervaren, zullen één dag een gezegend deel uitmaken van "alles tot één te vergaderen in Christus!"

DE VERBORGENHEID VAN HET EVANGELIE

We keren terug naar ons uitgangspunt: de verborgenheid van het evangelie. Zoals we gezien hebben, heeft Paulus veel te zeggen over het goede nieuws, wat aan hem toevertrouwd was nl. "het geheimenis".

Maar in Efeze 6:19-20 verwijst Paulus niet naar het evangelie van "het geheimenis", maar naar "de verborgenheid van het Evangelie". Wat is de verborgenheid of het geheim, van het evangelie van de genade van God?

Wij geloven dat als we de grote waarheden in de brieven van Paulus bestuderen, we zullen zien dat de verborgenheid van het evangelie te vinden is in het kruis, zoals Paulus dit gepredikt heeft. Hij noemt zijn boodschap met nadruk "de prediking van het kruis", (I Korinthe 1:18-25).

Eén van de belangrijkste feiten van de bedelingswaarheid is dat Paulus het kruis anders gepredikt heeft dan Petrus op de Pinksterdag. Petrus beschuldigde zijn toehoorders van de dood van Christus, en eiste van hen, dat "een ieder van u" zich zou bekeren en laten dopen tot vergeving van zonden, (Handelingen 2:38). Paulus predikte het kruis "volgens de openbaring van het geheimenis", het kruis en alles wat dit tot stand gebracht heeft.

Paulus' "prediking van het kruis" is de kern van al het goede nieuws wat aan hem geopenbaard is. Volgens de prediking van Paulus geldt:

- dat gelovigen: "...worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;" (Romeinen 3:24).

- dat vijanden: "...met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon," (Romeinen 5:10).

- dat Hij: "...die beiden (Jood en heiden) met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap daaraan gedood hebbende." (Efeze 2:16)

(Opmerking: volgens profetie veroorzaakte het kruis een scheiding tussen God en de mens - Psalm 2:4-9, 110:1 - maar volgens het geheimenis deed het kruis de scheiding te niet).

- voor onze hemelse positie: waren we "kinderen der ongehoorzaamheid;" en daarom "kinderen des toorns, gelijk ook de anderen; Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft...heeft ons levend gemaakt met Christus, uit genade zijt gij zalig geworden, En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus." (Efeze 2:2-6)

- dat de zegening van de heidenen tegenwoordig door de val van Israël tot stand is gekomen: "door het bloed Zijns kruises" (Kolossensen 1:20-27).

- Dat de Here zal komen om ons op te nemen: het hoofdstuk dat al het goede nieuws bevat over de dood, begrafenis, opstanding en wederkomst van Christus, begint met de woorden: "...dat Christus gestorven is voor onze zonden," (I Korinthe 15:3).

- dat in de "toekomende eeuwen" God "de uitnemende rijkdom van Zijn genade zal betonen, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus." (Efeze 2:7)

Alle zegeningen die gelovigen ontvangen, met inbegrip van vooral "het geheimenis" en de daaraan "verbonden geheimenissen" zoals geopenbaard aan Paulus, zijn gekocht door het dierbaar bloed van Christus, wat voor ons vergoten is op Golgotha. Zijn schaamte kocht onze heerlijkheid, Zijn veroordeling onze rechtvaardigmaking, Zijn verdriet onze vreugde, Zijn vloek onze zegening.

Daarom behoort het avondmaal des Heren zo'n heilige en wondervolle ervaring te zijn voor de leden van het lichaam van Christus. Want het is een tastbare herinnering aan het feit dat Christus naar de aarde moest komen, een menselijk lichaam moest aandoen, werd geslagen, gegeseld en bespuwd, en Zijn bloed gaf voor ons, opdat wij een hemelse positie zouden verkrijgen, met alle geestelijke zegeningen. Wat een liefde!

Wij willen graag aan elke ongelovige vriend die deze regels leest, vertellen dat u een zondaar bent, die alleen de toorn van God verdient. Geloof dat Christus uw verdiende dood stierf aan het kruis op Golgotha.

God houdt van u! Christus stierf voor u!

"Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden," (Handelingen 16:31).

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011