Nadat wij gezien
hebben, dat het begin van de bedeling van genade of het lichaam van Christus niet in
Hand.2 of Hand.28 plaats kon vinden, gaan we nu zien waar de verandering plaatsvond en op
welke manier. Het lichaam van Christus kon niet beginnen voordat de apostel Paulus
verscheen, omdat hij de apostel is die het fundament van deze bedeling gelegd heeft (I
Cor.3:10). Daarom is Handelingen 9, waar de bekering van de apostel Paulus wordt
beschreven, het prille begin van het lichaam van Christus.
Het feit dat in het boek Handelingen de
bekering van de apostel Paulus drie maal wordt beschreven, laat zien, dat het een heel
belangrijk moment was, (Hand.9:4-16; 22:3-21; 26:13-22). Ook schrijft de apostel zelf over
zijn bekering en doel in I Tim.1:15,16 en Gal.1:15,16 "Maar wanneer het Gode behaagd
heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn
genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door het Evangelie onder de heidenen
zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed" Gal.
1:15,16
Maar voordat wij verder praten over de
bekering van de apostel Paulus, moeten we enige tijd terug gaan naar de steniging van
Stefanus (Hand.7:54,60), dit om de omstandigheden te kunnen begrijpen, waarom er een
verandering van bedeling plaats MOEST vinden.
1. De steniging van Stefanus en de vervolging
van de gelovigen die daarop volgde, laat nogmaals de oorlog zien die de mens voerde tegen
God en tegen de bevestiging van Zijn wil op deze aarde (Ps.2:2). De taak van Israël was,
zoals wij in het profetisch woord lezen, om samen met hun Koning, de zegen naar de wereld
te brengen, (Jes.2:2-5; 11:10, Hand.3:25,26). Israël nam de woorden van de apostelen niet
aan, ondanks de drie toespraken van Petrus: in Hand.2:14-37; 3:12-25 en 4:7-12, een
toespraak van Petrus en de apostelen: Hand.5:29-32 en de toespraak van Stefanus in
Hand.7:2-53, maar stenigde Stefanus. De steniging was nogmaals een bericht dat zij Jezus
niet als hun Koning wilden accepteren.
De eerste keer heeft Israël de Vader als hun
Koning verworpen, (I Sam.8:7). De tweede keer heeft Israël de Zoon als hun Koning en
Verlosser verworpen en vervolgens hebben ze Hem gekruisigd, (Marc.15:13,14; 23-26). De
derde keer heeft Israël het getuigenis van de Heilige Geest verworpen, (Hand.7:51).
Israël heeft voor de laatste keer Gods's doel om Zijn Koninkrijk op aarde te bevestigen,
verworpen doordat ze nogmaals zeiden: "wij willen niet dat Deze over ons gaat
regeren". Dit is een vervulling van de woorden, die al eerder gezegd waren door de
Here Jezus toen Hij op aarde was, (Luc.19:14). Toen zij Stefanus stenigden, lasterden
tegen de Geest, hebben zij een zonde begaan die niet vergeven kon worden, (Mat.12:31,32 en
Marc.3:28). Naar aanleiding van deze fouten is er een verandering in Gods programma
gekomen. God riep een nieuwe apostel met een nieuwe boodschap: de boodschap van genade.
2. De leider van de vervolging was een man
die Saulus heette, (Hand.8:1-3, Gal.1:15, Hand.26:9-12 en Hand.22:5). Saulus werd beroemd
bij de Joden door zijn haat tegen Christus (Gal.1:13,14). Hier komt onze vraag: "Wat
gebeurt er met Gods profetisch doel, de zegening naar de wereld door Israël? Wat gebeurt
er met de belofte van Abraham? Hoe zullen de heidenen de zegening krijgen als Israël, het
kanaal waardoor de zegening moest komen, als natie in opstand komt tegen God en Zijn wil?
Het antwoord op al deze vragen is de mooiste
beschrijving die ooit gegeven is:
"WAAR EVENWEL DE ZONDE TOENAM, IS
DE GENADE MEER DAN OVERVLOEDIG GEWORDEN" (Rom.5:20)
B. DE GENADE DIE NA HET KRUIS KWAM
1.Aan de ene kant heeft God in plaats van
terug te keren om te oordelen, het profetisch programma tijdelijk aan de kant gezet. God
heeft Israël tijdelijk in ongeloof gezet (Rom.11:25). Aan de andere kant redt God de
voornaamste van de zondaren, Saulus, door genade. "En ik dank Hem, Die mij
bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft,
mij in de bediening gesteld hebbende; Die te voren een godslasteraar was, en een
vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, daar ik het onwetend
gedaan heb in mijn ongelovigheid. Doch de genade van onze Heere is zeer overvloedig
geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. Dit is een getrouw woord, en
alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig
te maken, van wie ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat
Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een
voorbeeld van hen, die in Hem geloven zullen ten eeuwige leven" 1 Tim. 1:12-16
Het is niet alleen zo dat de vervolger nu
zelf Jezus gaat volgen, maar hij wordt ook een uitverkoren werktuig om aan de wereld, die
onder de vloek van de zonde is, de rijkdom van Gods genade bekend te maken (Hand.9:15 en
Hand.26:15-18).
2. In plaats van terug te keren om de wereld
te oordelen, volgens het profetisch programma, (Dan.12:2, Mal.4:1 en Openb.20:11-15), is
God met een andere bedeling begonnen, die Hij vóór de grondlegging der wereld had
voorbereid: "het genade-evangelie" of wat de apostel noemt "mijn
evangelie", (Rom.2:16) of "de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring
van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen", (Rom.16:25 en Ef.3:1-9) en "de
prediking van het kruis", (I Cor.1:18). "Hem nu, Die machtig is u te
bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der
verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest" Rom. 16:25
Tijdens de genade-bedeling biedt God een
ieder eeuwig leven aan, rechtvaardigt Hij de gelovige niet volgens de wet van Mozes, maar
door het geloof (Rom.3:23-26). Hij biedt de heidenen behoudenis aan, niet meer door
Israël, maar door het kruis en daarom heet het evangelie "de prediking van het
kruis". Zoals genade een belangrijke plaats inneemt bij deze apostel (Ef.2:8,9 en
Titus 3:5), meer dan in andere boeken in de Bijbel, behalve wanneer wij bij de brieven van
de apostel Paulus komen, vinden wij vergeving door het bloed van de Here, (Ef.1:7;
Rom.3:24,26; Col.1:9 en Hand.20:28). "Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit
de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door
het bad der wedergeboorte en ver-nieuwing van de Heilige Geest" Titus 3:5
3. Merk op, dat als wij over het begin van
een nieuwe bedeling schrijven, dit niet tegenstrijdig is met het feit dat vanaf het moment
dat de apostel Paulus verscheen, de openbaring van het evangelie aan hem voortschrijdend
geopenbaard werd (Hand.26:16; II Cor.12:1). De echte onderzoeker van de Schrift, zal niet
ontdekken dat het Koninkrijk-evangelie in één moment gestopt is. En als voorbeeld hebben
wij de volgende onderwerpen: A. de doop. B. wonderen, tongentaal en genezing.
A. De doop. Een korte tijd na de bekering van
de apostel Paulus zei Ananias tot hem: "Sta op, laat u dopen", (Hand.22:16). Dit
was nodig omdat Paulus behouden is geworden onder het Koninkrijk-evangelie, waar de
waterdoop plaats moest vinden en gevraagd werd, (Marc.16:16, Hand.2:38). Maar de bedoeling
van zijn behoudenis en de betekenis van zijn apostelschap en bediening is later
geopenbaard. Voor ons moet het duidelijk zijn dat Paulus behouden werd op de weg naar
Damascus, voordat hij met water gedoopt werd. Dit feit is één van de velen dat ons laat
zien dat nu de verwijdering van het Koninkrijk-evangelie begint. Zo zien wij dat in
Hand.2:38 de mensen eerst gedoopt werden en daarna de Heilige Geest kregen, zie ook
Hand.8:16.
Maar wanneer wij bij de apostel Paulus komen
en de verandering in bedeling begint in Hand.9:18, lezen wij dat de apostel gedoopt werd
nadat hij behouden werd. Dit is niet alles, ook later toen hij zijn brief aan de
Corinthiërs schreef (I Cor.1:17), schreef hij dat Christus hem niet gezonden had om te
dopen, en dat hij behalve die paar mensen, die hij gedoopt had, geen mensen meer gedoopt
had. En nog veel later schrijft hij vanuit de gevangenis te Rome aan de broeders te Efeze
(Ef.4:5) dat er één doop is, de doop DOOR de Heilige Geest tot één lichaam (I
Cor.12:13). In het boek Handelingen lezen we over de tussenperiode tussen twee dopen n.l.
de één met/door de Heilige Geest en de
andere met water. "Want Christus heeft
mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid
van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt" 1 Kor. 1:17
Dit geldt alleen tot en met hoofdstuk 28;
later spreekt Paulus alleen nog maar over één doop. Blijkt hieruit dat Paulus zichzelf
tegenspreekt en voegt hij er elke keer iets nieuws aan toe? Nee, we hebben al eerder
gezegd, dat dit geheimenis voortschrijdend geopenbaard werd, Gods genade-evangelie is
eenvoudig gezegd: in fasen bekend gemaakt.
B. Wonderen, tongentaal en genezing.
Ook in verband met tongentaal, wonderen en
genezing vond er een verandering plaats, maar nogmaals zoals wij dit al gezegd hebben,
deze verandering gebeurde niet in één keer, maar in fasen. In Hand.19:11-13 en
Hand.28:8,9 beginnen de gelovigen waarbij Paulus zijn handen had opgelegd, in tongen te
praten (Hand.19:6). Rond die tijd schrijft hij echter ook de Romeinen over de gaven in de
gemeente (Rom.12:6,7). En ook de Corinthiërs, heeft hij uitgebreid verteld over de gaven
(I Cor.12,13,14). Voor meer informatie kunt u het boekje "de dwaling van de
Pinksterbeweging" lezen. Maar zo schreef Paulus ook over het eind der dingen, wanneer
het volmaakte zou komen, ( I Cor.13:
10). Tenslotte, dit is alles wat zijn
voor-gevangenisbrieven betreft: de periode van Hand.9-28. Toen was het nog: eerst de Jood
en dan de Griek (Rom. 1:16,17) de periode waarin God het volk Israël nog niet helemaal
aan de kant gezet had. Wat Paulus' gevangenisbrieven betreft, daar vinden we nergens
beschrijvingen van wonderen en genezingen meer, integendeel in Ef.4:11 lezen we over de
gaven voor de gemeente van vandaag en toen Timothëus moeilijkheden met zijn maag had,
heeft Paulus hem niet genezen, maar wel een advies gegeven; een weinig wijn te drinken, (I
Tim.5:23). Of het geval van Trofimus; Paulus moest hem ziek in Milete achter laten, II
Tim.4:20. We hebben nu nogmaals gezien, dat de roeping van Paulus het begin van een nieuwe
bedeling is: de bedeling van Gods genade, (Ef.3:2). En het doel dat daar achter zit: n.l.
het lichaam van Christus, een nieuw lichaam van gelovigen dat geleidelijk aan in beeld
komt. God biedt nu verzoening aan in plaats van toorn, (II Cor.5:14-21). En dit alles door
de genade die in Christus Jezus is.
C. Handelingen 13
Handelingen 13 speelt ook een belangrijke rol
in de ontwikkeling van de nieuwe bedeling, die al begonnen was in Handelingen 9, toen de
apostel Paulus geroepen werd. In dit hoofdstuk lezen wij voor de eerste keer over de
vergeving van zonden, direct door de Here Jezus Christus en niet meer de doop voor
vergeving van zonden. (vergelijk Hand.2:38 met Hand.13:38,39). Op grond van deze nieuwe
openbaring, schrijft Paulus aan de Corinthiërs: "Maar uit Hem zijt gij in Christus
Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en
verlossing; Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere" 1 kor.
1:30,31
en aan de Romeinen: "En worden om niet
gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is"
Rom.3:24
en aan de Galaten: "Doch wetende, dat de
mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus
Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd
worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de
werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden Ik doe de genade Gods niet te niet;
want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.
Gal.2:16,21
en later uit de gevangenis, aan de gemeente
te Efeze: en de gemeente te Colosse: "In Wie wij hebben de verlossing door Zijn
bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, Efe. 1:7 In
Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden; Kol. 1:14
Zoals wij al eerder gezegd hebben, predikte
Paulus vergeving van zonden door het geloof in de Here Jezus Christus buiten werking der
wet, en dit op grond van een nieuwe bediening of openbaring. Om deze dingen duidelijk te
maken, zouden wij Handelingen 13:2 moeten lezen: "En toen zij de Heere dienden, en
vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk,
waartoe Ik hen geroepen heb"
De meest voorkomende uitlegging die
fundamentele gelovigen aan deze tekst geven is als volgt: nu eindelijk na 16 jaar bereidt
de gemeente zich voor, om het evangelie aan de heidenen te verkondigen. Deze uitlegging
wordt gegeven omdat er velen zijn die geloven dat de 12 discipelen in het begin gezonden
werden om het koninkrijk-evangelie te verkondigen, (Mat.10:5-6 en Math.28:19). En dat zij
na Hand.1:26, waar het getal der discipelen weer op 12 gebracht was, opnieuw gezonden
werden om Gods genade-evangelie aan de wereld te verkondigen, of met andere woorden: om
aan Joden en Grieken de verzoening die in de Here Jezus Christus is te vertellen en de
glorie van het kruis. En om te verklaren dat er een nieuwe apostel kwam, n.l. de apostel
Paulus, zegt men dat de 12 niet getrouw waren, en dat ze de heidenen op een verkeerde
manier benaderden.
Deze uitleggingen zijn onschriftuurlijk en in
tegenstelling hiermee, verklaren de teksten dat de 12 discipelen een positieve houding
aannamen toen zij hoorden dat ook de heidenen tot geloof kwamen. In Hand.3:19-26 roept
Petrus de Joden op tot bekering opdat door hen de heidenen gezegend zullen worden.
In Hand.11:18 vertelt Petrus hen wat hij met
Cornelius meegemaakt heeft, en zij prezen God. In Hand.11:22 zien wij dat de oudsten van
de kerk in Jeruzalem een positieve houding aannamen, en zij stuurden Barnabas om hem daar
in de nieuwe bediening van de heidenen te helpen. In Hand.15:3 vertelt Paulus over de
bekering van de heidenen, ook toen waren de oudsten blij.
Er is nog een feit dat veel verwarring
veroorzaakt onder veel gelovigen, (Mat.10:5-9). Hier lezen we dat de apostelen niet naar
de heidenen mochten gaan, alleen naar de verloren zonen van Israël. We vergelijken dit
met Mat.28:19. Hier lezen we dat de discipelen wèl naar de heidenen mochten gaan.
"Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam des Vaders, en des
Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb"
Hier moeten wij nogmaals uitleggen, dat
vóórdat de apostel Paulus geroepen werd, alles op grond was van de belofte van Abraham,
"Dat Door Zijn zaad (Israël) De heidenen gezegend zullen worden" (Gen.22:17,18;
Jes.60:1-3).
"Maak u op, word verlicht, want uw Licht
komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde
bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid
zal over u gezien worden. En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de
glans, die u is opgegaan". Jes. 60:1-3
Op grond van deze verzen en het feit dat
Israël het zegenkanaal was, wilde de Here Jezus eerst Israël tot bekering brengen en dit
was de reden waarom de discipelen eerst te Jeruzalem moesten beginnen (Luc.24:47;
Hand.1:8).
"Maar gij zult ontvangen de
kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te
Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde" Hand.
1:8.
Het enige verschil tussen Mat.10:5-9 en
Mat.28:19 is dat de laatste boodschap die na de opstanding van de Here Jezus kwam, werd
gegeven omdat Israël het zegenkanaal moest worden volgens PROFETIE. Maar onder geen
enkele voorwaarde mogen wij deze boodschappen van Mat.10:5-9 en Mat.28:19, die in één
woord heten: het koninkrijk-evangelie, vermengen met de boodschap die Paulus later kreeg.
Omdat dit twee bodschappen zijn die gescheiden moeten worden wanneer wij Gods Woord willen
begrijpen.
1. Gods plan om de heidenen te zegenen door
Israël volgens PROFETIE.
2. Gods plan om de heidenen te zegenen in
Christus direct door het evangelie volgens GEHEIMENIS.
Heeft de Here Jezus na Zijn opvaring naar de
hemel de apostel Paulus geroepen om de plaats in te nemen van de twaalf discipelen? Nee,
de Here Jezus riep Paulus voor een NIEUWE bediening, DIE VERBORGEN WAS VOOR DE
GRONDLEGGING DER WERELD. Daarom schrijft Paulus in Rom.1:1 "AFGEZONDERD"
(Hand.26:15; Gal.1:11,12; en Ef.3:1-9 en Col.1:25-27).
De twaalf discipelen werden gezonden om het
koninkrijk-evangelie te verkondigen: aardse zegening voor de wereld door Isral. Daarom
moesten de twaalf discipelen met Israël beginnen (Luc.24:4; Hand.1:8 en Hand.3:25,26).
"Welker dienaar ik geworden ben, naar de
bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods; Namelijk de
verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu
geopenbaard is aan Zijn heiligen; Aan wie God heeft willen bekend maken, welke de rijkdom
der heerlijkheid van deze verborgenheid is onder de heidenen, welke is Christus onder u,
de Hoop der heerlijkheid" Kol. 1:25-27
De apostel Paulus onder een nieuwe bediening,
werd gezonden naar de heidenen op grond van de VAL van Israël (Hand.22:17-21 en
Hand.13:45-47).
De bediening van de twaalf discipelen is
gegrond op het feit dat Israël zich zal bekeren. Daarna zal Christus terugkomen om Zijn
koninkrijk op aarde te bevestigen (Jes.11:1-11).
De bediening die Paulus kreeg, was niet
afhankelijk van de bekering van Israël, maar van Gods genade jegens zondaren. God biedt
nu iedereen eeuwig leven aan direct door het bloed van de Here Jezus, en door het geloof
in Zijn opstanding uit de doden. Romeinen 3:21-25.
Wij danken God dat de behoudenis voor de
mensen in deze tijd niet van Israël afhangt, maar van Zijn genade die God nu bijna 2000
jaar aanbiedt: behoudenis door het geloof in Zijn Zoon en Zijn opstanding. (Rom.4:5; Efe.
2:8,9; Ef.1:7). "Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet
uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme" Efe. 2:8,9
PETRUS EN CORNELIUS
Het verhaal over Cornelius, met al de mooie
dingen die de schriftonderzoeker eruit kan halen, is zonder enige twijfel één van de
moeilijkst te begrijpen stukken van het boek Handelingen. De reden hiervoor is, dat de
gebeurtenis met Cornelius eigenlijk een overbrugging is tussen de bediening van Petrus en
die van Paulus die hij later ontving. Maar laten we eerst met Cornelius beginnen.
CORNELIUS' ACHTERGROND
Over Cornelius lezen wij, dat hij een Romein
was en een hoofdman over 100 man uit de bende genaamd "de Italiaanse". We lezen
ook dat hij samen met zijn huis een godvruchtig man was (Hand.10:2,22). "Godzalig en
vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God gedurig
biddende. En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en
vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door
Goddelijke openbaring vermaand door een heilige engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen
huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen" Hand. 10:2,22. Op grond van
deze verzen concluderen sommigen dat Cornelius al behouden was voordat Petrus bij hem
kwam. Maar de teksten laten ons dat niet zien. Hij was n.l. niet behouden, en Petrus werd
naar hem gestuurd om de weg van behoudenis te laten zien.
1. Cornelius werd gestuurd om Petrus te
zoeken en Petrus zou hem verder vertellen wat hij moest doen, (vers 5,6).
2. Het "wat gij doen moet" van vers
6, is hetzelfde "wat moeten wij doen" in Hand.16:30, in alle gevallen wordt er
verteld wat zij moeten doen om behouden te worden.
3. Het werd Cornelius beloofd, dat Simon
Petrus tot hem en zijn gehele huis die woorden zou spreken door welke zij zalig zouden
worden,(Hand.11:14)
4. Petrus heeft hem net over vergeving van
zonden verteld, (Hand.10:43).
Velen kwamen tot de conclusie dat Cornelius
een jodengenoot was, maar de teksten vertellen duidelijk dat een jodengenoot iemand is die
besneden is en deelneemt aan de wet van Mozes (Jes.56:1-5)."Alzo zegt de HEERE:
Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn
gerechtigheid om geopenbaard te worden. Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en het
mensenkind, dat daaraan vasthoudt; die de sabbat houdt, zodat hij die niet ontheiligt, en
die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen. En de vreemde, die zich tot de HEERE gevoegd
heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en
de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom. Want alzo zegt de HEERE van de
gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe ik lust heb, en
vasthouden aan Mijn verbond; Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats
en een naam geven beter dan van de zonen en van de dochters; een eeuwige naam zal Ik een
ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden" Jes. 56:1-5
Als Cornelius een jodengenoot was, dan was
het niet bijzonder dat Petrus naar hem ging omdat Petrus al enige tijd geleden, n.l. in
Hand.2:10 met Pinksteren tot jodengenoten gesproken heeft. Maar ook hier geldt weer, de
teksten bevestigen heel duidelijk dat Cornelius geen jodengenoot was maar een heiden
(Hand.10:28). En in Hand.10:45 werden de besneden gelovigen verrast door het feit dat de
gave van de Heilige Geest ook over de heidenen werd uitgestort. In Hand.11:3 werd Petrus
geroepen om rekenschap af te leggen alleen omdat hij naar een heiden ging. In het licht
van deze feiten, kunnen wij onszelf afvragen, wat de bedoeling was van wat Petrus zei.
Laten we niet vergeten dat Petrus uit het
uitverkoren volk Israël kwam en als een uiverkoren persoon werd hij niet geroepen om naar
de heidenen te gaan. Maar het was de taak van het volk Israël om het licht te zijn voor
de heidenen (Jes.60:1-3). Ook onze Here, toen Hij op aarde was, ging eerst naar de
verloren zonen van Israël, (Joh.1:11; Mat.15:25) in Mat.15:27 werden de heidenen honden
genoemd. Ook de 12 discipelen werden eerst alleen tot de verloren zonen van het volk
Israël gezonden (Mat.10:5,6). Na Zijn opstanding zie de Here tegen Zijn discipelen:
"predik bekering en vergeving van zonden aan alle volken, te beginnen bij
Jeruzalem" (Luk.24:48).
In het licht van deze belangrijke feiten, is
het voor ons nu gemakkelijk te begrijpen dat Petrus zei: "nu weet ik dat God geen
onderscheid maakt". Petrus werd gezonden naar Cornelius, niet op grond van het
profetisch programma, maar op grond van een speciaal visioen. Dit omdat de val van Israël
al begonnen was.
5.Maar toch zijn er mensen, die zeker zullen
komen met Handelingen 15:7 "En toen daarover veel verschil van mening rees, stond
Petrus op en zeide tot hen: "Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij
onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie
zouden horen en geloven." Ons antwoord is dat we deze tekst in zijn verband moeten
lezen en al eerder hebben wij gezegd dat volgens het profetisch programma het zeker de
taak van Petrus is om naar de heidenen te gaan. Maar laten we hier nog een keer goed
opmerken dat volgens het profetische programma de heidenen gezegend worden, NIET door de
VAL van Israël, maar door Israëls koninkrijk, zoals in Hand.15:16,17 geschreven staat.
We moeten altijd onderscheid maken tussen
heidenen, die tot geloof komen, volgens profetie, door Israël, de prediking van het
koninkrijk en de heidenen die nu onder Gods genade bedeling, apart van Israël
medeërfgenamen worden in de belofte van Christus en volgens het geheimenis, (Ef.1:12-17;
3:6).
"Om deze oorzaak ben ik Paulus de
gevangene van Christus Jezus, voor u,
die heidenen zijt. Indien gij maar gehoord
hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door
openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te
voren geschreven heb; Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze
verborgenheid van Christus), Welke in andere eeuwen de kinderen der mensen niet is bekend
gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door de
Geest; Namelijk dat de heidenen medeerfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en
mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie" Efe. 3:1-6
NAWOORD
Vele getrouwe mensen van God hebben al eerder
gezegd, dat het boek Handelingen der Apostelen een heel belangrijk boek is in de Bijbel,
dat een belangrijke periode vertegenwoordigt. Het is een beschrijving van de val van
Israël aan de ene kant, en het begin van het lichaam van Christus aan de andere kant. In
deze korte samenvatting hebben wij geprobeerd de lezer wat meer inzicht te geven
betreffende het begin van het lichaam van Christus.
In deze tijd waarin zovelen terugkijken naar
de Pinksterdag, de uitstorting van de Heilige Geest, en zeggen dat daar alles begonnen is,
zeggen wij:
Nee... daar was het einde van iets. En voor
hen die misschien zullen zeggen: "Maar waarom is het zo belangrijk om de vraag te
stellen... Het lichaam van Christus... waar begint dat? ; zeggen wij: het is heel
belangrijk om het juiste antwoord te hebben, omdat dit een grote invloed zal hebben op ons
geestelijke leven, om hierdoor de rijkdom van Christus, Zijn liefde en Zijn wil voor ons
in deze tegenwoordige genade bedeling te leren kennen".
Tot slot eindigen wij met het gebed, dat God, de Vader van
onze Here en Heiland Jezus Christus u zal verlichten. En dat degenen die echt op zoek
zijn, tot de kennis van de waarheid mogen komen. Hierdoor kunnen we in deze tijd van
verwarringen, tot de zekerheid in het geloof en de kennis komen. En van positie als kind
in het geloof tot volwassenheid groeien, zodat men in staat is aan anderen, die nog niet
behouden zijn, op een duidelijke manier Gods genade-evangelie, het evangelie van het
kruis, van onze behoudenis, aan anderen bekend te maken. Dit alles voor de glorie van onze
Here en Verlosser, Jezus Christus, Amen. NIET KON BEGINNEN IN HANDELINGEN 28:28