"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

          

Engel

De mens is niet het hoogste wezen dat God geschapen heeft, maar Gen.1  gaat stilzwijgend voorbij aan de schepping van de wezens waarmee God spreekt (Gen.1:26; 3:22; vgl. 11:7 ). Volgens de Joodse voorstelling waren de wezens die de troon van God omringen en zijn raadsbesluiten kennen, geschapen voor de schepping van het heelal (1 Kon.22:19-22 ; Ps.89:6,8; Jes.6:8; Dan.7:10 ;4:13. In dit laatste vers hier heten zij irin, wachters, nl. voor de aarde.

Engelen heten in het Hebreeuws malachim (Mykalm, boden). Hun algemene bijnaam is 'kinderen (zonen) van God' (Job 1:2; 38:7; Dan.3:25; Ps.29:1; 89:7; mogelijk ook Gen.6:2. Maar de aanduiding 'kinderen van God' heeft geen rechtstreeks ethische betekenis. Zij heten ook 'heiligen' vanwege hun volmaaktheid (Job 5:1; Ps.89:6 ; Dan.8:13. Maar in relatie tot God is die volmaaktheid slechts relatief (Job 15:15; 4:18 ).

De cherubim en de serafim worden hier niet besproken omdat zij niet bij de 'zonen van God' horen, maar een afzonderlijke klasse vormen; zie de artikelen Cherubs en Serafim. Zij hebben vleugels, maar de 'zonen Gods' verschijnen in menselijke gedaante verschijnen. De christelijke kunst geeft de engelen ten onrechte vleugels, wel met een beroep op het verkeerd in het Latijn vertaalde Dan.9:21. Alleen de zonen van God die in zijn omgeving verkeren, heten engelen.

De Septuaginta laat op verscheidene plaatsen, waarvan er twee in Hebreeën aangehaald worden (1:6; 2:7 ), de Godsnaam Elohim op engelen slaan. Maar het staat niet vast dat Elohim in het Oude Testament, behalve God, ook de wezens in zijn omgeving aanduidt.

De Israëliet was er diep van doordrongen dat God en deze wezens nauws bij elkaar horen. Toch werden ze nooit aanbeden. Integendeel, als geschapen wezens aanbidden zij met de overige schepselen God. Hebreeën noemt ze geesten (1:14 ) en kenmerkt ze zo als bezielde wezens. Het Oude Testament noemt ze echter nooit zo, want in Ps.104:4  betekent ruchot (twxwr) winden, en in 1 Kon.22:21 is 'de geest' niet een geest maar de geest van de profetie die zich in het visioen van de profeet manifesteert.

Het Oude Testament noemt vóór de ballingschap geen enkele naam van een engel (Gen.32:30 ; Richt. 13:18 ). God als wereldbestuurder maakt hen tot werktuigen en organen van zijn wil. Zij worden engelen als God zich bij de regering van de wereld van hen bedient. In alle delen van het Oude Testament lezen wij over openbaringen van God door middel van engelen.

De voornaamste engelverschijning is die van 'de engel des HEEREN' , die in de tijd van de aartsvaders en van Mozes optreedt. Het is de vraag of hij een geschapen engel was of de HEERE Zelf in de gestalte van een mens-engel. De Schrift beslist voor de eerste opvatting: in de visioenen van Zacharia (1:12; 3:2  vgl. Judas vs.9) wordt de Engel des HEEREN uitdrukkelijk van de HEERE Zelf onderscheiden. Hij is aan Hem ondergeschikt.

Ook de 'engel van het verbond' (Mal.3:1 ) is niet de HEERE Zelf, maar de engel (bode) in wie Hij Zich openbaart. Soms heet de Engel van de HEERE 'het aangezicht' van God (Ex.33:14 ; Deut.4:37 ). Hij gaf het gezicht van God natuurlijk alleen indirect te zien, zodat de aanblik niet dodelijk was (Gen.32:31; Richt.13:21vv ; Jes.63:9). Wel noemt hij zich HEERE, Elohim en El (' God' , bijv. Gen.18:33; 32:25vv; 31:13) omdat Gods naam in hem was (Ex.23:21). Zijn optreden is te vergelijken met dat van de engel die zich in Opb.22:13  de Alfa en de Omega noemt en toch weigert goddelijke eer te ontvangen. De Engel van de HEERE noemt zich 'vorst (sar) van het leger van de HEERE' als hij aan Mozes bij het brandende braambos en aan Jozua voor Jericho verschijnt (Joz.5:15; Ex.3:5 ). Tenslotte is er in het tweede deel van Jesaja nog de 'engel van zijn aangezicht' . Dit kan zowel 'engel in wie de HEERE Zich laat zien' als 'engel die Gods aangezicht ziet' betekenen.

Op al deze benamingen bouwde men later een hemelse hiërarchie, een indeling van engelen in klassen en rangen. In het boek Daniël staan 'vorsten van de eerste rang' aan het hoofd van de talloze wezens die voor God staan en Hem dienen (7:10 ). Een van hen, Michaël, is Israëls beschermer (10:13,21; 12:1); een ander, Gabriël, verklaart de profeet de gezichten die hij ziet (8:15v; 9:21 ). De latere Joodse theologie kende zeven aartsengelen. Tobit noemt als de derde Rafaël (12:15); het boek Henoch en het 4e Boek Ezra noemen als de vierde Uriël.

In Daniël komen de aartsengelen alleen voor in het visioen, maar in Tobit vergezelt Rafaël de jonge Tobit. In de brief van Judas vs.9  beschermt Michaël het lijk van Mozes tegen de satan. Judas volgt een traditie die we ook vinden in het nß 4 v.Chr. geschreven boek Assumptio Mosis.

Dat elk mens een beschermengel heeft lezen we nog niet in Matt. 18:10 en Hand.12:15 . Dat elk volk zijn beschermengel heeft, leert het boek Daniël. De gedachte dat God elk volk een wacht van engelen heeft gegeven, maar Israël onder bijzondere bescherming heeft genomen (Sir.17:14 ; vgl. Deut.32:8 in het Grieks) wordt in Daniël het duidelijkst aangetroffen; hier heet Israëls beschermer tegen de vorsten van Perzië en Griekenland Michaël, maar de ware beschermer is volgens Dan.10:13  een ander, die Michaël helpt.

Jesaja profeteert (24:21-23 ) een gericht van engelen over de tegengoddelijke machten die in de geschiedenis van de volken optreden. Dat dit gericht gepaard gaat met een verbleken van zon en maan suggereert, dat de engelen in verband staan met de sterren; beiden heten het 'heir (leger) van de hemel' (1 Kon.22:19 ; Deut.17:3 ). Onder deze benaming worden de sterren en de engelen zelfs samengevat (Neh.9:6 ). Hetzelfde zien we in Job 38:7 : hier vormen de versleden 'Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen' 'en al de zonen Gods juichten' een synoniem parallellisme.

De Here God wordt in de tijd van de Koningen vaak 'HEERE Zebaoth' genoemd. Zebaoth betekent niet 'de legers van Israël' maar 'de hemelse legerscharen' . Dus betekent deze naam van God dat Hij voor zijn plannen vrij over engelen- en sterrenlegers beschikt. De engelen en de sterren worden voorgesteld als leger (Jes.40:26; vgl. Richt.5:20 ). Wij krijgen de indruk, dat zij deelnemen aan de strijd tussen goed en kwaad. Deze verbinding van engelen en sterren staat in verband met de godsdienst van de oudste Semieten.

Satan komt in het Oude Testament weinig voor; slechts drie canonieke boeken noemen hem, maar niet in verband met de geschiedenis van de zondeval. Pas het apocriefe boek Wijsheid combineert hem in 2:24  met de slang. Toch is dit de juiste oplossing van het raadsel van de sprekende slang. De Bijbel vertelt ons verder niets over de afval in de bovennatuurlijke wereld, maar uit Gen.3 blijkt,  dat het boze daar begon voordat het zich in de mensenwereld openbaarde.

Een bepaalde naam voor de gevallen engelen vinden we niet in het Oude Testament, behalve sjedim (Myds, 'machtigen'). Dezelfde naam dragen ook de Baäls (Deut.32:17 ; Ps.106:37 ). De verwante Godsnaam sjaddaj betekent 'de Almachtige' .

De Bijbel spreekt soms anders over boze geesten of engelen dan wij gewend zijn. Zij zijn niet altijd moreel bedorven. De geest van droefheid die over Saul kwam wordt een boze geest genoemd (1 Sam.19:9, en de engelen die rouw en dood over Egypte brachten 'boze engelen' (Ps.78:49 ). Ook God gebruikt boze engelen om de vromen te beproeven en te straffen (b.v. Job en Paulus, 2 Kor.12:7 ). Hij gebruikt ook goede engelen om goddelozen te straffen.

In Hand.7:38,53 ; Gal.3:19  en Hebr.2:2  worden de wet en de engelen met elkaar in verband gedacht. Dat gebeurde niet in het Oude Testament, wel in de intertestamentaire literatuur. Ef.2:2  lijkt op de Griekse voorstelling van geesten in de lucht die ook bij Philo en Plutarchus voorkomt, maar het verschil is groot. Philo en Plutarchus noemen deze wezens 'zielen zonder lichamen' , een aanduiding die totaal niet past in de denkwijze van de Bijbel.