|
14)
Wáár vinden wij in de Bijbel dat de Grote Opdracht die gegeven
was aan de twaalf
tijdelijk buiten werking is
gesteld?
Dat is een goede vraag. De meeste kerken werken onder de Grote
Opdracht. Zij geloven dat er geen onderbreking is geweest van de
Grote Opdracht tussen de tijd dat hij gegeven is en nu.
Maar in feite is de buiten werking stelling erkend op de vergadering
te Jeruzalem. In Galaten 2 legt Paulus uit waarom hij een
vergadering had met het overblijfsel van de twaalf apostelen. In
Galaten 2:7-9 lezen we: “Maar daarentegen, als zij(de
apostelen) zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid
toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;” Der
voorhuid betekend dat zij geen deel waren van het Joodse programma.
Besnijdenis was een Joods ritueel. Hij spreekt over een boodschap
die geen rituelen bevat, geen wet, niet het houden van de wet en
alle andere verordeningen die daar mee samen gaan. “Maar
daarentegen, als zij zagen, dat aan mij(zegt Paulus) het
Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus
dat der besnijdenis; (Want Die in Petrus krachtelijk
wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook
krachtelijk in mij onder de heidenen) En als Jakobus, en
Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade,
die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter
hand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de
besnijdenis zouden gaan”. Maar hoe kunnen zij dat doen? Zeker
twee van deze mannen waren er bij toen de Heere hen opdracht gaf om
de gehele wereld in te gaan beginnend vanuit Jeruzalem, Judea en
Samaria en dan tot de uiterste delen van de aarde.
Hoe konden Petrus en Johannes die bij de Heere waren toen Hij zei
dat zij de gehele wereld in moesten gaan nu opeens zeggen, “Wij gaan
niet meer naar de volkeren, Paulus, dat doe jij. Wij gaan naar de
besnijdenis”. Hoe kunnen ze dat doen? Zij kunnen dat doen omdat God
iets nieuws aan hen heeft geopenbaard. Hij openbaarde dat God nu met
een nieuw programma was begonnen met de bedoeling om de redding naar
de volkeren te brengen. Het zou niet meer gaan overéénkomstig de
Grote Opdracht die Hij hen had gegeven. Het ging om een nieuwe
boodschap. De verantwoordelijkheid was niet alleen overgegaan naar
een nieuwe apostel, de apostel Paulus, er was hem ook een nieuwe
boodschap toevertrouwd. Dus het antwoord op de vraag, “Waar is de
Grote Opdracht buiten werking gesteld?” vinden we hier in Galaten
2:9 – waar het overblijfsel van de twaalf apostelen erkennen dat God
een nieuwe bediening en een nieuwe boodschap heeft gegeven aan
Paulus. Het is niet langer hun taak om naar de volkeren te gaan en
zij stopten op dat punt. Paulus en het nieuwe programma namen het
over met het Evangelie van de Genade van God.
Met die achtergrond gaan we nu terug en zullen naar verschillende
redenen kijken waarom de Grote Opdracht nu niet uitgevoerd kan
worden, tenminste niet op de manier zoals deHeere hen verteld had
dat ze het moesten doen. Mattheüs 28:18 zegt: “En Jezus, bij hen
komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in
hemel en op aarde. “Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve
dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen
Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En
ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der
wereld. Amen.” Veel mensen proberen deze instructies uit te
voeren, ze kunnen dit niet doen en óók nog schriftuurlijk zijn in
deze bedeling van Genade. Waarom? Ten eerste, om de Grote Opdracht
uit te kunnen voeren zoals hier beschreven staat moet u uw
volgelingen binden aan de wet van Mozes. Sommigen zullen zeggen:
“Waar staat dat?”. Let op het tweede gedeelte van vers 19, “Lerende
hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.” Heeft de Heere
Jezus Zijn discipelen geleerd om zich te onderwerpen aan de wet van
Mozes? Ja zeker. In Mattheüs 23:1-3 lezen we, “Toen sprak Jezus
tot de scharen en tot Zijn discipelen, Zeggende: De Schriftgeleerden
en de Farizeen zijn gezeten op den stoel van Mozes;” Dit is de
stoel van de wet, de autoriteit van de wet. “Daarom, al wat zij u
zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet
naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.”
Onze Heere gebood Zijn discipelen om zich te onderwerpen aan de wet
van Mozes. En toen Hij hen gebood om het koninkrijksevangelie naar
de wereld te brengen , zei Hij dat zij hen moesten leren onderhouden
alles wat Hij hen geboden had. Wat een contrast met wat Paulus later
leerde, “…want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
Rom. 6:14b.
Iets anders wat sommigen proberen te doen, maar wat niet zo goed
werkt, is: alles wat zij hebben verkopen en het aan de armen geven.
Hij leerde dit bij meer dan één gelegenheid. (Zie Mattheüs 19:21 en
Lukas 12:33). Leerden zij aan hen die zij bereikten om hetzelfde te
doen? Dat deden zij zeker! Lees Handelingen 2 en 4 waar de eerste
discipelen van de twaalf alles verkochten wat zij hadden en het
legden aan de voeten van de apostelen. De apostel Paulus heeft ons
nooit verteld dat wij dit moeten doen. Hij zegt ons om voorzichtig
te zijn en niet op rijkdom te vertrouwen, maar hij zegt ons niet dat
we alles moeten verkopen en het aan de voeten van de apostelen
brengen. Naar wélke apostelen zouden we het moeten brengen?
De opdracht van Mattheüs 28 uitvoeren zou betekenen dat wij de wet
moeten houden, alles verkopen en aan de voeten van de apostelen
leggen. Maar er zijn dingen die wij niet kunnen doen als wij gaan
proberen om die koninkrijksopdracht uit te voeren. Een omstreden en
vaak aangehaalde tekst is Markus 16:15, “En Hij zeide tot hen:
Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle
kreaturen.” Meestal is dit het gedeelte wat wordt aangehaald
over de Grote Opdracht. Dit gedeelte klinkt mooi. Zeker, dit moeten
we doen. Maar de details die de Heere hen verteld zijn niet
verenigbaar met de bedeling van genade.
Dit is een koninkrijksopdracht. Vers 16 zegt: “Die geloofd zal
hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal
geloofd hebben, zal verdoemd worden.” Waar halen mensen het idee
vandaan dat waterdoop hen zal redden? Hier, door dit vers.
Overéénkomstig deze opdracht was waterdoop vereist samen met hun
geloof. Betekent dit dat het water hen redde? Nee. Maar het was een
daad van gehoorzaamheid dat hun geloof liet zien en als ze het niet
deden, liet dat zien dat ze geen geloof hadden. Sommige mensen
zullen u zeggen dat dit ook voor vandaag geldt. Maar de apostel
Paulus is duidelijk.
“Want
uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit
u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
Titus 3:5 “Heeft Hij ons
zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij
gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der
wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;”
Er was een tijd dat waterdoop vereist was in Gods programma. Dit is
nu niet het geval.
Markus 16:17, “En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen
deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen..”.
Dit is een koninkrijksteken. Wat zal er met de duivel gebeuren
in het koninkrijk? Hij zal 1000 jaar buitengeworpen worden. “…met
nieuwe tongen zullen zij spreken.” Welke taal zullen de mensen
in het koninkrijk spreken? De Bijbel zegt dat God hen een reine
spraak zal geven ( Zefanja 3:9). Iedereen zal op een dag in staat
zijn om opnieuw dezelfde taal te spreken. God gaf een gave aan die
mensen zodat het koninkrijk bekend te maken. Dit is vandaag niet het
geval. “Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets
dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden.” Mensen
proberen dat nu ook te doen, met alle gevolgen vandien. Dit is geen
opdracht voor ons vandaag. “… op kranken zullen zij de handen
leggen, en zij zullen gezond worden.” We zullen het onderwerp
genezing later bespreken, maar laten we voor nu vaststellen dat God
kan genezen, maar Hij is er niet toe verplicht.
Lukas 24:47, “En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en
vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.”
En Handelingen 1:8, “….te Jeruzalem, als in geheel Judea en
Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” Veel mensen zullen
dit gedeelte vergeestelijken en zeggen dat het betekent dat je in je
eigen stad moet beginnen. Onze Grote Opdracht, zeggen zij, is dat je
begint in je eigen stad, dan je provincie en dan je land en zo
verder. Is dat wat de Heere bedoelt? Nee. Ten eerste was Jeruzalem
niet de stad waar veel van de discipelen woonden. Hij bedoelde dat
ze in Jeruzalem moesten beginnen omdat Jeruzalem de hoofdstad zou
worden van de aarde, van het koninkrijksprogramma. Als de hoofdstad
niet gelooft, is het dan goed om van daaruit te beginnen?
Moeten we nu in Jeruzalem beginnen? 2 Korinthe 5 zegt dat wij
ambassadeurs van Christus zijn. Wij bevinden ons al in een vreemd
land. We zijn al zendelingen op de plaats waar we nu zijn. We mogen
heen gaan waar de Heere een deur opent, maar we hoeven niet in
Jeruzalem te beginnen.
De vierde en meest over het hoofd geziene verwijzing naar de Grote
Opdracht vinden we in Johannes 20. Hier lezen we dat Christus de
vergeving van zonden toevertrouwt aan menselijke middelaars.
Johannes 20:19-23, “Als het dan avond was, op denzelven eersten
dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen
vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het
midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! En dit gezegd hebbende,
toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden
verblijd, als zij den Heere zagen.Jezus dan zeide wederom tot hen:
Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende
Ik ook ulieden. En als Hij
dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den
Heiligen Geest. Zo gij iemands
zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden
houdt, dien zijn zij gehouden.”
Opnieuw herinneren wij u eraan dat in deze bedeling van genade
vergeving niet toevertrouwd is aan mensen. Er is één middelaar
tussen God en mensen, zegt Paulus, de mens Christus Jezus (1
Timotheüs 2:5 ). Maar in die tijd, onder de koninkrijksopdracht, gaf
God de autoriteit om zonde te vergeven aan de discipelen. Betekent
dat dat zij de kracht in zichzelf hadden? Nee, natuurlijk niet. Maar
zij hadden de autoriteit. Dit is iets wat wij vandaag niet hebben.
God heeft dit nu niet toevertrouwd aan de mens. Maar het was een
deel van de Grote Opdracht.
De Grote Opdracht was Joods, het was een koninkrijksopdracht, maar
het is niet onze opdracht voor vandaag. Velen die dit lezen zullen
vragen, “Betekent dat dat u niet in zending gelooft? Betekent dat
dat u niet gelooft dat je het Evangelie uit moet dragen?”. Zeker
niet. Wij geloven in een zending, maar niet in die van de twaalf.
Die is uitgesteld. God heeft ons een andere opdracht gegeven en het
is jammer genoeg de meest over het hoofd geziene opdracht in de hele
Bijbel. Wij hebben een tweevoudige opdracht.
Paulus zegt in 1 Timotheüs 2:4 dat God “wil, dat alle mensen
zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.” Dit zijn de
twee dingen die God wil dat wij doen in deze bedeling van de genade
van God. Hij wil dat alle mensen zalig worden en Hij wil dat
iedereen tot kennis van de waarheid komt. Wat houdt dit in? In 2
Korinthe 5:18,19 vinden we de bediening van de verzoening. Vers 18
“En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend
heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening
gegeven heeft.” Wat is dat? Vers 19-21 “Want God was in
Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet
toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Zo
zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade;
wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen. Want Dien,
Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt,
opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.”
Deze boodschap van verzoening is eenvoudig: God was in Christus de
wereld met Zichzelf verzoenende.Toen Christus naar deze aarde kwam,
stierf voor onze zonden, werd begraven en opstond uit de dood
betaalde Hij de hele prijs voor onze zonde. Door dat te doen
verzoende Hij de wereld. Dat betekend niet dat de hele wereld gered
is. Het betekend dat de wereld redbaar is. Dat is Gods aandeel. Nu
is het ons aandeel om het woord van verzoening te prediken, dat zegt
dat u verzoend moet worden met God. God verzoende de wereld. Dat is
iets wat wij niet kunnen doen. Wij kunnen niet betalen voor onze
eigen zonden. Wij kunnen ons eigen zondeprobleem niet oplossen. Nu
zegt Hij dat we verzoend moeten worden met God. Hoe doen we dat?
Door te geloven in wat God voor ons heeft gedaan door Christus. De
bediening der verzoening is het eerste deel van onze opdracht.
Het tweede deel vinden we in Efeze 3:9. Als iemand eenmaal is gered
dan wil God dat hij/zij de gemeenschap der verborgenheid zal
begrijpen. In vers 9 zegt Paulus, “En allen te verlichten,
dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid
zij”. Letterlijk in het Grieks is dat “bedeling van het
geheimenis”, “…die van [alle] eeuwen verborgen is geweest in
God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus”.
Wat is de gemeenschap of de bedeling van het geheimenis? Dat is het
feit dat God een nieuwe boodschap heeft geopenbaard door de apostel
Paulus die niet is geopenbaard aan de profeten en ook niet aan de
twaalf. Maar pas aan Paulus. En God wil dat iedereen dit weet. Dit
is onderdeel van uw opdracht. Men vraagt ons waarom wij zoveel
nadruk leggen op het geheimenis, op de boodschap die aan de apostel
Paulus is toevertrouwd. Omdat het onze opdracht is! God heeft tegen
ons gezegd dat we het moeten doen. Als we het niet doen zijn we
ongehoorzame kinderen.
Velen werken vandaag onder de opdracht die gegeven was aan de
twaalf. Wij kunnen hun prijzen dat ze iets doen, en toch zijn ze
geen getrouwe dienstknechten als ze niet doen wat God ons heeft
bevolen in deze bedeling van Genade. Wij bidden dat u een getrouwe
dienstknecht zult zijn en dat u Gods opdracht voor ons zult
uitvoeren. |