|
Engel
De mens is niet het hoogste wezen dat God geschapen heeft, maar Gen.1
gaat stilzwijgend voorbij aan de schepping van de wezens waarmee God spreekt
(Gen.1:26; 3:22; vgl. 11:7 ). Volgens de Joodse voorstelling waren de wezens die
de troon van God omringen en zijn raadsbesluiten kennen, geschapen voor de
schepping van het heelal (1 Kon.22:19-22
; Ps.89:6,8; Jes.6:8;
Dan.7:10 ;4:13.
In dit laatste vers hier heten zij irin, wachters, nl. voor de aarde.
Engelen heten in het Hebreeuws malachim (Mykalm,
boden). Hun algemene bijnaam is 'kinderen (zonen) van God' (Job 1:2; 38:7;
Dan.3:25; Ps.29:1; 89:7; mogelijk ook Gen.6:2. Maar de aanduiding 'kinderen van
God' heeft geen rechtstreeks ethische betekenis. Zij heten ook 'heiligen'
vanwege hun volmaaktheid (Job 5:1; Ps.89:6 ; Dan.8:13. Maar in relatie tot God
is die volmaaktheid slechts relatief (Job 15:15; 4:18 ).
De cherubim en de serafim worden hier niet besproken omdat zij niet bij de
'zonen van God' horen, maar een afzonderlijke klasse vormen; zie de artikelen
Cherubs en Serafim. Zij hebben vleugels, maar de 'zonen Gods' verschijnen in
menselijke gedaante verschijnen. De christelijke kunst geeft de engelen ten
onrechte vleugels, wel met een beroep op het verkeerd in het Latijn vertaalde
Dan.9:21. Alleen de zonen van God die in zijn omgeving verkeren, heten engelen.
De Septuaginta laat op verscheidene plaatsen, waarvan er twee in Hebreeën
aangehaald worden (1:6; 2:7 ), de Godsnaam Elohim op engelen slaan. Maar het
staat niet vast dat Elohim in het Oude Testament, behalve God, ook de wezens in
zijn omgeving aanduidt.
De Israëliet was er diep van doordrongen dat God en deze wezens nauws bij
elkaar horen. Toch werden ze nooit aanbeden. Integendeel, als geschapen wezens
aanbidden zij met de overige schepselen God. Hebreeën noemt ze geesten (1:14 )
en kenmerkt ze zo als bezielde wezens. Het Oude Testament noemt ze echter nooit
zo, want in Ps.104:4 betekent ruchot (twxwr)
winden, en in 1 Kon.22:21 is 'de geest' niet een geest maar de geest van de
profetie die zich in het visioen van de profeet manifesteert.
Het Oude Testament noemt vóór de ballingschap geen enkele naam van een
engel (Gen.32:30 ; Richt. 13:18 ). God als wereldbestuurder maakt hen tot
werktuigen en organen van zijn wil. Zij worden engelen als God zich bij de
regering van de wereld van hen bedient. In alle delen van het Oude Testament
lezen wij over openbaringen van God door middel van engelen.
De voornaamste engelverschijning is die van 'de engel des HEEREN' , die in de
tijd van de aartsvaders en van Mozes optreedt. Het is de vraag of hij een
geschapen engel was of de HEERE Zelf in de gestalte van een mens-engel. De
Schrift beslist voor de eerste opvatting: in de visioenen van Zacharia (1:12;
3:2 vgl. Judas vs.9) wordt de Engel des HEEREN uitdrukkelijk van de HEERE
Zelf onderscheiden. Hij is aan Hem ondergeschikt.
Ook de 'engel van het verbond' (Mal.3:1 ) is niet de HEERE Zelf, maar de
engel (bode) in wie Hij Zich openbaart. Soms heet de Engel van de HEERE 'het
aangezicht' van God (Ex.33:14 ; Deut.4:37 ). Hij gaf het gezicht van God
natuurlijk alleen indirect te zien, zodat de aanblik niet dodelijk was
(Gen.32:31; Richt.13:21vv ; Jes.63:9). Wel noemt hij zich HEERE, Elohim en El ('
God' , bijv. Gen.18:33; 32:25vv; 31:13) omdat Gods naam in hem was (Ex.23:21).
Zijn optreden is te vergelijken met dat van de engel die zich in Opb.22:13
de Alfa en de Omega noemt en toch weigert goddelijke eer te ontvangen. De Engel
van de HEERE noemt zich 'vorst (sar) van het leger van de HEERE' als hij aan
Mozes bij het brandende braambos en aan Jozua voor Jericho verschijnt (Joz.5:15;
Ex.3:5 ). Tenslotte is er in het tweede deel van Jesaja nog de 'engel van zijn
aangezicht' . Dit kan zowel 'engel in wie de HEERE Zich laat zien' als 'engel
die Gods aangezicht ziet' betekenen.
Op al deze benamingen bouwde men later een hemelse hiërarchie, een indeling
van engelen in klassen en rangen. In het boek Daniël staan 'vorsten van de
eerste rang' aan het hoofd van de talloze wezens die voor God staan en Hem
dienen (7:10 ). Een van hen, Michaël, is Israëls beschermer (10:13,21; 12:1);
een ander, Gabriël, verklaart de profeet de gezichten die hij ziet (8:15v; 9:21
). De latere Joodse theologie kende zeven aartsengelen. Tobit noemt als de derde
Rafaël (12:15); het boek Henoch en het 4e Boek Ezra noemen als de vierde Uriël.
In Daniël komen de aartsengelen alleen voor in het visioen, maar in Tobit
vergezelt Rafaël de jonge Tobit. In de brief van Judas vs.9 beschermt
Michaël het lijk van Mozes tegen de satan. Judas volgt een traditie die we ook
vinden in het nß 4 v.Chr. geschreven boek Assumptio Mosis.
Dat elk mens een beschermengel heeft lezen we nog niet in Matt. 18:10 en
Hand.12:15 . Dat elk volk zijn beschermengel heeft, leert het boek Daniël. De
gedachte dat God elk volk een wacht van engelen heeft gegeven, maar Israël
onder bijzondere bescherming heeft genomen (Sir.17:14 ; vgl. Deut.32:8 in het
Grieks) wordt in Daniël het duidelijkst aangetroffen; hier heet Israëls
beschermer tegen de vorsten van Perzië en Griekenland Michaël, maar de ware
beschermer is volgens Dan.10:13 een ander, die Michaël helpt.
Jesaja profeteert (24:21-23 ) een gericht van engelen over de tegengoddelijke
machten die in de geschiedenis van de volken optreden. Dat dit gericht gepaard
gaat met een verbleken van zon en maan suggereert, dat de engelen in verband
staan met de sterren; beiden heten het 'heir (leger) van de hemel' (1 Kon.22:19
; Deut.17:3 ). Onder deze benaming worden de sterren en de engelen zelfs
samengevat (Neh.9:6 ).
Hetzelfde zien we in Job 38:7 : hier vormen de versleden 'Toen de morgensterren
te zamen vrolijk zongen' 'en al de zonen Gods juichten' een synoniem
parallellisme.
De Here God wordt in de tijd van de Koningen vaak 'HEERE Zebaoth' genoemd.
Zebaoth betekent niet 'de legers van Israël' maar 'de hemelse legerscharen' .
Dus betekent deze naam van God dat Hij voor zijn plannen vrij over engelen- en
sterrenlegers beschikt. De engelen en de sterren worden voorgesteld als leger (Jes.40:26;
vgl. Richt.5:20 ). Wij krijgen de indruk, dat zij deelnemen aan de strijd tussen
goed en kwaad. Deze verbinding van engelen en sterren staat in verband met de
godsdienst van de oudste Semieten.
Satan komt in het Oude Testament weinig voor; slechts drie canonieke boeken
noemen hem, maar niet in verband met de geschiedenis van de zondeval. Pas het
apocriefe boek Wijsheid combineert hem in 2:24 met de slang. Toch is dit
de juiste oplossing van het raadsel van de sprekende slang. De Bijbel vertelt
ons verder niets over de afval in de bovennatuurlijke wereld, maar uit Gen.3
blijkt, dat het boze daar begon voordat het zich in de mensenwereld
openbaarde.
Een bepaalde naam voor de gevallen engelen vinden we niet in het Oude
Testament, behalve sjedim (Myds,
'machtigen'). Dezelfde naam dragen ook de Baäls (Deut.32:17 ; Ps.106:37 ). De
verwante Godsnaam sjaddaj betekent 'de Almachtige' .
De Bijbel spreekt soms anders over boze geesten of engelen dan wij gewend
zijn. Zij zijn niet altijd moreel bedorven. De geest van droefheid die over Saul
kwam wordt een boze geest genoemd (1 Sam.19:9, en de engelen die rouw en dood
over Egypte brachten 'boze engelen' (Ps.78:49 ). Ook God gebruikt boze engelen
om de vromen te beproeven en te straffen (b.v. Job en Paulus, 2 Kor.12:7 ). Hij
gebruikt ook goede engelen om goddelozen te straffen.
In Hand.7:38,53 ; Gal.3:19 en Hebr.2:2 worden de wet en de
engelen met elkaar in verband gedacht. Dat gebeurde niet in het Oude Testament,
wel in de intertestamentaire literatuur. Ef.2:2 lijkt op de Griekse
voorstelling van geesten in de lucht die ook bij Philo en Plutarchus voorkomt,
maar het verschil is groot. Philo en Plutarchus noemen deze wezens 'zielen
zonder lichamen' , een aanduiding die totaal niet past in de denkwijze van de
Bijbel.
|